Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BS8879

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-08-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
200.052.577-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Intellectuele eigendom, auteursrecht. Kwalificatie filmproducent/auteursrechthebbende Bollywoodfilm. Uitleg samenwerkings- en exploitatieovereenkomst. IPR: toepasselijk recht. Inbreuk. Geen spoedeisend belang nevenvorderingen.

(vervolg LJN BP0790)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

Zaaknummer : 200.052.577/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 337471/ KG ZA 09-901

Arrest d.d. 30 augustus 2011

inzake

STICHTING INDIAN FILM AND MUSIC

gevestigd te Tilburg,

appellante,

hierna te noemen: SIFAM,

advocaat: mr. A. K. Ramdas te Rotterdam,

tegen

TEMPTATIONS BUSINESS GROUP B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Temptations,

advocaat: mr. A.J.F. Gonesh te ’s-Gravenhage.

Het verdere verloop van het geding

Voor het verloop van het geding tot aan het tussenarrest van 7 december 2010 (LJN BP0790) verwijst het hof naar dat arrest. SIFAM heeft op 24 januari 2011 een akte, met productie, genomen, waarop Temptations bij antwoordakte d.d. 8 maart 2011 heeft gereageerd. SIFAM heeft na het nemen van voormelde akte meerdere keren verzocht nog een aanvullende akte te mogen nemen met betrekking tot de proceskosten, laatstelijk op de rol van 19 april 2011. Het nemen van deze akte is door de rolraadsheer geweigerd, omdat die akte over meer handelde dan uitsluitend de proceskosten.

Tenslotte hebben partijen, onder overlegging van hun procesdossiers, arrest gevraagd.

Verdere beoordeling van het hoger beroep

1. Bij voormeld tussenarrest is SIFAM in de gelegenheid gesteld de ontbrekende bladzijde 16 van de overeenkomst van 27 december 2008 (productie 9 memorie van grieven) in het geding te brengen. Voorts is SIFAM verzocht in deze akte nader in te gaan op het overigens nog door Temptations gestelde aangaande de rechtsgeldigheid en authenticiteit van deze overeenkomst.

2. SIFAM heeft bij akte de ontbrekende bladzijde van de overeenkomst in het geding gebracht en nog het navolgende naar voren gebracht. Naar SIFAM stelt, bevatten de pagina’s 1-15 van de overeenkomst slechts drie parafen, omdat [betrokkene 1] zowel het bedrijf Walkwater Media Limited (second part), waar hij ‘chairman’ en ‘managing director’ is, als zichzelf (third part) vertegenwoordigde. Zij heeft er voorts op gewezen dat [betrokkene 2] eigenaar is van de onderneming Victory Moving Pictures, onder verwijzing naar de pagina’s 5 (aanduiding partijen) en 17 (ondertekening) van de overeenkomst. De rechtsgeldigheid en authenticiteit van de overeenkomst staat volgens haar buiten kijf, nu deze is opgemaakt op “INDIA NON JUDICIAL” stamp paper, uitgegeven en gecontroleerd door de Indiase overheid.

Temptations heeft bij antwoordakte haar weren met betrekking tot de rechtsgeldigheid en authenticiteit van de overeenkomst gehandhaafd bij gebreke van verificatoire bewijsstukken en nader aangevuld. Naar haar mening is, mede gelet op de overigens nog geconstateerde ‘merkwaardigheden’ in de overeenkomst nader onderzoek vereist, waarvoor in kort geding geen plaats is.

3. Het hof stelt allereerst vast dat de voorheen ontbrekende bladzijde 16 (ook) het laatste artikel 12.7 bevat, waarin een rechtskeuzebeding is opgenomen ten faveure van het Indiase recht, zoals Temptations reeds veronderstelde (MvA, no 42). De rechtsgeldigheid en de inhoud van de overeenkomst dienen dus beoordeeld te worden naar het Indiase recht (art. 3 jo artt. 8 en 9 EVO). De van toepassing zijnde Indian Contract Act 1872 stelt overigens geen bijzondere vormvereisten en ook geen van het Nederlandse recht afwijkende regels met betrekking tot (de bevoegdheid tot) het aangaan of de uitleg van een overeenkomst. Ook in de tevens van toepassing zijnde Indiase Copyright Act (hierna: ICA) worden geen nadere vormvereisten gesteld voor schriftelijke overeenkomsten als de onderhavige.

