Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR7023

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-09-2011
Datum publicatie
08-09-2011
Zaaknummer
22-002299-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2010:BM1162, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ4485, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ4485
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen, verdachte heeft zijn rivaal van het leven beroofd door hem, op koelbloedige en brute wijze, op de openbare weg in het bijzijn van omstanders, meermalen in het lichaam en eenmaal in het hoofd te schieten met een vuurwapen. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren. Tevens legt het hof aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij, een bedrag te betalen van € 1.122,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002299-10

Parketnummers: 10-630195-09 en 10-702871-09

Datum uitspraak: 8 september 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 april 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

25 augustus 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder parketnummer 10-630195-09 primair en onder parketnummer 10-702871-09 onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vordering van de officier van justitie betreffende het beslag en de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander als nader omschreven in het vonnis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is bij een tweetal inleidende dagvaardingen -waarvan de feiten, nu de zaken in eerste aanleg zijn gevoegd, door het hof zijn doorgenummerd- ten laste gelegd dat:

1. primair:

hij op of omstreeks 30 juni 2009 te Rotterdam opzettelijk, met voorbedachten rade een persoon genaamd [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen één of meer kogels afgeschoten op het hoofd en het lichaam van [het slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [het slachtoffer] is overleden;

subsidiair:

hij op of omstreeks 30 juni 2009 te Rotterdam opzettelijk een persoon genaamd [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een vuurwapen één of meer kogels afgeschoten op het hoofd en het lichaam van die [het slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [het slachtoffer] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 29 juni 2009 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning/pand (gelegen aan [adres aangeefster]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door (met kracht) tegen die ruit van voornoemde woning te schoppen en/of te trappen;

3.

hij op of omstreeks 29 juni 2009 te Rotterdam wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning gelegen op of aan de [adres aangeefster] en in gebruik bij [aangeefster], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, immers

- heeft hij, verdachte, (met kracht) tegen een ruit van voornoemde woning geschopt en/of getrapt, en/of - is hij, verdachte,(vervolgens) via de (aldus) ontstane opening voornoemde woning binnengegaan;

4.

hij op of omstreeks 29 juni 2009 te Rotterdam opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [aangeefster]) (met kracht)) bij de keel/hals heeft vastgepakt en/of (vervolgens) (met kracht) in de keel/hals heeft geknepen, waardoor die [aangeefster] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5.

hij op of omstreeks 29 juni 2009 te Rotterdam [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [aangeefster] de woorden toegevoegd: "Ik maak je dood" en/of "Ik vermoord je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair:

hij op 30 juni 2009 te Rotterdam opzettelijk, met voorbedachten rade een persoon genaamd [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen kogels afgeschoten op het hoofd en het lichaam van die [het slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [het slachtoffer] is overleden;

2.

hij op 29 juni 2009 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning gelegen aan de [adres aangeefster], toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield door (met kracht) tegen die ruit van voornoemde woning te schoppen en/of te trappen;

3.

hij op 29 juni 2009 te Rotterdam wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning gelegen aan de [adres aangeefster] en in gebruik bij [aangeefster], immers

heeft hij, verdachte, (met kracht) tegen een ruit van voornoemde woning geschopt en/of getrapt, en is hij, verdachte, vervolgens via de aldus ontstane opening voornoemde woning binnengegaan;

4.

hij op 29 juni 2009 te Rotterdam opzettelijk mishandelend een persoon te weten [aangeefster] (met kracht) bij de keel heeft vastgepakt en vervolgens (met kracht) in de keel heeft geknepen, waardoor die [aangeefster] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5.

hij op of omstreeks 29 juni 2009 te Rotterdam [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [aangeefster] de woorden toegevoegd: "Ik maak je dood" en/of "Ik vermoord je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Verweren verdediging

De raadsvrouw heeft, op gronden als nader omschreven in haar overgelegde pleitnota, zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde, nu hij [het slachtoffer] niet opzettelijk, met voorbedachten rade, van het leven heeft beroofd. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde , nu de verdachte een beroep op (putatief) noodweer dan wel noodweerexces toekomt.

Het hof verwerpt voornoemde verweren van de raadsvrouw en overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof gaat er op grond van de verklaring van de getuige [aangeefster] (de ex-partner van de verdachte en de moeder van zijn kind) vanuit dat tussen de verdachte en het slachtoffer reeds in december 2008 een conflict is ontstaan, nadat de verdachte een ruit van de woning van [aangeefster] had vernield, omdat hij het slachtoffer uit de woning van [aangeefster] zag komen. [aangeefster] had haar relatie met de verdachte verbroken, tegen diens zin, en banden aangeknoopt met het slachtoffer. Een vergelijkbare woedeuitbarsting van de verdachte heeft zich voor de moord blijkens het onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde en de daarbij behorende bewijsmiddelen voorgedaan toen de verdachte de toegang tot de woning van de ex-partner werd geweigerd en hij erachter kwam dat onder andere het slachtoffer zich in de woning bevond.

Diezelfde dag heeft het slachtoffer de verdachte vervolgens met een pistool op het hoofd geslagen naar aanleiding van het incident bij [aangeefster]. De verdachte was vervolgens voornemens deze daad te vereffenen zo blijkt onder meer uit de verklaring van de getuige [naam getuige], die de verdachte na dit incident meerdere malen heeft horen zeggen: “[het slachtoffer] is de lul”.

