Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR6675

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-09-2011
Datum publicatie
05-09-2011
Zaaknummer
22-000400-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof in Den Haag heeft op 2 september 2011 in hoger beroep 2 mannen uit Rotterdam veroordeeld voor het overvallen van een oudere man in zijn woning in Rotterdam op 18 maart 2010. De verdachten deden zich voor als medewerkers van het waterleidingbedrijf die de meterstand kwamen opnemen. Eenmaal binnen sleurden de verdachten het slachtoffer naar zijn bed, bonden hem vast en sloegen op zijn hoofd. Het slachtoffer is hierdoor kort bewusteloos geraakt. Bij de overval is contant geld meegenomen.

De rechtbank in Rotterdam heeft gevangenisstraffen opgelegd van 4 jaar waarvan 6 maanden, respectievelijk 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Dit was overeenkomstig de eis van de officier van justitie. In hoger beroep heeft de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie tegen beide verdachten 6 jaar gevangenisstraf geëist zonder enig voorwaardelijk deel. De advocaten hebben vrijspraak dan wel een lagere straf bepleit.

Het gerechtshof in Den Haag heeft de feiten bewezen geacht en dezelfde straffen als de rechtbank opgelegd. Het hof heeft daarbij aan de ene kant de grote ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer afgewogen en aan de andere kant de persoonlijke omstandigheden van de daders die nog niet eerder dit soort feiten hadden gepleegd. Om te bevorderen dat de verdachten niet opnieuw dit soort feiten plegen, is een deel van de straf voorwaardelijk opgelegd. Mochten de verdachten binnen de proeftijd opnieuw de fout ingaan, dan kunnen zij naast de straf voor het nieuwe feit ook de voorwaardelijke straf opgelegd krijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000400-11

Parketnummer: 10-661129-10

Datum uitspraak: 2 september 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 januari 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag],

thans gedetineerd in PI Rijnmond, De Schie, R'dam te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

19 augustus 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader in het vonnis waarvan beroep vermeld.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 18 maart 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [straat], heeft weggenomen tienduizend (10.000) euro, althans een aanzienlijk geldbedrag en/of een horloge, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het - plakken van tape/plakband over de mond van die [slachtoffer] en/of

- (krachtig) beetpakken van die [slachtoffer] en/of

- meeslepen/-sleuren van die [slachtoffer] en/of

- op een bed duwen van die [slachtoffer] en/of

- naar beneden duwen van het hoofd van die [slachtoffer] en/of

- meermalen, althans éénmaal, slaan en/of stompen op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] en/of

- met tape vastbinden van de armen en/of polsen en/of benen van die [slachtoffer] en/of

- plaatsen van een deken over het hoofd van die [slachtoffer] en/of

- herhaaldelijk dringend aan die [slachtoffer] vragen om geld en/of

- die [slachtoffer] toevoegen de woorden "Doe rustig, we willen alleen je geld", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- meermalen, althans éénmaal, slaan met een vaas, althans een hard voorwerp, op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] waarna die [slachtoffer] het bewustzijn is verloren;

2. hij op of omstreeks 18 maart 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet

- de mond van die [slachtoffer] met tape/plakband afgeplakt en/of

- die [slachtoffer] (krachtig) beetgepakt en/of

- die [slachtoffer] meegesleept/-gesleurd en/of

- die [slachtoffer] op een bed geduwd en/of

- de armen en/of polsen en/of benen van die [slachtoffer] met tape vastgebonden en/of

- een deken over het hoofd van die [slachtoffer] geplaatst en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] vastgebonden achtergelaten.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij op 18 maart 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een woning gelegen aan de [straat], heeft weggenomen ongeveer tienduizend (10.000) euro en een horloge toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld bestond uit het - plakken van tape/plakband over de mond van die [slachtoffer] en

- (krachtig) beetpakken van die [slachtoffer] en

- meeslepen/-sleuren van die [slachtoffer] en

- op een bed duwen van die [slachtoffer] en

- naar beneden duwen van het hoofd van die [slachtoffer] en

- meermalen slaan en stompen op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] en

