Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR6862

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-06-2011
Datum publicatie
06-09-2011
Zaaknummer
22-004036-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte wegens meerdere pogingen tot doodslag tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren.

De verdachte heeft zich op bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een tweevoudige poging tot doodslag, waarbij het slachtoffer [aangever 2] in de onderbuik is gestoken en het slachtoffer [aangever 1] in verscheidene lichaamsdelen – waaronder het hoofd en de hals – is gestoken. Dat beide slachtoffers niet zijn komen te overlijden is geenszins te danken aan de verdachte. De slachtoffers hebben allebei aan het incident blijvende, ontsierende littekens – en in het geval van slachtoffer [aangever 1] zelfs blijvend letsel aan het linkeroog - overgehouden. Voorts heeft [aangever 2] nog steeds ernstig lichamelijk ongemak door het door verdachte toegebrachte letsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004036-10

Parketnummer: 10-661002-10

Datum uitspraak: 23 juni 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 juli 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Kaapverdië) op [geboortedag] 1975,

thans gedetineerd in de Penitiaire Inrichting Utrecht - HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 9 juni 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair, impliciet primair en onder 2 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 03 januari 2010 te Rotterdam ter uitvoering van het door hem, verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk een persoon genaamd [aangever 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, die [aangever 1] meermalen, althans éénmaal, (telkens) (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gestoken/gesneden

- in/op het (achter)hoofd en/of in de hals/nek en/of

- in de (linker)zij en/of in het/een (linker)been en/of

- in de (rechter)hand,

- althans in het lichaam,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 03 januari 2010 te Rotterdam aan een persoon genaamd [aangever 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (één of meer blijvend(e) litteken(s) op/aan het hoofd en/of lichaam (als gevolg van één of meerdere steek- en/of snijwonden in/aan hoofd en/of lichaam), heeft toegebracht, door deze [aangever 1] opzettelijk meermalen, althans éénmaal, (telkens) (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp te steken en/of te snijden

- in/op het (achter)hoofd en/of in de hals/nek en/of

- in de (linker)zij en/of het/een (linker)been en/of

- in de (rechter)hand,

- althans in het lichaam;

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 03 januari 2010 te Rotterdam ter uitvoering van het door hem, verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [aangever 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [aangever 1] meermalen, althans éénmaal, (telkens) (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gestoken/gesneden

- in/op het (achter)hoofd en/of in de hals/nek en/of

- in de (linker)zij en/of in het/een (linker)been en/of

- in de (rechter)hand,

- althans in het lichaam,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 03 januari 2010 te Rotterdam ter uitvoering van het door hem, verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [aangever 2] van het leven te beroven, met dat opzet, die [aangever 2] meermalen, althans éénmaal, (telkens) (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gestoken/gesneden in de buik/maag, althans het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 03 januari 2010 te Rotterdam aan een persoon genaamd [aangever 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (één of meer steek/snijwonden aan/op/in het lichaam en/of ingekorte darmen), heeft toegebracht, door deze [aangever 2] opzettelijk meermalen, althans éénmaal, (telkens) (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de maag/buik en/of een duim, althans in het lichaam te steken en/of te snijden;

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 03 januari 2010 te Rotterdam ter uitvoering van het door hem, verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [aangever 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [aangever 2] meermalen, althans éénmaal, (telkens) (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gestoken/gesneden in de buik/maag en/of een duim, althans het lichaam,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, impliciet subsidiair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 03 januari 2010 te Rotterdam ter uitvoering van het door hem, verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [aangever 1] van het leven te beroven, met dat opzet, die [aangever 1] meermalen, telkens met kracht met een mes, heeft gestoken/gesneden

- in het achterhoofd en in de hals en

- in de linkerzij en in het linkerbeen en

- in de rechterhand,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 03 januari 2010 te Rotterdam ter uitvoering van het door hem, verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [aangever 2] van het leven te beroven, met dat opzet, die [aangever 2] éénmaal, met kracht met een mes, heeft gestoken in de buik, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Vrijspraak

Het hof is anders dan de rechtbank en het openbaar ministerie van oordeel dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is komen vast te staan en derhalve niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad om kalm en rustig na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Het enkele feit dat de verdachte - na tussenkomst van [aangever 2] - nogmaals op de weerloos op de grond liggende [aangever 1] heeft ingestoken, acht het hof onvoldoende om uit te sluiten dat de verdachte die handelingen in een gemoedsopwelling heeft verricht. Het hof zal de verdachte dan ook van de onder 1 primair, impliciet primair tenlastegelegde voorbedachte raad - en derhalve van de poging tot moord - vrijspreken.

Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte het verweer gevoerd dat er ten aanzien van beide slachtoffers geen sprake is geweest van letsel dat tot de dood van één van die slachtoffers had kunnen leiden, doch slechts van zwaar lichamelijk letsel en de verdachte derhalve van het onder 1 primair en van het onder 2 primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Met betrekking tot het door de slachtoffers opgelopen letsel als gevolg van het bewezenverklaarde bevat het dossier -voor zover relevant- onder meer het navolgende:

- een formulier medische informatie/letselbeschrijving d.d. 26 februari 2010 waarop als bevinding ten aanzien van slachtoffer [aangever 2] op die datum door forensisch arts L.C. Los onder meer is vermeld:

'In de buik links is een steekwond te zien waarbij de darmen naar buiten komen. Patiënt werd geopereerd waarbij twee wonden aan de dunne darm werden gevonden, een deel van de dunne darm werd verwijderd en de uiteinden werden aan elkaar gehecht. Steekverwonding in de buik kan veel ernstiger letsel opleveren. Genezingsduur circa twee tot 3 weken, blijvende littekens.'

- een formulier medische informatie/letselbeschrijving d.d. 26 februari 2010 waarop als bevinding ten aanzien van slachtoffer [aangever 1] op die datum door forensisch arts L.C. Los onder meer is vermeld:

'Meerdere steekwonden: achterhoofd circa 3 cm en 5 cm doorsnede, links in de hals 2 cm doorsneden, links in de flank ter hoogte van het middenrif 6 cm tot in de onderhuid, linkerknie 6 cm doorsnede tot in de onderhuid en aan de rechterduim, 2 cm doorsnede tot in de onderhuid. Patiënt werd direct geopereerd, er werd inwendig letsel aan het middenrif gevonden, dit werd gehecht, tevens was er een kleine verwonding aan de maag, deze werd eveneens gehecht. Steekletsel in de hals en in de buik of borstkas kan ernstig letsel opleveren. Genezingsduur circa 3-4 weken, blijvende littekens.'

- de verklaring van [aangever 1] als afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 10 juni 2010:

'Als gevolg van de steekpartij heb ik veel blijvende littekens. Als ik mijn elleboog stoot dan voel ik de elektrische schok van mijn nek tot mijn linkerschouder. Op dit moment heb ik een medische eindtoestand. Ik heb het zogenaamde Syndroom van Hoorn opgelopen. Dit houdt in een verzakking van de linker oogspier en een verkleining van de linker oogpupil. Dit syndroom is het gevolg van de steek in mijn hals.'

- een e-mailbericht van het bureau slachtofferhulp namens [aangever 2] aan het openbaar ministerie d.d. 1 juni 2011:

'Zijn ontlasting is door de beschadigde darmen nog altijd heel wisselend. Van zijn huisarts heeft hij hiervoor een verwijsbrief gekregen.'

Op basis van het vorenstaande stelt het hof vast dat beide slachtoffer tengevolge van het handelen van de verdachte zeer ernstig letsel hebben opgelopen, onder andere in de buurt van en in vitale lichaamsdelen.

Tevens is gebleken dat medisch ingrijpen in de vorm van een operatie door een chirurg nodig is geweest. Door op deze wijze op de twee slachtoffers in te steken hadden vitale lichaamsdelen ook op (nog) meer ernstige wijze geraakt kunnen worden en het is een feit van algemene bekendheid dat de kans op dood van het slachtoffer dan aanmerkelijk is. Derhalve is het hof van oordeel dat het door de slachtoffers opgelopen letsel moet worden gekwalificeerd als potentieel dodelijk letsel. Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair, impliciet subsidiair en onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

Poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Noodweer(exces)

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte het verweer gevoerd dat de verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Ter adstructie van dit verweer heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte eerst door [aangever 1] is aangevallen en dat deze [aangever 1] en diens vrienden, waaronder [aangever 2], tevens de doorgang van de verdachte hebben belemmerd als gevolg waarvan de verdachte in een dusdanig bedreigende situatie terecht is gekomen waardoor hij zich genoodzaakt zag om zichzelf te verdedigen. De verdachte dient derhalve van alle rechtsvervolging ontslagen dient te worden, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat verdachte zonder enige aanleiding [aangever 1] in het achterhoofd heeft gestoken en vervolgens in de hals, zij en rechterhand. Daarop heeft [aangever 2] geprobeerd tussenbeide te komen. Verdachte heeft toen [aangever 2] in zijn buik gestoken en heeft verder ingestoken op [aangever 1]. Het hof baseert zich hiervoor op de verklaringen van de aangevers en de getuige [getuige A].

Voor het alternatieve door de verdachte geschetste scenario heeft het hof geen steun gevonden in het dossier of het verhandelde ter terechtzitting anders dan de verklaring van verdachte.

Het hof acht de door de verdediging geschetste gang van zaken niet aannemelijk geworden gelet op de hierboven vermelde verklaringen van de aangevers en de getuige die er heel dichtbij stond en de omstandigheid dat verdachte heeft aangegeven dat eerder die avond in de discotheek tussen [aangever 2], [aangever 1] en verdachte een gesprek was geweest waarbij de strijdbijl tussen hen zou zijn begraven.

Derhalve is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat op het moment van het handelen van verdachte sprake is geweest van een ogenblikkelijke , wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich moest verdedigen. Nu het beroep op noodweer om die reden niet kan slagen, faalt ook het beroep op noodweerexces.

