Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR6763

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-03-2011
Datum publicatie
06-09-2011
Zaaknummer
22-003095-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich in een periode van ruim twee jaren meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van buiten het grondgebied van Nederland brengen van aanzienlijke handelshoeveelheden amfetamine bevattend materiaal en aan de verkoop daarvan. Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een gasdrukwapen.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003095-10

Parketnummer: 12-700039-10

Datum uitspraak: 1 maart 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg van 2 juni 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1959,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Zuid West - Huis van Bewaring De Torentijd te Middelburg.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 15 februari 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 10 februari 2010 te Westkapelle, gemeente Veere, en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, één of meer (handels)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, en/of 3,4-methyleen-dioxyethylamfetamine (MDEA), en/of 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA), en/of tenamfetamine (MDA), zijnde amfetamine, en/of 3,4-methyleendioxyethylamfetamine (MDEA), en/of 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA), en/of tenamfetamine (MDA) (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk (een) hoeveelhe(i)d(en) van 1 tot 2 kilo, in elk geval één of meer (handels)hoeveelhe(i)d(en)) van één of meer van bovengenoemd(e) middel(en) verkocht/overgedragen aan één of meer perso(o)n(en), afkomstig uit en/of woonachtig in België;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 10 februari 2010 te Westkapelle, gemeente Veere, en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft één of meer (handels)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, en/of 3,4-methyleen-dioxyethylamfetamine (MDEA), en/of 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA), en/of tenamfetamine (MDA), zijnde amfetamine, en/of 3,4-methyleendioxyethylamfetamine (MDEA), en/of 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA), en/of tenamfetamine (MDA) (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 3 februari 2010 te Westkapelle, gemeente Veere, een wapen van categorie I onder 7°, te weten een gasdrukwapen (merk El Gamo, model R-77 Combat), zijnde (een) voorwerp(en) vermeld op lijst a of lijst b van de bij de Regeling Wapens en Munitie behorende bijlage I, voorhanden heeft gehad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 10 februari 2010 te Westkapelle, gemeente Veere, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, handelshoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders telkens opzettelijk handelshoeveelheden van bovengenoemd middel verkocht aan personen, afkomstig uit en/of woonachtig in België;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 10 februari 2010 te Westkapelle, gemeente Veere, telkens opzettelijk heeft verkocht handelshoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op 3 februari 2010 te Westkapelle, gemeente Veere, een wapen van categorie I onder 7°, te weten een gasdrukwapen (merk El Gamo, model R-77 Combat), zijnde een voorwerp vermeld op lijst a of lijst b van de bij de Regeling Wapens en Munitie behorende bijlage I, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen

(Voorwaardelijk) opzet op de export van amfetamine bevattend materiaal

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu de verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de uitvoer van de amfetaminen naar België. Daartoe heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat enkel uit het verstrekken van hoeveelheden amfetamine bevattend materiaal aan personen die mogelijk in België wonen, niet kan worden vastgesteld dat die hoeveelheden ook daadwerkelijk naar België zijn geëxporteerd en dat de verdachte daarvan ook wetenschap had, althans bewust de aanmerkelijke kans op de export van de amfetamine had aanvaard.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt - verkort en zakelijk weergegeven - het navolgende.

Op 24 januari 2010 vindt een gecontroleerde doorlevering plaats van amfetamine door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Geobserveerd wordt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in een Mini Cooper met naar het hof begrijpt een Belgisch kenteken vanuit België vertrekken naar Nederland, alwaar zij vervolgens de woning aan [adres A] te Westkapelle binnengaan. Nadat zij de woning verlaten hebben, wordt hun vertrek richting België geobserveerd. Beiden worden tenslotte aangehouden op Belgisch grondgebied. Tijdens hun verhoren verklaren zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] aangaande deze reis dat zij op 24 januari 2010 in Westkapelle amfetamine hadden gekocht van een daar woonachtige '[verdachte]', en dat zij dit reeds meerdere malen eerder hadden gedaan.

Zowel de verdachte als [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hebben verklaard, dat zij elkaar in 2007 in België hebben ontmoet en dat de verdachte bij die gelegenheid het Belgische telefoonnummer van [medeverdachte 3] had gekregen. De verdachte sprak zelf over zijn 'Vlaamse kennissen' [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3]. De verdachte had op 18 januari 2010 ge-sms't met [medeverdachte 1], waarin deze laatste aangaf dat zij zou vertrekken vanuit Gent.