4. Omtrent de rechtsgeldigheid en authenticiteit van de overeenkomst overweegt het hof als volgt.

4.1 De partijen zijn in de aanhef van de overeenkomst als volgt aangeduid:

Vistaar Religare Capital Advisors Limited (...), hereinafter referred to as “Fund” (…) of the ONE PART;

And

Walkwater Media Limited (…), hereinafter referred to as “Presenter” (…) of the SECOND PART;

And

[betrokkene 1] (…) Mumbai (…), hereinafter referred to as “[initialen betrokkene 1]” (…) of the THIRD PART

And

[betrokkene 2] (…), through his proprietorship concern M/s. Victory Moving Pictures (…) Mumbai (..), hereinafter referred to as “[initialen betrokkene 2]” (….) of the FOURTH PART;

[betrokkene 1] and [betrokkene 2] shall hereinafter be referred to as Producers/ Confirming Party.

(…..)”

4.2 De ondertekening op blz. 16 van de overeenkomst is namens Walkwater Media als “Authorised Signatory” gedaan door [betrokkene 1]. Dit kan worden opgemaakt uit het feit dat deze handtekening identiek is aan de handtekening gezet voor de partij [betrokkene 1]. Dat is ook niet door Temptations betwist. De ondertekening heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van een tweede persoon, die ook heeft meegetekend.

[betrokkene 1] is – zo staat vermeld op de website van Walkwater Media (waarvan uitdraaien in het geding zijn gebracht als productie 10 en 12 MvGr) – ‘chairman’ en ‘managing director’ van Walkwater Media. Het hof gaat er in het kader van dit kort geding voorshands van uit dat [betrokkene 1] als ‘managing director’ bevoegd was de overeenkomst namens Walkwater Media aan te gaan. Het verweer van Temptations dat [betrokkene 1] niet ter zake bevoegd zou zijn, wordt als onvoldoende gemotiveerd gepasseerd. Uitgaande van deze bevoegdheid, is verklaarbaar dat de overeenkomst slechts drie parafen bevat en kan de derde paraaf van [betrokkene 1] geacht worden als akkoord te gelden voor zowel hemzelf als voor Walkwater Media.

4.3 Het hof begrijpt uit de hiervoor weergegeven partijaanduiding en de daarbij door SIFAM gegeven uitleg dat [betrokkene 2] partij bij de overeenkomst is via zijn onderneming VMP. [betrokkene 2] heeft de overeenkomst ondertekend voor VMP, eveneens in aanwezigheid van een andere persoon die heeft meegetekend. Ook hier gaat het hof voorshands uit van een rechtsgeldige ondertekening van de overeenkomst. Temptations heeft haar verweer op dit punt, na de gegeven uitleg door SIFAM, onvoldoende gemotiveerd.

4.4 Met de ‘merkwaardigheden’ in de overeenkomst doelt Temptations kennelijk op de bij memorie van antwoord gestelde onduidelijkheden in de overeenkomst tengevolge van het feit dat bepaalde zaken niet zijn ingevuld, althans verwijderd (‘weggewit’). De gegevens die als gevolg daarvan ontbreken betreffen onder meer het aantal jaren in de artikelen 2.5 (term of sharing the Overflow Exploitation) en 3.1 (term of agreement). De overeenkomst dateert van december 2008, terwijl de overeenkomst in beide artikelen spreekt van “years”, zodat voorshands voldoende aannemelijk is dat deze overeenkomst op 19 juni 2009, de datum waarop de gestelde inbreuk door de deurwaarder werd geconstateerd, nog van kracht was. De overige gegevens die zodoende ontbreken betreffen alle als vertrouwelijk te beschouwen informatie omtrent percentages en cijfers en zijn in deze niet relevant.

4.5 Op grond van het voorafgaande gaat het hof voorshands uit van de rechtsgeldigheid en authenticiteit van de overeenkomst. Wat er precies zij van de functie van de “India Non Judicial” stamp paper – partijen verschillen daarover van mening – kan dan ook in het midden blijven. Een nader onderzoek acht het hof daarom niet noodzakelijk.

