Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR5920

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-05-2011
Datum publicatie
26-08-2011
Zaaknummer
MHV 200.069.238 T
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling periodiek verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden na echtscheiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2012/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Sector civiel recht, zevende kamer

Uitspraak: 31 mei 2011

Zaaknummer: MHV 200.069.238

Zaaknummer eerste aanleg: 54664/ FA RK 06-1249

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E.M.H. Alkemade,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. P. Buijs.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Middelburg van 3 januari 2007, 30 januari 2008 en 31 maart 2010.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 juni 2010 heeft de vrouw vier grieven aangevoerd tegen de beschikkingen van de rechtbank van 30 januari 2008 en 31 maart 2010. Zij verzoekt het hof de beschikking van 31 maart 2010 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de man te veroordelen om aan haar de helft van het saldo ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen tijdens het huwelijk niet is verrekend, te voldoen, alsmede te vruchten daarvan, te verminderen met het reeds aan de vrouw verbleven vermogen.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 september 2010, heeft de man de grieven van de vrouw bestreden.

Tevens heeft de man incidenteel appel ingesteld tegen de beschikkingen van de rechtbank van 30 januari 2008 en 31 maart 2010. Hij heeft tegen die beschikkingen één grief aangevoerd en het hof verzocht (kort gezegd) vast te stellen dat de peildatum voor de verrekening 1 februari 2000 dient te zijn in plaats van 7 maart 2006 en de als gevolg daarvan veranderde verrekenbedragen vast te stellen.

2.3. De man heeft op 8 oktober 2010 een akte met producties toegezonden aan het hof.

2.4. Bij verweerschrift in incidenteel appel dat op 22 oktober 2010 ter griffie van het hof is binnengekomen, heeft de vrouw de grief van de man bestreden.

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brieven van de advocaat van de vrouw van 11 februari 2011 met bijlagen, 18 april 2011 en 28 april 2011;

- de brief van de advocaat van de man met bijlagen d.d. 25 april 2011.

2.6. Met instemming van beide partijen is afgezien van een mondelinge behandeling.

2.7. Het hof heeft de uitspraak bepaald op heden.

3. De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1. In het petitum van het appelschrift van de vrouw wordt weliswaar uitsluitend vernietiging gevraagd van de beschikking van 31 maart 2010, maar uit de grieven van de vrouw blijkt dat zij hoger beroep wenst in te stellen tegen zowel de tussenbeschikking van 30 januari 2008 als tegen de eindbeschikking van 31 maart 2010, hetgeen expliciet is bevestigd in de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 18 april 2011.

Het hof verwerpt de stelling van de man dat de grieven 3 en 4 van de vrouw niet toelaatbaar zouden zijn omdat de vrouw niet in hoger beroep zou zijn gekomen van de tussenbeschikking van 30 januari 2008, omdat die stelling niet juist is.

3.2. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

Partijen zijn gehuwd geweest van 1 februari 1980 tot 8 mei 2007.

Zij waren gehuwd op huwelijkse voorwaarden, inhoudende, kort gezegd, een uitsluiting van iedere huwelijksgoederengemeenschap en een periodiek verrekenbeding. Dat verrekenbeding is (in artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden) als volgt geformuleerd:

“Per het einde van elk jaar voegen de echtgenoten ter verdeling bij helfte bijeen, hetgeen van hun inkomen over dat jaar onverteerd is of door belegging van onverteerd inkomen is verkregen. Wat een echtgenoot in het betrokken jaar of in vroegere jaren uit zijn vermogen aan lasten van het huwelijk heeft betaald, kan hij vóór deling vooruitnemen.

De verplichting tot bijeenvoeging en verdeling geldt niet met betrekking tot de tijd dat de echtelijke samenwoning verbroken is geweest.”

Tussen partijen zijn geschillen gerezen over de afwikkeling van het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden. Op die geschillen is door de rechtbank beslist in de beschikkingen van 30 januari 2008 en 31 maart 2010.

De beschikking van 30 januari 2008 is een tussenbeschikking. Het hoger beroep dat door partijen tegen die beschikking was ingesteld, is door het gerechtshof ’s Gravenhage op 18 maart 2009 niet-ontvankelijk verklaard.

Partijen kunnen zich met een aantal onderdelen van de eindbeschikking van de rechtbank d.d. 31 maart 2010 en van de daaraan voorafgaande tussenbeschikking van 30 januari 2008 niet verenigen en hebben daartegen hoger beroep ingesteld.