Naar eigen zeggen heeft de verdachte hoeveelheden van een halve kilo tot één kilo amfetamine bevattend materiaal per keer aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] verkocht.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte heeft geweten dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in België woonachtig waren en dat hij door aan hen in Nederland handelshoeveelheden amfetamine bevattend materiaal te verkopen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat die hoeveelheden door hen vanuit Nederland naar Belgisch grondgebied zouden worden gebracht.

Hoeveelheden amfetamine bevattend materiaal

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van het bewijs van de verkochte hoeveelheden amfetamine bevattend materiaal op het standpunt gesteld dat de diverse getuigenverklaringen in het dossier, meer in het bijzonder die van de getuigen [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4], niet op voorhand als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat het uitvoerig verklaren in strafzaken in België regelmatig wordt beloond met een voorwaardelijke invrijheidstelling. Daarnaast heeft de raadsman gesteld dat verklaringen van [medeverdachte 3] vermoedelijk zijn beïnvloed door rancune jegens de verdachte, aangezien [medeverdachte 3] vermoedde dat de verdachte relationele toenaderingspogingen tot [medeverdachte 3]s toenmalige vriendin [medeverdachte 1] had ondernomen. De raadsman heeft daarom betoogd dat het hof uit zou dienen te gaan van de hoeveelheden amfetamine bevattend materiaal, zoals verklaard door de verdachte.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op basis van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat voornoemde getuigen bij het afleggen van hun respectievelijke verklaringen op zodanige wijze zijn beïnvloed door de Belgische opsporingsautoriteiten, dat hun verklaringen onbetrouwbaar geacht moeten worden. Ook overigens zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die nopen tot de conclusie dat de getuigen anders dan uit zichzelf, onomwonden en zonder voorbehoud hebben verklaard over de hoeveelheden amfetamine bevattend materiaal, die door de verdachte aan hen zijn verkocht. Voorts zijn er uit het onderzoek ter terechtzitting naar 's hofs oordeel geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is, dat verklaringen van [medeverdachte 3] zijn ingegeven door gevoelens van rancune jegens de verdachte.

Het hof acht de door de verdediging betwiste verklaringen dan ook voldoende betrouwbaar om voor het bewijs van verhandelde hoeveelheden amfetamine bevattend materiaal te bezigen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, is naar het oordeel van het hof ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten 1 en 2 van een situatie als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht geen sprake nu bedoelde feiten ieder een andere strekking van de strafbaarstelling hebben. De strafbaarstelling van het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder A van de Opiumwet is de uitvoer naar het buitenland van middelen die voorkomen op lijst 1 van de Opiumwet tegen te gaan terwijl de strafbaarstelling van het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder B van de Opiumwet is - kort gezegd - het verspreiden van die middelen binnen Nederland tegen te gaan.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met aanvulling van gronden.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in een periode van ruim twee jaren meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van buiten het grondgebied van Nederland brengen van aanzienlijke handelshoeveelheden amfetamine bevattend materiaal en aan de verkoop daarvan. Dergelijk handelen draagt in aanzienlijke mate bij aan de handel en het gebruik van verdovende middelen. Daardoor wordt de volksgezondheid bedreigd en wordt bevorderd dat gebruikers vermogensdelicten plegen teneinde de voor de aanschaf benodigde gelden te verkrijgen. Dit veroorzaakt veel schade en onrust in de samenleving.

Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een gasdrukwapen. Het voorhanden hebben van een dergelijk wapen moet worden bestraft omdat het kan verwonden en met name omdat het, mede vanwege de levensechtheid, geschikt is voor afdreiging of bedreiging met onaanvaardbaar risico voor geweldsescalatie.

Gelet op de duur van de periode waarin de verdachte zich heeft beziggehouden met de uitvoer en verkoop van de amfetaminen alsmede gelet op de aanzienlijke hoeveelheden die zijn uitgevoerd en verhandeld, is het hof van oordeel dat de door de raadsman voorgestelde deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest, in combinatie met een werkstraf voor de duur van 240 uur, geen recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. De ernst van die feiten rechtvaardigt zonder meer het opleggen van een gevangenisstraf van na te melden duur. Daarbij heeft het hof ook rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk misdrijf en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries, mr. A.M.P. Gaakeer en mr. T.J.P. van Os van den Abeelen, in bijzijn van de griffier mr. N.R. Achterberg. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 maart 2011.