4.6 Een en ander brengt met zich dat de inhoud van de overeenkomst van 27 december 2008 kan worden betrokken bij de verdere beoordeling in hoger beroep.

5. Partijen twisten over de vraag of uit deze overeenkomst voorshands voldoende blijkt wie als auteursrechthebbende/producent kwalificeert. Kort samengevat stelt SIFAM zich op het standpunt dat uit de overeenkomst kan worden opgemaakt dat (uitsluitend) Walkwater Media als zodanig heeft te gelden, terwijl Temptations de mening is toegedaan dat (ook) daaruit blijkt dat de film een coproductie is van [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. Subsidiair stelt Temptations dat niet blijkt van een overdracht van rechten van enig auteursrechthebbende/producent aan de ander, waarmee niet is voldaan aan Indiaas en (subsidiair) Nederlands recht.

Het hof overweegt als volgt.

5.1 Vooropgesteld wordt dat, zoals in rechtsoverweging van 12 van voormeld tussenarrest reeds is overwogen, de vraag wie als auteursrechthebbende kwalificeert beantwoord moet worden naar Nederlands recht. Op de (uitleg van de) de overeenkomst is, zoals onder 3 is overwogen, het Indiase recht van toepassing. Dit laatste maakt dat ook het verlenen van toestemming tot exploitatie en/of een eventuele overdracht van rechten wordt beheerst door het Indiase recht (vgl. Hof Den Haag 20 september 2007, IER 2010/35).

5.2 Voor de partijaanduiding in de overeenkomst zij verwezen naar rechtsoverweging 4.1. In de overeenkomst is - voor zover hier van belang - het navolgende bepaald:

“WHEREAS:

(…)

B. The Presenter is interalia engaged in the business of production of films and is the World Right Holder in the film tentatively titled as “VICTORY” (…), directed by [betrokkene 2] (…)

C. The Producers are interalia engaged in the business of production of films and have presently produced a film tentatively titled as “VICTORY” (….)

(…)

Article 1

(….)

“Exploitation rights” includes all present and future commercial exploitation rights by whatever media (…)

(…)

“Exploitation Proceeds” shall mean the revenues received by the Presenter from the exploitation of the Exploitation Rights of the said film (…)

(…)

“Intellectual Property Rights” shall mean all rights arising out of or in relation to the Intellectual Property including exploitation rights.

(…)

Article 2

2.1 The Parties have agreed that the Presenter shall be responsible for the entire production of the said Film, viz: engagement of cast, crew, technicians, musicians, director, etc, in consultation with the Fund.

(…)

2.5 (…) The Presenter shall be solely responsible for exploitation of all the Exploitation Rights in the said Film.

(…)

Article 3

(….)

3.4 The Presenter shall take all decisions relating to the production, post-production and completion of the Film and keep the Fund informed about the same.

(…)”

5.3 Uit de hiervoor weergegeven bepalingen van de overeenkomst kan allereerst worden opgemaakt dat de partijen bij de overeenkomst hebben bedoeld hun samenwerking, de verdeling van de werkzaamheden en de verantwoordelijkheden met betrekking tot het vervaardigen van de film en de exploitatie daarvan nader vorm te geven. Voorts kan daaruit worden opgemaakt dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] feitelijk werkzaamheden die horen bij het producentschap hebben uitgevoerd, terwijl [betrokkene 2] tevens regisseur is. Deze weergave van feitelijke werkzaamheden komt overeen met de informatie die blijkt uit de andere door SIFAM in het geding gebrachte documenten (zie rov. 13 van het tussenarrest). Uit de geciteerde bepalingen van de artikelen 2 en 3 blijkt verder dat alle betrokken partijen, en dus ook [betrokkene 1] en [betrokkene 2], de rechtspersoon Walkwater Media hebben aangewezen als de partij die uiteindelijk beslissingsbevoegd én verantwoordelijk is voor alle productiewerkzaamheden, waaronder het engageren van de makers, respectievelijk dat zij Walkwater Media hebben belast met (het dragen van het risico voor) de exploitatie van de film. Onder verwijzing naar rechtsoverweging 12 van het tussenarrest, en in het bijzonder naar de aldaar genoemde passages uit de toelichtende kamerstukken, is het hof voorshands van oordeel dat Walkwater Media daarmee kwalificeert als (enige) producent in de zin van artikel 45 lid 3 Aw. Walkwater Media moet daarom in beginsel ook als auteursrechthebbende worden aangemerkt op grond van artikel 45d Aw.