Verdachte heeft vervolgens horecagelegenheden bezocht en zich daarbij op enig moment voorzien van een geladen vuurwapen. De tweede horecagelegenheid die hij bezocht was [naam shoarmazaak], een plek ten aanzien waarvan de verdachte zich blijkens zijn verhoor van 16 juli 2009 (p. 444 van het dossier) wel realiseerde dat het slachtoffer zich daarbij in de buurt zou kunnen bevinden. In deze shoarmazaak neemt de verdachte alleen plaats aan een tafel die goed zicht biedt op hetgeen zich buiten afspeelt.

Toen de verdachte de auto met daarin onder meer het slachtoffer zag komen aanrijden, is de verdachte volgens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep direct opgestaan en naar buiten gelopen. Tijdens het lopen heeft hij zijn wapen doorgeladen. Toen de auto (definitief) stilstond voor [naam shoarmazaak] en hij het slachtoffer achter de auto vandaan zag komen, heeft hij direct daarna (tweemaal) in het lichaam van het slachtoffer geschoten. Vervolgens heeft de verdachte het inmiddels liggende slachtoffer viermaal in het lichaam geschoten en daarna eenmaal in het hoofd, waarna de verdachte is weggelopen.

Het hof leidt uit de hier geschetste feiten en omstandigheden af dat de verdachte, vervuld van jaloezie en wraakzucht jegens het slachtoffer, bewapend de straat op is gegaan en uiteindelijk is neergestreken op een plek waar hij zich kon concentreren op een eventuele confrontatie met het slachtoffer. Toen zijn rivaal daar uit de auto stapte, heeft hij onmiddellijk gehandeld en deze niet alleen uitgeschakeld door hem met enkele kogel neer te schieten, maar deze ook ‘afgemaakt’ door het liggende slachtoffer met kogels in het lichaam te treffen, alvorens hem op koelbloedige wijze met een kogel door het hoofd definitief van het leven te beroven. Het hof leidt uit deze handelwijze af dat de verdachte dit opzettelijk en met voorbedachten rade heeft gedaan.

Dat de verdachte met een dergelijke intentie en vanuit het geschetste motief heeft gehandeld leidt het hof bovendien af uit diverse tapgesprekken waaraan de verdachte na het schietincident heeft deelgenomen, alsmede de verklaring van de getuige [aangeefster] die aangeeft dat de verdachte haar vlak na de schietpartij belt en zegt: “Dit is wat je zocht. Ik heb hem vermoord om die klote ding die je hun gisteren hebt laten doen”.

Het hof overweegt dat in het voorgaande ligt besloten dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte heeft geschoten, nadat het slachoffer een vuurwapen trok, dan wel dat de verdachte heeft gehandeld in de veronderstelling dat dit het geval was. Het hof verwerpt dan ook het beroep op (putatief) noodweer(exces).

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde dan wel de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Zowel het bewezenverklaarde als de verdachte is derhalve strafbaar.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

moord;

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;

het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling;

het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zijn rivaal van het leven beroofd door hem, op koelbloedige en brute wijze, op de openbare weg in het bijzijn van omstanders, meermalen in het lichaam en eenmaal in het hoofd te schieten met een vuurwapen.

Door het handelen van verdachte is aan het slachtoffer het kostbaarste dat een mens bezit, het leven ontnomen en is onherstelbaar leed aan zijn nabestaanden toegebracht. Een feit als het onderhavige draagt ook een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer gevoelens van verbijstering, angst en onveiligheid teweeg.

Voorts heeft de verdachte als opmaat naar dit levensdelict een ruit in de woning van zijn ex-partner vernield, omdat hij boos was dat hem de toegang werd geweigerd, terwijl zijn rivaal wel binnen verbleef. Nadat hij wederrechtelijk in de woning was binnengedrongen, heeft hij haar mishandeld en bedreigd. De verdachte heeft hiermee niet alleen laten zien geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen, maar hij heeft ook de persoonlijke en lichamelijke integriteit van zijn ex-partner aangetast.

Het hof heeft in het voordeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 augustus 2011, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft de moeder van het slachtoffer [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 17.916,85.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit ter terechtzitting in hoger beroep gehandhaafde bedrag van

€ 17.916,85.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.122,-, te weten voor wat betreft de kosten van de grafsteen en het T-shirt, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering is door en namens de verdachte betwist. Subsidiair heeft de verdediging zich voor wat betreft de kosten van de grafsteen en het T-shirt gerefereerd aan het oordeel van het hof en de vordering voor het overige betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 1.122,- materiële schade is geleden, te weten voor wat betreft de kosten van de grafsteen en het T-shirt. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op € 200,-, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 1.122,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij].

Vordering tot schadevergoeding [aangeefster]

In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 2.000,-.

In hoger beroep is deze vordering niet aan de orde nu [aangeefster] in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering en zij zich in hoger beroep niet opnieuw als benadeelde partij heeft gevoegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 57, 138, 285, 289, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [naam]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [naam] terzake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 1.122,00 (duizend honderdtweeëntwintig euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 200,00 (tweehonderd euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij], een bedrag te betalen van € 1.122,00 (duizend honderdtweeëntwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 (eenentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels,

mr. M.J.J. van den Honert en mr. C.J. van der Wilt, in bijzijn van de griffier mr. J.J. Prins.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 september 2011.