Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BS8957

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-09-2011
Datum publicatie
15-09-2011
Zaaknummer
22-003865-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2010:BN0875, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doodslag, poging tot doodslag en openlijke geweldpleging tijdens het zomercarnaval in Rotterdam.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003865-10

Parketnummer(s): 10-640305-09

Datum uitspraak: 15 september 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 juli 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1990,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Flevoland, Huis van Bewaring Lelystad te Lelystad.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 1 september 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 impliciet primair (moord) en het onder 2 primair impliciet primair (poging moord) ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair (doodslag), 2 primair impliciet subsidiair (poging doodslag) en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij als omschreven in het vonnis waarvan beroep en is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:

hij op of omstreeks 25 juli 2009 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst en/of het bovenlichaam en/of een arm en/of een been, althans in het lichaam, van die [slachtoffer 1] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2:

hij op of omstreeks 25 juli 2009 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, althans het lichaam, van die [slachtoffer 2] heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 juli 2009 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon, (te weten [slachtoffer 2]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (schade aan een nier en/of schade aan het hartzakje en/of een ingeklapte long en/of verminderd functioneren van het middenrif), heeft toegebracht, door die [slachtoffer 2] opzettelijk meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, althans het lichaam te steken;

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 juli 2009 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, althans het lichaam, van die [slachtoffer 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3:

hij op of omstreeks 25 juli 2009 te Rotterdam, op of aan de openbare weg, te weten het Binnenwegplein en/of de Oude Binnenweg, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal, slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen van die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 1].

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 2 primair impliciet subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:

hij op 25 juli 2009 te Rotterdam opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk meermalen met een mes in de borst en het bovenlichaam en een arm en een been, van die [slachtoffer 1] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2:

hij op 25 juli 2009 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met een mes in de rug van die [slachtoffer 2] heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

3:

hij op 25 juli 2009 te Rotterdam, op de openbare weg, te weten het Binnenwegplein openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit het slaan en/of stompen van die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 1].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Verweren van de verdediging

Ten aanzien van het als feit 3 tenlastegelegde heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er geen bewijs is dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan openlijk geweld, nu hij slechts als 'vredestichter' heeft willen optreden. De verdediging heeft voorts met betrekking tot alle tenlastegelegde feiten, al dan niet subsidiair, bepleit dat de verdachte een beroep toekomt op noodweer(exces).

Het hof overweegt ten aanzien van deze verweren als volgt, waarbij de feiten in chronologie zullen worden besproken (eerst feit 3 en dan de feiten 1 en 2).

Van alle personen die hebben verklaard omtrent de toedracht van feit 3 acht het hof de verklaring van de getuige [getuige A] het meest betrouwbaar, aangezien zij daarover op verschillende momenten gedetailleerd en consistent heeft verklaard en zij geacht mag worden geen overwegend belang te hebben bij het belasten van één van de bij dat feit betrokkenen. Uit haar verklaringen leidt het hof af dat [medeverdachte], de neef van verdachte, het initiatief nam om diegene die zijn vriendin zou hebben lastig gevallen (naar later blijkt [slachtoffer 3]) als eerste een klap te geven en dat de verdachte toen direct ook een paar klappen aan deze persoon heeft gegeven. Hieruit volgt dat de verdachte niet is opgetreden als 'vredestichter', maar dat hij een significante bijdrage heeft geleverd aan de (korte) vechtpartij die op dat moment is ontstaan. In die vechtpartij heeft de verdachte zich overigens ook niet onbetuigd gelaten ten opzichte van [slachtoffer 1], die zich ook met de ruzie begon te bemoeien. Hierin ligt besloten dat openlijk geweld bewezen verklaard kan worden en de verdachte geen beroep op noodweer(exces) toekomt, omdat voor hem geen noodweersituatie is ontstaan.