5.4 Voor zover het gaat om auteursrechten van betrokken makers, zoals [betrokkene 2] als regisseur, geldt op grond van artikel 45d Aw dat de makers geacht worden hun exploitatierechten te hebben overgedragen, tenzij anders schriftelijk overeengekomen. De bewijslast van dit laatste rust op Temptations. Temptations heeft echter geen concrete feiten of omstandigheden gesteld die aannemelijk maken dat van schriftelijke andersluidende bedingen (waarop dan eveneens het Indiase recht van toepassing is) sprake is geweest.

5.5 Een en ander leidt er toe dat het primaire noch het subsidiaire verweer van Temptations doel kan treffen.

6. Nu Walkwater Media als producent/auteursrechthebbende van de film moet worden aangemerkt, was zij gerechtigd de exploitatierechten over te dragen aan KMI c.q. ter zake een licentie aan KMI te verlenen. Over de vraag of de wijze waarop zij dat heeft gedaan rechtsgeldig is geschied, verschillen partijen van mening.

6.1 SIFAM stelt dat Walkwater Media de aan haar toebehorende auteursrechten deels heeft overgedragen aan KMI bij “Memorandum of Understanding” van 9 januari 2009 (productie 13 dagvaarding eerste aanleg, hierna: de exploitatieovereenkomst). Temptations heeft in eerste aanleg betwist dat met deze overeenkomst is voldaan aan het op deze overeenkomst van toepassing zijnde Indiase recht. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de overeenkomst niet is ondertekend door [betrokkene 1] maar door ene “[betrokkene 3], chief executive officer” en niet is aangetoond dat deze bevoegd is de overeenkomst te ondertekenen. Voorts heeft zij aangevoerd dat niet aannemelijk is gemaakt dat KMI tevens de vereiste bevoegdheid tot handhaving zou hebben verkregen.

6.2 Ook dit verweer faalt. Voorop staat dat de (gedeeltelijke) overdracht van rechten als voorzien in de exploitatieovereenkomst is onderworpen aan artikel 19 van de Indiase Copyright Act (ICA), door Temptations overgelegd als productie 6, luidende: “No assignment of the copyright in any work shall be valid unless it is in writing signed by the assigner or by his duly authorised agent.” De onderhavige overeenkomst is blijkens het daarop prijkende stempel kennelijk opgemaakt door, althans ondertekend bij, een notaris te Mumbai, terwijl onder de ondertekening door [betrokkene 3] is vermeld “Authorised Signatory”. Het hof acht daarmee voorshands voldoende aannemelijk dat [betrokkene 3] bevoegd was de overeenkomst te ondertekenen. Concrete feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, zijn niet gesteld of gebleken, zodat het betoog van Temptations op dit punt als onvoldoende gemotiveerd wordt gepasseerd. De bevoegdheid tot handhaving van de overgedragen rechten volgt uit artikel 2 van de exploitatieovereenkomst, waarin is bepaald: “The rights assigned under this agreement are only Home Video Rights (…) and the rights to enforce the copyright in the Territory of Europe (…)”.

6.3 Het vorenstaande leidt er toe dat voorshands moet worden aangenomen dat KMI op grond van de exploitatieovereenkomst rechthebbende is geworden voor zover het betreft de (exploitatie)rechten op de DVD-film (“Home Video Rights”) in Europa, waaronder ook het recht op te treden tegen derden. Nu deze overeenkomst daartoe volstaat, kunnen de stellingen van partijen omtrent de in het geding gebrachte verklaring namens Walkwater Media (productie 3 dagvaarding eerste aanleg) buiten bespreking blijven.