- met tape vastbinden van de armen en polsen en benen van die [slachtoffer] en

- plaatsen van een deken over het hoofd van die [slachtoffer] en

- meermalen slaan met een vaas op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] waarna die [slachtoffer] het bewustzijn is verloren;

2. hij op 18 maart 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, immers heeft hij verdachte en zijn mededader met dat opzet

- de mond van die [slachtoffer] met tape/plakband afgeplakt en

- die [slachtoffer] (krachtig) beetgepakt en

- die [slachtoffer] meegesleept/-gesleurd en

- die [slachtoffer] op een bed geduwd en

- de armen en polsen en benen van die [slachtoffer] met tape vastgebonden en

- een deken over het hoofd van die [slachtoffer] geplaatst en

- vervolgens die [slachtoffer] vastgebonden achtergelaten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft, overeenkomstig zijn ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnotities, betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten, nu de verdediging niet de mogelijkheid heeft gehad om de voor de verdachte belastende verklaringen van [medeverdachte] te toetsen, zodat bewijsuitsluiting moet volgen, deze verklaringen bovendien niet betrouwbaar zijn, en het eventuele gebruik ervan in strijd is met het bewijsminimum.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Anders dan de verdediging, en met de rechtbank, is het hof van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte] waarin hij de verdachte belast niet behoeven te worden uitgesloten voor het bewijs, aangezien het enkele feit dat [medeverdachte] zich als getuige in de zaak tegen verdachte meermalen op zijn verschoningsrecht heeft beroepen niet meebrengt dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om de genoemde verklaringen op betrouwbaarheid te toetsen.

Voorts acht het hof de verklaringen van [medeverdachte] wel degelijk betrouwbaar, gelet op het volgende. Na aanvankelijk te hebben ontkend iets met de overval op [slachtoffer] in zijn woning aan de [straat] te Rotterdam te maken te hebben gehad, bekent medeverdachte [medeverdachte] op 24 april 2010 - nadat hij door de politie wordt geconfronteerd met de verklaring van [getuige], de historische gegevens van zijn telefoon, afgeluisterde telefoongesprekken en zendmastgegevens van zijn telefoon - betrokken te zijn geweest bij genoemde overval. Zowel op 24 als 25 april 2010 verklaart [medeverdachte] tegenover de politie gedetailleerd over de overval en dat hij deze samen met de verdachte heeft gepleegd.

De bekennende verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] stroken voor wat betreft het verloop van de overval op belangrijke punten met de aangifte van A. [slachtoffer]. Voorts vinden de verklaringen van [medeverdachte] steun in de bij de politie afgelegde verklaringen van Ronald van Oeveren, de zendmastgegevens van het telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte] en de camerabeelden van Vialis Verkeer en Mobiliteit.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 april 2010 (p. 104-106) blijkt uit het historisch overzicht van het telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte] dat het telefoonnummer bij telefonisch contact op 18 maart 2010 om 12.26 uur en om 13.06 en 13.08 uur de zendmast op de Goudsesingel te Rotterdam aanstraalt. Dit is ongeveer 500 meter van de plaats delict en de genoemde tijdstippen zijn rond het tijdstip van de overval. Gelet op de camerabeelden van 18 maart 2010 afkomstig van de camera van het portiek van de flat waar het slachtoffer woonachtig is, zijn de daders om 12.33 uur gearriveerd bij de flat en hebben zij deze om 13.03 uur weer verlaten. Vervolgens straalt het telefoonnummer bij telefonisch contact om 13.11 uur de zendmast aan op de Blaak te Rotterdam.

De medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij en de verdachte in de auto van de verdachte dan wel de auto van diens moeder, een Rover, naar de [straat] zijn gereden en dat zij na de overval naar Bleiswijk zijn gereden alwaar zij de overalls hebben weggegooid. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 mei 2010 (p. 193-195) heeft de moeder van de verdachte een personenauto merk Rover op haar naam staan. Deze auto is op 18 maart 2010 om 13.11 uur gesignaleerd op het Weena te Rotterdam en om 13.23 uur op de Doenkade/N209 te Rotterdam.

Het is een feit van algemene bekendheid dat laatstgenoemde weg, komend vanuit Rotterdam, in de richting van Bleiswijk loopt.

Wat betreft de door de raadsman gestelde discrepantie tussen de gegevens van Vialis en de gegevens inzake de aangestraalde zendmasten op, naar het hof begrijpt, het tijdstip 13.11 uur wijst het hof erop dat het een feit van algemene bekendheid is dat bij grote drukte een aanstralende telefoon wordt doorgeschakeld naar een nabijgelegen zendmast met minder drukte. De afstand tussen het Weena en de Blaak te Rotterdam is zodanig gering dat dit zeer wel tot de mogelijkheden behoort.

Gelet op het voorgaande gaat het hof evenmin mee in het betoog van de verdediging dat het gebruik van de verklaringen van [medeverdachte] in strijd zou zijn met het bewijsminimum. Immers, die verklaringen vinden, zoals hierboven uiteengezet, steun in andere bewijsmiddelen, zodat de wettelijke eisen rondom het bewijsminimum niet worden geschonden.

Met betrekking tot de algehele waardering van het bewijs merkt het hof voorts nog op dat het hof van oordeel is dat de ter terechtzitting getoonde camerabeelden die in het portiek van de woning van het slachtoffer op 18 maart 2010 zijn gemaakt niet uitsluiten dat de verdachte degene is geweest die tezamen met de medeverdachte [medeverdachte] op 18 maart 2010 om 12.33 uur het trappenhuis van de flat waar het slachtoffer woonachtig is, betreedt en dit na enige tijd weer verlaat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de in het vonnis waarvan beroep vermelde opgelegde straf en ten dien aanzien opnieuw rechtdoende, dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich met een ander schuldig gemaakt aan een overval in een woning en aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van de bewoner. De verdachte en zijn mededader zijn bij een hoogbejaarde man, onder valse voorwendselen, de woning binnengedrongen en hebben aldaar voor hem een zeer angstaanjagende situatie gecreëerd. Ze hebben de man vastgebonden en geweld tegen hem gebruikt en zijn er met een grote som geld en een horloge vandoor gegaan, terwijl zij hem vastgebonden, bloedend en in bewusteloze toestand hebben achtergelaten.

Aldus heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de bewegingsvrijheid en het psychische en lichamelijke welbevinden van het slachtoffer, waarbij hij ervan blijk heeft gegeven geen respect te hebben voor de persoonlijke eigendommen van anderen en zijn eigen gewin boven de belangen van anderen gesteld.

Te verwachten valt dat het slachtoffer nog geruime tijd zal lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen de verdachte en zijn mededader hem hebben aangedaan. Dit klemt te meer nu - zoals in het onderhavige geval - het feit is gepleegd in de woning van het slachtoffer, een plaats waar iemand zich juist veilig zou moeten voelen. Daarnaast brengen feiten zoals de onderhavige bij de burgers in het algemeen sterke angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

In het voordeel van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 augustus 2011, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van enig strafbaar feit.

Het hof is - alles overwegende en uit het oogpunt van speciale preventie - van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde deels voorwaardelijke gevangenisstraf een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 13.141,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan der schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 2.500,00.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve volledig worden toegewezen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 13.141,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 47, 57, 282, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [slachtoffer] terzake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 13.141,00 (dertienduizend honderdéénenveertig euro) bestaande uit € 10.641,00 (tienduizendzeshonderdéénenveertig euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 13.141,00 (dertienduizend honderdéénenveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door mr. T.W.H.E. Schmitz, mr. C.J. van der Wilt en mr. W.J. van Boven, in bijzijn van de griffier mr. P. Melis.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 september 2011.