Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BS8698

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-08-2011
Datum publicatie
13-09-2011
Zaaknummer
200.084.412-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intellectuele Eigendom; octrooi; Incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad (1019h Rv) proceskostenveroordeling eerste aanleg ex art. 234 Rv. Toewijzing o.g.v. belangenafweging, nu rechtbank daarover geen oordeel heeft gegeven. Vordering betalingsbevel met rente kan in dit incident niet aan de orde komen. Compensatie van de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 200.084.412/01

Zaak-/rolnummer Rb : 346119/HA ZA 09-2869

arrest d.d. 30 augustus 2011

inzake

de rechtspersoon naar vreemd recht

WMF WÜRTEMBERGISCHE METALLWARENFABRIK AG,

gevestigd te Geislingen, Duitsland,

geïntimeerde, eiseres in het incident,

hierna ook te noemen: WMF,

procesadvocaat: mr. G. Kuipers te Amsterdam,

behandelend advocaten: mrs. G. Kuipers en O.V. Lamme te Amsterdam,

t e g e n:

VACU PRODUCTS B.V.,

gevestigd te Delft,

appellante, verweerster in het incident,

hierna ook te noemen: Vacu Products,

procesadvocaat: mr. J.M.C. Billet te Amsterdam,

behandelend advocaat: mr. G. de Hoogd te Oranjestad, Aruba.

Het geding

Bij exploot van 14 maart 2011 is Vacu Products in hoger beroep gekomen van het tussen haar als eiseres en WMF als gedaagde gewezen vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 december 2010. Bij “memorie houdende incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad proceskostenveroordeling eerste aanleg ex art. 234 Rv” heeft WMF een incidentele vordering ingesteld tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de kostenveroordeling in eerste aanleg. Vacu Products heeft bij antwoord-memorie in het incident tot afwijzing van de incidentele vordering geconcludeerd. Vervolgens hebben partijen schriftelijk gepleit, waartoe zij ieder pleitnotities hebben overgelegd. Tenslotte is arrest gevraagd in het incident.

Beoordeling van de incidentele vordering

1. Vacu Products heeft in eerste aanleg gevorderd WMF te bevelen elke inbreuk op haar Europees octrooi 0 483 930 B1 (dat betrekking heeft op, kort gezegd, een ananassnijder), althans de verkoop van (slaafs) nagebootste ananassnijders te staken en gestaakt te houden, met nevenvorderingen. WMF heeft de vorderingen bestreden.

De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen afgewezen en Vacu Products veroordeeld in de proceskosten, begroot op (inclusief de kosten van een eerder incident) € 35.719,08. De proceskostenveroordeling is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat - aldus overweegt de rechtbank in rechtsoverweging 4.13 van het bestreden vonnis – dat door WMF niet gevorderd was.

2. WMF vordert in dit incident:

1. voormelde kostenveroordeling alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren,

2. Vacu Products te bevelen deze kostenveroordeling binnen 14 dagen na dit arrest te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 december 2010,

3. veroordeling van Vacu Products in de kosten van het incident overeenkomstig artikel 1019h Rv, met rente.

3. Vacu Products heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, althans (eerst bij pleidooi) tot toewijzing van de onder 1 genoemde vordering onder de voorwaarde van zekerheidstelling door WMF. Zij stelt daartoe dat WMF niet heeft onderbouwd waarom zij nu ineens belang heeft bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad, dat de financiële soliditeit van WMF wordt betwist en door WMF niet is onderbouwd en dat WMF in Duitsland is gevestigd, waardoor het voor haar, Vacu Products, moeilijker is na vernietiging van het bestreden vonnis, het betaalde bedrag terug te vorderen.

4. Het hof stelt voorop dat voor toewijzing van een incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad vereist is dat de eisende partij belang heeft bij de door hem verlangde uitvoerbaarverklaring bij voorraad en dat de wederpartij niet een, gezien de omstandigheden van het geval, zwaarder wegend belang heeft bij achterwege blijven van zodanige verklaring. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel dient daarbij in de regel buiten beschouwing te blijven. (HR 29 april 2005, LJN AS8913, NJ 2006, 457 en 27 februari 1998, LJN ZC2602, NJ 1998, 512).

Voorts mag in het algemeen worden aangenomen dat, zolang niet van het tegendeel blijkt, degene die uitvoerbaarverklaring bij voorraad verlangt van een te zijnen verzoeke uitgesproken veroordeling tot betaling van een geldsom, het vereiste belang bij zodanige verklaring heeft (HR 27 februari 1998, LJN ZC2602, NJ 1998, 512).

