Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR7282

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-08-2011
Datum publicatie
08-09-2011
Zaaknummer
22-003232-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft een bankpas voorhanden gehad die op naam stond van een ander, terwijl hij de kans op de koop toe heeft genomen dat die bankpas van misdrijf afkomstig was. De verdachte heeft zich derhalve schuldig gemaakt aan opzetheling.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van geldbedragen door met behulp van een gestolen bankpas en de bijbehorende pincode bij twee pintransacties geld van een bankrekening van een ander weg te nemen. Het hof veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 160 uren en veroordeelt de verdachte tevens tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003232-10

Parketnummer: 10-641328-09

Datum uitspraak: 8 augustus 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 2 juni 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1973,[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

25 juli 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van voorarrest. De politierechter heeft geen beslissing genomen omtrent het onder de verdachte in beslag genomen geldbedrag.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 20 oktober 2009 te Rotterdam opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse of vervalste betaalpas, waardekaart of enige andere voor het publiek beschikbare kaart, bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, als ware deze pas of kaart echt en onvervalst, bestaande het gebruikmaken hierin dat verdachte meermalen, althans eenmaal, met die valse en/of vervalste betaalpas en/of waardekaart (een bankpas van de Rabobank op naam [slachtoffer 1]) bij een of meer pinautomaten heeft gepind, in elk geval met een valse en/of vervalste betaalpas en/of waardekaart (een) geldbedrag(en) heeft opgenomen, en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat in de magneetstrip van die betaalpas en/of waardekaart onjuiste en/of afwijkende gegevens waren opgenomen, in elk geval opzettelijk zodanig betaalpas en/of waardekaart voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die betaalpas en/of waardekaart bestemd was voor zodanig gebruik;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling en/of bewezenverklaring mocht of zou kunnen leiden:

Hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 20 oktober 2009 in Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechterlijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (waaronder 300 en 100 euro) (in totaal 2605 euro), althans enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], althans een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en of zijn mededaders het weg te nemen geld/goed onder zijn/hun bereik heeft gebracht door middels van valse sleutel(s), immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) gebruik gemaakt van de gegevens van de bankpas van rekening nummer [rekeningnummer] ten name van [slachtoffer 2], althans van een rekening van een ander dan de verdachte en/of zijn mededader(s) op een andere (bank)pas van een ander dan verdachte en/of heeft verdachte en/of zijn mededader(s) en/of ingetikt/ingegeven een pincode, althans gebruik gemaakt van een pincode.

2.

hij op of omstreeks 20 oktober 2009 te Rotterdam (een) goed(eren), te weten een bankpas (Rabobank, op naam [slachtoffer 1]), heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Op grond van de zich in het strafdossier bevindende bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting is niet vast te stellen dat de verdachte wist dat de door hem gebruikte betaalpas vals dan wel vervalst was of welbewust de aanmerkelijke kans dat zoiets het geval zou zijn heeft aanvaard, zodat het bewijs van opzettelijk gebruik van een valse of vervalste pas of kaart ontbreekt. Het hof is derhalve van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op tijdstippen op 20 oktober 2009 in Rotterdam met het oogmerk van wederrechterlijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (waaronder 300 en 100 euro), toebehorende aan een ander dan aan verdachte

2.

hij op 20 oktober 2009 te Rotterdam een goed, te weten een bankpas (Rabobank, op naam van [slachtoffer 1]), heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dat goed wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde

Het hof is van oordeel dat het kwalificerende gedeelte van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde -het gebruik van een valse sleutel bij de diefstal- niet kan worden bewezen, omdat de daarin tenlastegelegde gedragingen, te weten het gebruik van gegevens en/of het gebruik van een pincode, ten aanzien van een geldautomaat zonder gebruik van een bankpas niet zijn aan te merken als gebruik van een valse sleutel.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde

De verdachte heeft verklaard dat hij op 20 oktober 2009 te Rotterdam van een hem onbekende man een bankpas met bijbehorende pincode heeft gekregen. De onbekende man zou daarbij tegen de verdachte hebben gezegd: "enjoy yourself", of woorden van gelijke aard of strekking en van de verdachte werd geen tegenprestatie verwacht. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij heeft nagelaten te controleren of de identiteit van de man overeenkwam met de gegevens die op de bankpas stonden. Door aldus te handelen heeft de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de bankpas die hij voorhanden had van misdrijf afkomstig was, zoals ook het geval bleek te zijn. Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, meermalen gepleegd.