Ten aanzien van de vechtpartij die daarna is ontstaan in de Mauritsstraat (de feiten 2 en 3) gaat het hof ervan uit dat de verdachte en zijn neef [medeverdachte] in die straat zijn ingehaald door de latere slachtoffers. Anders dan de advocaat-generaal acht het hof niet aannemelijk dat de verdachte en zijn neef in die straat zelf de confrontatie hebben gezocht met de latere slachtoffers. Dat ligt niet voor de hand nu zij op de vlucht waren en de groep achtervolgers getalsmatig in de meerderheid was. Het hof gaat er dan ook van uit dat de latere slachtoffers in de Mauritsstraat als eerste geweld hebben gebruikt tegen de verdachte en zijn neef, zodat in zoverre voor hen een noodweersituatie is ontstaan en zij zich in beginsel mochten verdedigen.

Anders dan de verdediging is het hof echter van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de aanval zoals die door het latere slachtoffer [slachtoffer 1] tegen de verdachte is ingezet, mede inhield dat de verdachte door deze in zijn ogen is gespoten met pepperspray. Het hof acht evenmin aannemelijk geworden dat de verdachte gedurende zijn vechtpartij met [slachtoffer 1], nadat hij met pepperspray zou zijn bespoten, is getrapt en geslagen door verscheidene andere personen, aangezien meerdere getuigenverklaringen inhouden dat sprake was van een zogenoemd man-tegen-man-gevecht en ook nadien niet is gebleken dat de verdachte verschillende verwondingen had die bij het trappen en slaan door meerdere personen passen.

[slachtoffer 1] heeft vier steekwonden opgelopen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders dan doelgericht kunnen zijn toegebracht. Van lichtere schampwonden of krassen, veroorzaakt door een zwaaiend mes blijkt niets. Iemand die met succes is 'gepepperd' is niet in staat zo doelgericht in te steken op zijn tegenstander. De verklaring van de verdachte, dat hij, verblind door de pepperspray, in het wilde weg heeft gezwaaid met zijn mes is niet geloofwaardig. Bovendien is hij direct na het steken van [slachtoffer 1] naar de overkant van de weg gelopen om zijn neef [medeverdachte], die in gevecht was met [slachtoffer 2], bij te staan. Naar zijn eigen zeggen kon hij direct waarnemen hoe dat gevecht verliep en ook het - gelet op de toegebrachte verwondingen al evenzeer doelgericht - insteken op [slachtoffer 2] wijst op op dat moment normaal functionerend zicht bij de verdachte. Het hof vindt het aannemelijk dat de verdachte een busje pepperspray heeft waargenomen bij het latere slachtoffer [slachtoffer 1]. Bovendien is aannemelijk dat [slachtoffer 1] hem dreigde aan te vallen of zelfs heeft aangevallen. In beginsel mocht hij zich dan ook verweren. Het hanteren van een mes door verdachte was echter, gelet op het bovenstaande, uit den boze. De verdachte heeft bovendien het slachtoffer tot tweemaal toe in de borst gestoken. Deze reactie was volstrekt disproportioneel. Het beroep op noodweer faalt.

Ook het beroep op noodweerexces ten aanzien van dit feit wordt verworpen. De verdachte heeft gesteld dat de door hem geschetste feitelijke toedracht (waarbij hij was verblind door pepperspray en door meerdere tegenstanders tegelijk werd aangevallen) heeft geleid tot een paniekreactie zijnerzijds. Het hof heeft al aangegeven die door de verdachte geschetste gang van zaken niet aannemelijk te vinden. Daarmee ontvalt ook de grond aan het beroep op noodweerexces.

Noodweer(exces) met betrekking tot feit 2

Met betrekking tot het steken van [slachtoffer 2] overweegt het hof het volgende.

De verdachte heeft gesteld dat hij door de aanval op hem zelf al in paniek was en dat hij meende dat zijn neef [medeverdachte] op zijn buik op een auto lag, in een wurggreep gehouden door [slachtoffer 2] en niet meer in staat tot enig verzet. Derhalve moest hij naar zijn zeggen wel steken.

Het hof stelt vast dat verdachtes lezing van de feiten niet overeenkomt met de werkelijkheid.