3.3. De volgende kwesties zijn thans aan het hof voorgelegd:

a) de peildatum voor de verrekening (incidentele grief van de man);

b) het aandeel van de vrouw in de waarde van de voormalige echtelijke woning aan de [perceel] te [plaatsnaam] (grieven 1 en 2 van de vrouw);

c) het aandeel van de vrouw in de gelden die zijn gestort op rekeningnummer [rekeningnummer A.] bij de DHB Bank (grief 3 van de vrouw);

d) het aandeel van de vrouw in de in 1996 gekochte boot (grief 4 van de vrouw).

Het hof zal deze geschilpunten achtereenvolgens behandelen.

3.4. ad a) De peildatum voor de verrekening (incidentele grief van de man).

3.4.1. De rechtbank is, op basis van de inhoud van de huwelijkse voorwaarden, voor de verrekening uitgegaan van de peildatum 7 maart 2006, zijnde de datum waarop de samenleving tussen partijen is verbroken.

De man stelt zich op het standpunt dat voor de verrekening uitgegaan moet worden van de peildatum 1 februari 2000, aangezien partijen vanaf dat tijdstip zijn overgegaan tot periodieke verrekening van hun overgespaard inkomen. Concreet stelt de man dat de waarde van de voormalige echtelijke woning en de waarde van de polis bij het Hooge Huys met nr. [rekeningnummer B.] per peildatum 1 februari 2000 in de verrekening moeten worden betrokken.

3.4.2. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De vrouw heeft (onweersproken) gesteld dat partijen per 1 februari 2000 een gezamenlijke rekening hebben geopend. Op die rekening werden de inkomsten van partijen gestort en van die rekening werden alle vaste lasten voldaan. Het geld dat op de rekening resteerde werd jaarlijks tussen partijen verdeeld.

Naar het oordeel van het hof volgt uit deze gang van zaken dat ook na 1 februari 2000 de aflossingen op de hypothecaire leningen ten behoeve van de voormalige echtelijke woning werden voldaan uit het gezamenlijke inkomen van partijen. Die aflossingen moeten worden aangemerkt als investeringen met onverteerd inkomen. Niet gesteld of gebleken is dat deze investeringen en de daaruit voortgevloeide vermogensvermeerdering zijn betrokken in de jaarlijkse verrekening na 1 februari 2000. Er zal dan ook alsnog op dit punt verrekening moeten plaatsvinden.

Hetzelfde geldt voor de premiebetalingen ten behoeve van de polis bij het Hooge Huys.

Het voorgaande betekent dat de incidentele grief van de man faalt. Het hof zal, net als de rechtbank, uitgaan van de peildatum 7 maart 2006.

3.5. ad b) Het aandeel van de vrouw in de waarde van de voormalige echtelijke woning aan de [perceel] te [plaatsnaam] (grieven 1 en 2 van de vrouw);

3.5.1. De voormalige echtelijke woning aan de [perceel] te [plaatsnaam] is op 18 augustus 1981 door de man gekocht voor een bedrag van f. 70.000,-. Ten behoeve van deze aankoop heeft hij een hypothecaire lening afgesloten van f. 64.000,-; voor het overige is de koopsom door de man uit privémiddelen voldaan.

In 1993, 1996 en 1998 zijn nieuwe hypothecaire leningen afgesloten, steeds met aflossing van het nog openstaande saldo van de oude lening. Op de peildatum 7 maart 2006 resteerde een hypotheekschuld van € 53.445,-, welke schuld volledig ten laste van de man komt.

De rechtbank heeft, ervan uitgaande dat vanaf 20 augustus 1993 een deel van de hypotheekschuld, groot 30%, toegerekend moet worden aan een tuinhuisje dat bij de woning is gebouwd en gemeenschappelijke eigendom van partijen is, berekend dat op het hypotheekdeel met betrekking tot de voormalige echtelijke woning tijdens de verrekenperiode in totaal € 22.013,- is afgelost. De rechtbank heeft dit bedrag aangemerkt als verrekenbare investering in de woning van de man; het aandeel van de vrouw daarin bedraagt € 11.007,-.

De totale investering in de woning tijdens de verrekenperiode is door de rechtbank berekend op € 60.478,23.

De rechtbank heeft voor de vaststelling van de waarde van de woning het advies gevolgd van de door haar benoemde deskundige [Z.], die in zijn taxatierapport d.d. 4 augustus 2009 uitkwam op een waarde per peildatum 7 maart 2006 van € 185.000,-.