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Opzetheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een bankpas voorhanden gehad die op naam stond van een ander, terwijl hij de kans op de koop toe heeft genomen dat die bankpas van misdrijf afkomstig was. Aldus heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling en heeft hij bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen goederen.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan diefstal van geldbedragen door -zoals uit de bewijsmiddelen in het dossier volgt- met behulp van die gestolen bankpas en de bijbehorende pincode bij twee pintransacties geld van een bankrekening van een ander weg te nemen. Dergelijk handelen veroorzaakt doorgaans aanzienlijke financiële schade en bezorgt als regel de eigenaar van die bankpas veel ergernis en overlast. Het geheel van verdachtes gedragingen is typerend voor de wijze waarop aan vertrouwen in het

elektronisch betalingsverkeer afbreuk wordt gedaan.

Genoemde feiten zijn zodanig ernstig dat zij in beginsel een vrijheidsbenemende straf rechtvaardigen, zoals ook door de advocaat-generaal is gevorderd. Gelet op de omstandigheid dat het hof de verdachte vrijspreekt van het onder 1 primair tenlastegelegde en het feit dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 juli 2011 niet eerder wegens het plegen van strafbare feiten is veroordeeld, is het hof echter van oordeel dat in plaats van een vrijheidsbenemende straf een werkstraf in de vorm van een taakstraf van na te melden duur alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Redelijke termijn

Het hof constateert dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waar het betreft de termijn van inzending van de stukken van het geding na het instellen van het hoger beroep.

Gelet op de voortvarende afdoening van de strafzaak in hoger beroep ziet het hof echter geen reden aan deze overschrijding gevolgen te verbinden. Derhalve kan worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat geldbedrag van EUR 2.605,-, op de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen genummerd onder 1, zal worden teruggegeven aan de rechthebbende.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Onder de verdachte zijn 51 biljetten van EUR 50,-, één biljet van EUR 20,-, twee biljetten van EUR 10,- en drie biljetten van EUR 5,- in beslaggenomen.

Desgevraagd ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij de geldopnames van respectievelijk EUR 100,- en EUR 300,- verrichtte ter verkrijging van middelen voor vertier (dansen en eten). Op grond van zijn verklaring dat van het inbeslaggenomen geldbedrag een gedeelte groot EUR 320,- zijn eigendom is, zou echter moeten worden aangenomen dat verdachte bij het betreden van het casino reeds over middelen voor vertier beschikte tot een bedrag in de orde van grootte van het bedrag dat hij met het oog op vertier zou hebben opgenomen. Gegeven de inconsistentie in de verklaring van verdachte in zoverre en de omvang van de verrichte geldopnames, welke voor het daarmee beoogde vertier in beginsel toch toereikend zou kunnen zijn, acht het hof onaannemelijk dat verdachte bij binnenkomst in het casino reeds over EUR 320,- beschikte. Nu verdachte verder geen verklaring heeft gegeven voor zijn aanspraak op (een gedeelte van) het in beslag genomen geldbedrag noch enige plausibele verklaring voor de herkomst van het grootste gedeelte van het bij hem inbeslaggenomen geldbedrag, en het hof zich niet in staat acht om ter zake van dit geldbedrag of een gedeelte daarvan degene aan te wijzen die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, zal het hof met toepassing van het bepaalde in artikel 353, tweede lid, aanhef en onder c van het Wetboek van Strafvordering last geven tot bewaring van het inbeslaggenomen geldbedrag ten behoeve van de rechthebbende(n).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 310 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tevens tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gelast de bewaring van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven geldbedrag van EUR 2.605,- ten behoeve van de rechthebbende.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler,

mr. R.M. Bouritius en mr. T.E. van der Spoel, in bijzijn van de griffier mr. M. ter Riet.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 augustus 2011.

Mr. Van der Spoel is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.