Het hof verwerpt het verweer.

Psychische overmacht

De raadsman heeft voorts bepleit dat de verdachte heeft gehandeld uit psychische overmacht. Hiertoe heeft de raadsman - kort gezegd - aangevoerd dat verdachtes handelen niet verwijtbaar is, nu verdachte een flashback kreeg naar hetgeen zich vier jaar eerder in een kelder van de [discotheek A] te Rotterdam zou hebben afgespeeld tussen verdachte en slachtoffer [aangever 1]. De verdachte dient derhalve van alle rechtsvervolging ontslagen dient te worden, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Van een geslaagd beroep op psychische overmacht is sprake, indien verdachte ten tijde van het plegen van het strafbare feit handelt onder een dermate psychische drang of druk dat hij daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon of behoorde te bieden.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof vast dat in de [discotheek A] te Rotterdam vier jaar geleden het tot een stevige ruzie is gekomen tussen verdachte en [aangever 1].

Het hof acht aannemelijk dat verdachte heeft gehandeld onder invloed van sterke emoties als gevolg van de slechte herinneringen die hij bewaarde aan het gebeuren in [discotheek A], maar niet dat hij daaraan redelijkerwijs geen weerstand had kunnen bieden en had behoren te bieden. Het hof komt mede tot het oordeel, nu verdachte zelf heeft verklaard eerder op de avond in een gesprek zand over het gebeuren in de [discotheek A] te hebben gedaan. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straf, met dien verstande dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, impliciet primair en onder 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een tweevoudige poging tot doodslag, waarbij het slachtoffer [aangever 2] in de onderbuik is gestoken en het slachtoffer [aangever 1] in verscheidene lichaamsdelen - waaronder het hoofd en de hals - is gestoken. Dat beide slachtoffers niet zijn komen te overlijden is geenszins te danken aan de verdachte. De slachtoffers hebben allebei aan het incident blijvende, ontsierende littekens - en in het geval van slachtoffer [aangever 1] zelfs blijvend letsel aan het linkeroog - overgehouden. Voorts heeft [aangever 2] nog steeds ernstig lichamelijk ongemak door het door verdachte toegebrachte letsel. Aldus heeft verdachte op een grove wijze inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Feiten als de onderhavige worden door slachtoffers in het algemeen als bedreigend en beangstigend ervaren, getuige ook de schriftelijke verklaringen die de slachtoffers in dezen hebben afgelegd. Daarnaast brengen dergelijke feiten bij aanwezige omstanders angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg, zeker nu het feit in het openbaar plaatsvond.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 mei 2011 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Voorts neemt het hof het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht in aanmerking.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het Pro Justitia rapport, opgemaakt door drs. B.W. Roelofs-van Bon, klinisch psychologe, van 26 februari 2010, alsmede op de inhoud van het Reclasseringsrapport van de Stichting Reclassering Nederland, van 6 april 2010 opgesteld door J.M. 't Hart.

Het hof neemt in het voordeel van de verdachte in aanmerking dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte het kwalijke van zijn handelen, zoals onder 1 primair, impliciet subsidiair en onder 2 primair bewezenverklaard, inziet en er spijt van heeft.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [aangever 1]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het van de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 7.359,87, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 6.809,87, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en tot niet- ontvankelijkheidverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair, impliciet subsidiair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve in zoverre worden toegewezen.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 6.809,87 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1].

Vordering tot schadevergoeding [aangever 2]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het van de verdachte onder 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 9.237,56, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 8.387,56, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en tot niet- ontvankelijkheidverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 primair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve in zoverre worden toegewezen.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 8.387,56 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, impliciet subsidiair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, impliciet subsidiair en onder 2 primair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [aangever 1] terzake van het onder 1 primair, impliciet primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.809,87 (zesduizend achthonderdnegen euro en zevenentachtig cent) bestaande uit € 1.309,87 (duizend driehonderdnegen euro en zevenentachtig cent) materiële schade en € 5.500,- (vijfduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever 1], een bedrag te betalen van € 6.809,87 (zesduizend achthonderdnegen euro en zevenentachtig cent) bestaande uit € 1.309,87 (duizend driehonderdnegen euro en zevenentachtig cent) materiële schade en € 5.500,- (vijfduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 64 (vierenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [aangever 2] terzake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 8.387,56 (achtduizend driehonderdzevenentachtig euro en zesenvijftig cent) bestaande uit € 3.387,56 (drieduizend driehonderdzevenentachtig euro en zesenvijftig cent) materiële schade en € 5.000,- (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever 2], een bedrag te betalen van € 8.387,56 (achtduizend driehonderdzevenentachtig euro en zesenvijftig cent) bestaande uit € 3.387,56 (drieduizend driehonderdzevenentachtig euro en zesenvijftig cent) materiële schade en € 5.000,- (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 71 (eenenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht, mr. T.E. van der Spoel en mr. M.I. Veldt-Foglia, in bijzijn van de griffier mr. R.W. van Zanten. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 juni 2011.

Mr. S.K. Welbedacht is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.