Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR7122

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-07-2011
Datum publicatie
08-09-2011
Zaaknummer
22-000857-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. Het hof is echter van oordeel dat de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt. Het hof verklaart de verdachte niet strafbaar ter zake van het bewezen verklaarde en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging. Voorts verklaart het hof de benadeelde partij (slachtoffer) in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000857-10

Parketnummer: 09-410751-09

Datum uitspraak: 25 juli 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van

8 februari 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969, [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

11 juli 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis en met beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij als in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 maart 2009 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet [slachtoffer] in zijn kin heeft geknepen en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal (met zijn vuisten met kracht) op/tegen zijn mond en/of neus en/of o(o)g(en), althans zijn gezicht en/of het hoofd heeft gestompt/geslagen (terwijl hij, verdachte, die [slachtoffer] met zijn arm tegen een voertuig aangedrukt hield), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 maart 2009 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer]), heeft mishandeld door in zijn kin te knijpen en/of meermalen, althans eenmaal, (met zijn vuisten met kracht) tegen/op zijn mond en/of neus en/of o(o)g(en), althans zijn gezicht, en/of het hoofd te stompen/slaan (terwijl hij, verdachte, [slachtoffer] met zijn arm tegen een voertuig aangedrukt hield), waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Gelet op het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep acht het hof niet bewezen dat de verdachte opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 13 maart 2009 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer]), heeft mishandeld door meermalen met zijn vuisten met kracht tegen het hoofd te slaan terwijl hij, verdachte, die [slachtoffer] met zijn arm tegen een voertuig aangedrukt hield, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op:

Mishandeling.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitnotitie ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde bepleit dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer(exces).

Het hof gaat bij de beoordeling van het verweer uit van de volgende feiten en omstandigheden:

- tijdens werkzaamheden maakte de verdachte een grap die door zijn collega [slachtoffer] niet werd gewaardeerd;

- de verdachte sprak [slachtoffer] korte tijd later op diens reactie aan, waarbij hij vlak voor het gezicht van [slachtoffer] knipte met zijn vingers, waardoor die vingers tegen de kin van [slachtoffer] aankwamen, waarop deze reageerde met een elleboogstoot tegen het hoofd van de verdachte;

- de verdachte is hierop weggelopen en is in de bedrijfsbus gaan zitten om zijn baas over het voorval te bellen. Dat lukte hem niet omdat zijn handen te zeer trilden;

- toen [slachtoffer] met gebalde vuisten dreigend voor het door hem geopende portier van de bus ging staan, is de verdachte bij dat portier uitgestapt;

- [slachtoffer] pakte vervolgens verdachtes hand vast waarin deze zijn telefoon vasthield, waarop de verdachte hem verschillende malen vroeg die hand los te laten, hetgeen [slachtoffer] niet deed;

- de verdachte heeft [slachtoffer] toen tegen de bus gedrukt en hem verschillende vuistslagen op het hoofd gegeven.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf door het vastgrijpen van zijn hand, waaraan verdachte zich niet zonder meer kon onttrekken en waartegen verdachte zich dan ook mocht verdedigen. Het hof is evenwel van oordeel dat de verdachte door meerdere malen met zijn vuist tegen het hoofd van [slachtoffer] te slaan, de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Een beroep op noodweer kan dan ook niet slagen. In zoverre verwerpt het hof dan ook het verweer. Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het hof is echter wel van oordeel dat de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt, aangezien de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de (tweede) aanranding van verdachtes lijf, in de vorm van het niet loslaten van de hand en de spanning tussen beiden die vlak daarvoor ernstig was opgelopen.

De verdachte is derhalve ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde niet strafbaar en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en heeft K. als gemachtigde een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte primair en subsidiair tenlastegelegde, tot een bedrag van € 3970,51.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot een bedrag van € 2655,40.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 655,40, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte van het primair tenlastegelegde wordt vrijgesproken en ter zake van het subsidiair ten laste gelegde wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte niet strafbaar ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart de benadeelde partij (slachtoffer) in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler,

mr. C.J. van der Wilt en mr. P.H. Holthuis, in bijzijn van de griffier mr. M.M. Koers.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 juli 2011.