Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR6089

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-08-2011
Datum publicatie
29-08-2011
Zaaknummer
200.079.376-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

verzet tegen dwangbevel tot voldoening griffierecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.079.376/01

beschikking d.d. 16 augustus 2011

inzake

1. [opposant sub 1],

wonende te Nieuwerbrug aan den Rijn,

2. Mr. Paul GARRETSEN,

kantoorhoudende te 's-Gravenhage,

opposanten,

hierna mede te noemen: [opposant sub 1] en Garretsen,

advocaat: mr. P. Garretsen,

tegen

de GRIFFIER van het gerechtshof te 's-Gravenhage,

gevestigd te 's-Gravenhage,

geopposeerde,

hierna te noemen: de griffier.

Het geding

Op 29 november 2010 is een verzetschrift bij de griffie van het gerechtshof te 's-Gravenhage binnengekomen, waarbij opposanten verzet doen tegen een dwangbevel d.d. 22 september 2010, dat op 29 oktober 2010 aan Garretsen in persoon is betekend.

De griffier heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is mondeling behandeld op 27 juni 2011. Daarbij waren [opposant sub 1] en Garretsen aanwezig. De griffier werd vertegenwoordigd door mr. drs. ing. J.H.L.M. de Dood.

Ter zitting hebben opposanten een vonnis van de Rechtbank 's-Gravenhage van 3 januari 2008, alsmede een beschikking van de rechter-commissaris in die rechtbank van 12 januari 2010 overgelegd.

Beoordeling

1.1 [opposant sub 1] met als advocaat Garretsen heeft J.A. Slotboom h.o.d.n. Transportbedrijf J.A. Slotboom in hoger beroep gedagvaard tegen de rol van dit hof van 30 juni 2009 en de zaak tegen deze rol aangebracht. De zaak heeft het zaaknummer 200.036.381/01 gekregen. Op 21 juli 2009 is voor deze zaak een griffierecht van € 5.795,- in rekening gebracht.

1.2 Bij faxbrief van 13 november 2009 heeft Garretsen bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het opgelegde griffierecht. In de brief wordt er ook op gewezen dat [opposant sub 1] officieel in staat van faillissement verkeert. In de brief wordt een beroep gedaan op artikel 18 Wtbz en gesteld dat [opposant sub 1] in aanmerking komt voor het laagste griffierecht dan wel een substantiële indebetstelling.

1.3 Naar aanleiding van deze fax heeft de griffier het griffierecht herberekend en nader vastgesteld op € 1.860,-. Op 9 december 2009 heeft de griffie aan Garretsen een nota gezonden van € 1.860,-, waarbij is vermeld dat dit bedrag uiterlijk 23 december 2009 op de bankrekening van het gerecht moet zijn bijgeschreven. Op 26 januari 2010, 9 februari 2010 en 23 februari 2010 zijn aan Garretsen aanmaningen gezonden.

1.4 Op een gegeven moment heeft Garretsen telefonisch contact gehad met de griffie in verband met zijn verzoek om indebetstelling. Bij brief van 30 juni 2010 heeft de griffier aan Garretsen meegedeeld dat hij artikel 18 Wtbz niet van toepassing acht voor [opposant sub 1] en dat hij het griffierecht handhaaft op € 1.860,-.

1.5 Op 22 september 2010 heeft de griffier tegen Garretsen een dwangbevel uitgevaardigd tot voldoening van € 1.860,-, vermeerderd met alle aan de invordering verbonden kosten, waaronder de kosten van betekening van het dwangbevel en het honorarium van degene die met de invordering wordt belast (vermeerderd met 19% BTW).

1.6 Op 29 oktober 2010 is het dwangbevel aan Garretsen in persoon betekend. Hiertegen zijn opposanten in verzet gekomen.

2.1 Nu het verzetschrift op 29 november 2010 bij de griffie van het hof is binnengekomen, is het verzet tegen het dwangbevel tijdig ingesteld.

2.2 Bij brief van 30 juni 2010 heeft de griffier meegedeeld dat hij art. 18 Wtbz (het hof: bedoeld zal zijn art. 18a Wtbz) op [opposant sub 1] niet van toepassing acht en dat het griffierecht op € 1.860,- blijft gehandhaafd. Volgens art. 25 Wtbz (oud) hadden opposanten tegen deze beslissing gedurende een maand na 30 juni 2010 in verzet kunnen komen. Niet is gebleken dat zij dit hebben gedaan. Nu zij deze termijn hebben laten verstrijken, kan de hoogte van het griffierecht niet meer worden aangetast.

2.3 Voorzover in het verzetschrift gronden worden aangevoerd tegen de hoogte van het geheven griffierecht, zijn [opposant sub 1] en Garretsen daarmee te laat. Het hof ziet geen grond voor matiging van de aan het dwangbevel verbonden kosten. Voor het overige worden geen gronden aangevoerd tegen het opgelegde dwangbevel. Daarom zal het hof het verzet tegen het dwangbevel ongegrond verklaren.

3. Ten overvloede overweegt het hof het volgende. Als opposanten tijdig verzet zouden hebben gedaan tegen de hoogte van het griffierecht en naar voren zouden hebben gebracht wat zij in de onderhavige procedure naar voren hebben gebracht, zou dat niet tot wijziging van de hoogte van het griffierecht hebben geleid. Immers, weliswaar is gebleken dat [opposant sub 1] op 3 januari 2008 failliet is verklaard, maar opposanten hebben onvoldoende informatie verstrekt over de financiële situatie van [opposant sub 1] daarna. Volgens de beschikking van de rechter-commissaris in het faillissement van [opposant sub 1] van 12 januari 2010 mocht [opposant sub 1] naast € 909,33 per maand 50% van zijn arbeidsinkomsten behouden. Opposanten hebben geen enkele informatie verstrekt over de hoogte van deze arbeidsinkomsten en zij hebben ook geen informatie verstrekt over de financiële situatie van [opposant sub 1] vóór 12 januari 2010. Bovendien hebben opposanten geen verklaring van de raad voor rechtsbijstand als bedoeld in artikel 18 van de Wtbz (oud) overgelegd, noch bescheiden als bedoeld in artikel 25 van de Wet op de rechtsbijstand.

Beslissing

Het hof:

verklaart het verzet van opposanten ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.A. Schuering, J.A. van Kempen en R. van der Vlist en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 augustus 2011 in aanwezigheid van de griffier.