Het is weliswaar aannemelijk dat ook [medeverdachte] zich in een noodweersituatie bevond en dat verdachte hem daarin in beginsel mocht bijstaan. Maar verdachtes lezing van de feiten (waarbij kort gezegd voor [medeverdachte] een levensbedreigende situatie zou zijn ontstaan) wordt geenszins onderschreven door [medeverdachte] en [slachtoffer 2], uit wier verklaringen kan worden afgeleid dat zij hevig in gevecht waren toen de verdachte [slachtoffer 2] in de rug stak. De verdachte is ook de enige die van een wurggreep spreekt. De reactie van de verdachte - het van achteren steken in het lichaam van [slachtoffer 2] - was niet geboden. Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen.

Over de beweerdelijke paniek veroorzaakt door de aanval op de verdachte heeft het hof hierboven al overwogen dat deze niet aannemelijk is gemaakt. Het beroep op noodweerexces wordt ook ten aanzien van dit feit verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

het onder 2 primair impliciet subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte van het onder 1 impliciet primair (moord) en het onder 2 primair impliciet primair (poging moord) ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair (doodslag), 2 primair impliciet subsidiair (poging doodslag) en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is tijdens het zomercarnaval in Rotterdam samen met zijn neef betrokken geraakt bij een vechtpartij met het latere dodelijke slachtoffer [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]. Nadat de tegenpartij versterking is gaan halen, is de verdachte met zijn neef weggelopen in de richting van het centraal station. In de Mauritsstraat is het wederom tot een vechtpartij gekomen. Deze keer tussen de verdachte en [slachtoffer 1] en verdachtes neef met [slachtoffer 2] . De verdachte heeft hierbij het slachtoffer [slachtoffer 1] meerdere malen met een mes gestoken, tengevolge waarvan het slachtoffer is komen te overlijden. Voorts heeft hij zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer [slachtoffer 2] verscheidene keren met een mes in zijn onderrug te steken.

Door dit disproportionele handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan doodslag en het slachtoffer [slachtoffer 1] het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. Daarnaast heeft de verdachte de nabestaanden van [slachtoffer 1] onherstelbaar leed aangedaan. Een dergelijk feit draagt een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en veroorzaakt daarnaast gevoelens van onrust, angst en onveiligheid in de samenleving. De omstandigheid dat het slachtoffer [slachtoffer 2] niet aan zijn verwondingen is overleden is een gelukkige, die geenszins aan het handelen van de verdachte te danken is.

Het hof rekent het de verdachte bovendien zwaar aan dat deze feiten zijn begaan op de openbare weg, te weten het centrum van Rotterdam, alwaar op dat moment het zomercarnaval werd gevierd. Vele omstanders zijn getuige geweest van deze gewelddadigheden hetgeen voor hen een angstaanjagende en schokkende gebeurtenis moet zijn geweest.

De algemene ervaring leert dat slachtoffers van geweldsmisdrijven, niet alleen nog lang last kunnen hebben van toegebracht fysiek letsel, maar ook nog lange tijd de psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden.

In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met het gegeven dat de verdachte niet eerder met politie en/of justitie in aanraking is geweest en tevens met zijn jonge leeftijd.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële en materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van EUR 4.185,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van EUR 3.835,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde immateriële en materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 primair impliciet subsidiair bewezen verklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

EUR 3.835,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 2 primair impliciet subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 impliciet subsidiair, 2 primair impliciet subsidiair en 3 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 primair impliciet subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 3.835,00 (drieduizend achthonderd vijfendertig euro) bestaande uit EUR 335,00 (driehonderd vijfendertig euro) materiële schade en EUR 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van EUR 3.835,00 (drieduizend achthonderd vijfendertig euro) bestaande uit EUR 335,00 (driehonderd vijfendertig euro) materiële schade en

EUR 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 48 (achtenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht, mr. H.C. Wiersinga en mr. C.J. van der Wilt, in bijzijn van de griffier mr. M.J.J. van den Broek.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 september 2011.