5. In dit geval heeft de rechtbank de kostenveroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard uitsluitend omdat WMF geen uitvoerbaarverklaring bij voorraad had gevorderd. De rechtbank heeft derhalve geen vordering afgewezen en ook geen belangenafweging gemaakt ter beoordeling van de vraag of de kostenveroordeling voor uitvoerbaarverklaring bij voorraad in aanmerking kwam. Dat geldt ook als WMF - zoals Vacu Products bij pleidooi stelt, maar niet aannemelijk heeft gemaakt - “expres” in eerste aanleg geen uitvoerbaarverklaring bij voorraad zou hebben gevorderd. Gelet op het bovenstaande bevat de uitspraak van de rechtbank naar het oordeel van het hof niet een uitdrukkelijke beslissing op dit punt en kan volstaan worden met de in rechtsoverweging 4 vermelde belangenafweging.

6. Daar het gaat om een veroordeling tot betaling van proceskosten, mag worden aangenomen dat WMF, nu het tegendeel niet gemotiveerd is gesteld of gebleken, het vereiste belang heeft bij de door haar verlangde uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Vacu Products beoogt kennelijk te stellen dat haar belang bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist zwaarder weegt, in welk verband zij zich, kort gezegd, beroept op het restitutierisico. Dat er een restitutierisico zou bestaan dient door Vacu Products gesteld en concreet onderbouwd te worden. Een restitutierisico in abstracto is onvoldoende aanleiding om zekerheid op te leggen en (dus zeker) om uitvoerbaarverklaring bij voorraad te weigeren (vergelijk HR 16 juni 1994, LJN ZC1400, NJ 1994, 591).

Voor zover Vacu Products voorts al stelt dat sprake is van een restitutierisico gaat het hof hieraan als onvoldoende onderbouwd voorbij. Zij volstaat slechts met een abstracte betwisting van de financiële soliditeit van WMF en de stelling dat WMF in Duitsland is gevestigd. De enkele omstandigheid dat WMF in Duitsland is gevestigd, acht het hof onvoldoende zwaarwegend. Dit geldt temeer nu Vacu Products in eerst aanleg heeft gesteld dat WMF ook in Nederland handelt. Het bovenstaande brengt mee dat niet gezegd kan worden dat Vacu Products een zwaarder wegend belang heeft bij achterwege blijven van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad dan WMF bij (het wel toewijzen van) deze verklaring.

De incidentele vordering komt dan ook voor toewijzing in aanmerking, terwijl er geen, althans onvoldoende aanleiding is aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde van zekerheidstelling te verbinden.

7. De in rechtsoverweging 2, onder 2 vermelde vordering (te bevelen dat het bedrag van de kostenveroordeling binnen 14 dagen wordt betaald met rente vanaf 29 december 2010) kan in dit incident niet aan de orde komen. Indien WMF een titel wenst voor over de kostenveroordeling verschuldigde rente - voor de verschuldigdheid van de rente is geen veroordeling nodig nu de proceskosten na het vonnis opeisbaar waren en Vacu Products dus in verzuim kon komen -, had zij dat in eerste aanleg moeten vorderen en/of moet zij tegen de beslissing van de rechtbank op dit punt (incidenteel) hoger beroep instellen. Dit incident op grond van artikel 234 Rv is niet de plaats om andere bezwaren tegen het vonnis dan het ontbreken van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad aan het hof voor te leggen. Overigens lijken beide partijen er ten onrechte van uit te gaan dat WMF de proceskostenveroordeling in het geheel niet had kunnen executeren. Zolang geen hoger beroep was ingesteld (dus tot 14 maart 2011) had WMF het vonnis wel kunnen executeren. Door de uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt (slechts) de executie-schorsende werking van de gewone rechtsmiddelen opgeheven.

8. Nu enerzijds het verweer van Vacu Products faalt en het hof geen aanleiding ziet voor de door haar gevraagde zekerheidstelling en zij in zoverre in het ongelijk wordt gesteld, maar anderzijds dit incident niet nodig zou zijn geweest als WMF niet verzuimd had uitvoerbaarverklaring bij voorraad in eerste aanleg te vorderen en de kosten in zoverre nodeloos zijn gemaakt, zal het hof de kosten van dit incident compenseren.

Beslissing in het incident

Het hof:

- verklaart de kostenveroordeling in het tussen partijen door de rechtbank ’s-Gravenhage gewezen vonnis van 15 december 2010 (in de hoofdzaak en in het incident) uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de proceskosten van het incident, des dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

- wijst het meer of anders gevorderde (waaronder de door Vacu Products gevorderde zekerheidstelling) af;

- verwijst de zaak naar de rolzitting van 18 oktober 2011 voor memorie van grieven in de hoofdzaak.

Dit arrest is gewezen door mrs A.D. Kiers-Becking, G. Dulek-Schermers en H.J.H. van Meegen; het is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 augustus 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.