6.4 Deze door KMI verkregen rechten vallen onder de reeds op 10 januari 2006 aan SIFAM verleende volmacht om KMI in rechte te vertegenwoordigen ter zake van alle rechten die op dat moment “of in de toekomst, gedurende de periode dat B (KMI, hof) aangesloten is” aan KMI (zullen) toebehoren. SIFAM is dan ook gerechtigd op te treden tegen inbreuk op de aan KMI toekomende auteursrechten op de DVD-film.

7. Hetgeen hiervoor onder 5 en 6 is overwogen, brengt met zich dat de grieven 2, 3 en (deels) 4 in zoverre doel treffen, zodat het vonnis waarvan beroep geen stand kan houden.

8. Rest nog de beoordeling van de vraag of Temptations inbreuk op deze rechten heeft gemaakt en zo ja, of de door haar ingestelde (neven)vorderingen alle toewijsbaar zijn.

8.1 Naar SIFAM stelt, is de DVD-film nog niet officieel op de Europese markt uitgebracht; wel zijn er ten behoeve van de release binnen Europa al (unieke) SID-codes afgegeven aan KMI, die bij de release ter bescherming tegen piraterij zullen worden aangebracht. Daarnaast zal op de achterzijde van de DVD het catalogusnummer van KMI worden opgenomen, te weten: KMI-D-360. Het door de deurwaarder in beslag genomen exemplaar betreft derhalve een illegale kopie, aldus SIFAM.

Temptations heeft betwist dat sprake is van (grootschalige) inbreuk. Daarbij heeft zij aangevoerd dat zij bij gebrek aan wetenschap betwist dat de gestelde SID-codes zijn afgegeven en dat zij slechts één exemplaar in haar bezit had, welk exemplaar is aangekocht bij [betrokkene 4] van KMI. Dit laatste is door SIFAM weersproken.

8.2 Het hof is voorshands van oordeel dat sprake is geweest van (in ieder geval eenmalig) inbreukmakend handelen en overweegt daartoe als volgt.

Uit het proces-verbaal met bijlagen van de deurwaarder (productie 5 dagvaarding eerste aanleg) blijkt dat de cover van de in beslag genomen DVD identiek is aan de cover van de officiële uitgave van de film “Victory”op DVD, als blijkend uit het promotiemateriaal. Voorts blijkt uit dit proces-verbaal dat de deurwaarder op het in beslag genomen exemplaar (uitsluitend) het serienummer DVD A16 heeft aangetroffen. Dit laatste maakt, gelet op het ontbreken van enige verwijzing naar KMI, voldoende aannemelijk dat het hier niet betreft een door KMI officieel uitgegeven exemplaar. Aan het ontbreken van SID-codes, komt daarbij geen gewicht toe, nu als onbetwist moet worden aangenomen dat de DVD nog niet officieel is uitgebracht op de Europese markt. Of SID-codes al dan niet daadwerkelijk zijn afgegeven, is derhalve evenmin relevant. Het nog door Temptations gevoerde verweer dat de in beslag genomen DVD is gekocht bij [betrokkene 4], waarmee zij gelet op haar toelichting bij memorie van antwoord kennelijk bedoelt te stellen dat KMI zelf, althans [betrokkene 4], illegale DVD’s verhandelt, passeert het hof als niet ter zake doende. Hoe curieus dit ook zou zijn, de vraag bij wie een inbreukmakend exemplaar is aangekocht, is ter beantwoording van de vraag of sprake is van inbreuk niet relevant. Dit zou hooguit een rol kunnen spelen bij de toerekenbaarheid. Of van dit laatste sprake is, kan buiten bespreking blijven, nu zoals hierna zal blijken voor het toekennen van (een voorschot op) schadevergoeding in dit kort geding geen plaats is.

8.3 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof ook op dit punt – en anders dan de rechtbank ten overvloede heeft overwogen – nader onderzoek niet noodzakelijk. In zoverre treffen de grieven 4 (deels) en 5 doel.

9. Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de door SIFAM ingestelde (neven) vorderingen overweegt het hof als volgt.

9.1 Zoals in voormeld tussenarrest reeds is overwogen, heeft SIFAM bij haar vordering tot het staken en gestaakt houden van de verdere exploitatie van de DVD-film voldoende spoedeisend belang. Deze vordering zal worden toegewezen, althans voor zover gericht tegen Temptations zelf. Voor het opleggen van een verbod aan andere (rechts)personen dan Temptations bestaat geen grond.

9.2 Het (spoedeisend) belang bij de door haar ingestelde nevenvorderingen heeft SIFAM, gelet op de betwisting daarvan door Temptations, onvoldoende onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de vordering tot afdracht van (een voorschot op) de door Temptations genoten winst dan wel tot betaling van schadevergoeding. Daarbij komt dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een grootschalige en/of voortdurende inbreuk, hetgeen voor het hof te meer reden is in dit kort geding terughoudendheid te betrachten. Deze vorderingen zullen dan ook bij gebreke aan (spoedeisend) belang worden afgewezen.

10. Het hof zal overgaan tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende beslissen overeenkomstig het voorgaande.

11. Temptations zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep. Het hof bepaalt deze kosten als volgt.

11.1 Gelet op het feit dat aan de ingestelde vorderingen een intellectueel eigendomsrecht ten grondslag ligt, komen de door SIFAM gevorderde kosten krachtens het bepaalde in artikel 1019h Rv in beginsel voor volledige vergoeding in aanmerking, althans voor zover deze kosten nader zijn gespecificeerd. Ter bepaling van de kosten in eerste aanleg zijn daarnaast van belang de per 1 augustus 2008 in werking getreden indicatietarieven in IE-zaken.

11.2 De rechtbank heeft de salariskosten van de advocaat in eerste aanleg overeenkomstig voormelde indicatietarieven gematigd tot een bedrag van € 2.000, - en daartoe overwogen dat ter terechtzitting in eerste aanleg is gebleken dat de onderhavige zaak niet op zichzelf staat en partijen in meer procedures zijn betrokken, waarbij inhoudelijk vergelijkbare kwesties spelen. Nu dit in hoger beroep niet is bestreden, zal het hof de rechtbank hierin volgen.

11.3 SIFAM heeft haar proceskosten in hoger beroep (voor het laatst) bij akte van 20 april 2010 volledig gespecificeerd. Haar kosten tot aan voormeld tussenarrest heeft zij daarbij gesteld op € 4.816,23 inclusief explootkosten en exclusief griffierecht. Deze kosten komen het hof niet onredelijk voor, zodat deze conform worden bepaald.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 12 november 2009;

en opnieuw rechtdoende:

- gebiedt Temptations met onmiddellijke ingang na betekening van dit arrest te staken en gestaakt te houden, in Nederland, ieder aanbieden (waaronder begrepen via internet), in voorraad (doen) hebben, (doen) vervaardigen, (doen) verkopen, (doen) distribueren, exporteren of anderszins naar het buitenland (doen) vervoeren, importeren, marketen, (doen) afleveren of anderszins in het verkeer brengen van illegale beelddragers van de nader in dit arrest omschreven film “Victory”;

- veroordeelt Temptations om aan SIFAM ten titel van dwangsom te betalen een bedrag van € 10.000, - (zegge: tienduizend euro) per – gehele of gedeeltelijke – overtreding, of voor elke dag (een gedeelte van de dag daaronder begrepen), zulks uitsluitend naar keuze van SIFAM, dat Temptations met de nakoming van dit gebod in gebreke blijft;

- bepaalt dat de in dit arrest getroffen voorziening zonder verder rechterlijke tussenkomst haar kracht verliest indien SIFAM niet binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de dag na die waarop dit arrest is uitgesproken, haar eis in hoofdzaak heeft ingesteld;

- veroordeelt Temptations in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van SIFAM tot op 12 november 2009 begroot op (€ 262, - + € 72,25) € 334,25 aan verschotten en € 2.000, - aan salaris voor de advocaat;

- veroordeelt Temptations in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van SIFAM tot op heden begroot op (€ 313, - + € 85,98) € 398,98 aan verschotten en € 4.730,25 aan salaris voor de advocaat;

- verklaart dit arrest wat de kostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het overigens of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.J. Verduyn, T.H. Tanja-van den Broek en G.J. Heevel en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 augustus 2011 in aanwezigheid van de griffier.