Uitgaande van deze cijfers heeft de rechtbank in haar eindbeschikking de verrekenaanspraak van de vrouw met betrekking tot de voormalige echtelijke woning berekend op (11.007 : 60.478,73) x € 185.000,- = € 33.669,88.

3.5.2. De eerste twee grieven van de vrouw komen erop neer dat zij meent aanspraak te kunnen maken op een groter aandeel in de waarde van de woning, omdat zij in de verrekenperiode het merendeel van de hypotheeklasten zou hebben betaald. Volgens de vrouw heeft zij om die reden tenminste recht op de helft van de waardestijging. In haar brief van 18 april 2011 aan het hof stelt de vrouw dat zij, gelet op de grote bedragen die zij ten gunste van (de onderneming van) de man heeft betaald, recht heeft op de helft van de overwaarde van de woning.

3.5.3. Het hof is van oordeel dat de rechtbank het aandeel van de vrouw in de waarde van de woning op een juiste wijze heeft berekend. De door de rechtbank gebruikte rekenmethode is overeenkomstig de door de Hoge Raad gehanteerde methode in HR 10-7-2009, NJ 2009, 377.

Op grond van artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden en artikel 1:135 lid 1 BW, kan de vrouw slechts aanspraak maken op de helft van de overgespaarde inkomsten of van het resultaat van de belegging met dat overgespaarde inkomen, waarbij niet relevant is van wie van beide partijen dat overgespaarde inkomen afkomstig is.

Dat er in totaal op het hypotheekdeel voor de woning een bedrag van € 22.013,- is afgelost uit overgespaard inkomen is in hoger beroep niet bestreden. Het door de rechtbank gehanteerde bedrag van € 60.478,23 als totale investering in de woning tijdens de verrekenperiode, is in hoger beroep evenmin bestreden.

Het hof begrijpt de tweede grief van de vrouw in dit verband aldus, dat zij geen bezwaar heeft tegen de verdeling van de hypothecaire leningen tussen woning en tuinhuisje volgens de verdeelsleutel 70% - 30% maar wel tegen het resultaat; zij wenst 50% van de waardestijging, respectievelijk de overwaarde van de woning te ontvangen.

3.5.4. Voor zover de vrouw in haar brief aan het hof d.d. 18 april 2011 bedoeld heeft de grondslag van haar vordering te wijzigen in die zin dat zij een vergoedingsrecht claimt ter grootte van de helft van de overwaarde van de woning, wordt die stelling als tardief buiten beschouwing gelaten. Naar het oordeel van het hof moet een wijziging van de grondslag van de vordering in dit stadium van de procedure niet toelaatbaar worden geacht, dit in het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt (HR 19-6-2009, NJ 2010, 154). Een uitzonderingssituatie, zoals in het arrest van de Hoger Raad genoemd, doet zich in de onderhavig zaak niet voor.

3.5.5. De eerste grief van de vrouw heeft mede betrekking op het deskundigenrapport. De deskundige heeft de woning op de peildatum getaxeerd op € 185.000,-. De vrouw stelt dat dat de waarde beduidend hoger is en verwijst in dit verband naar een taxatierapport dat in 2004 is opgemaakt ten behoeve van een aanvraag voor hypotheekverhoging.

De vrouw heeft er verder bezwaar tegen dat de deskundige kennis heeft genomen van opmerkingen van de man met betrekking tot de staat van de woning, zonder dat zij door de deskundige in de gelegenheid is gesteld op die opmerkingen te reageren.

3.5.6. De hier genoemde bezwaren tegen het deskundigenrapport heeft de vrouw ook al aangevoerd tijdens de procedure in eerste aanleg. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank die bezwaren op juiste gronden verworpen. De deskundige heeft in zijn rapport vermeld dat de opmerkingen van de man geen invloed hebben gehad op het uiteindelijke resultaat van de taxatie, zodat de omstandigheid dat de vrouw niet in de gelegenheid is geweest om op de opmerkingen van de man te reageren, geen reden is om het rapport als ondeugdelijk terzijde te stellen.

Wat de hogere taxatie in 2004 betreft is het hof, net als de rechtbank van oordeel dat de hogere taxatie, die destijds is verstrekt met het oog op een hypotheekaanvraag van partijen, nog niet meebrengt dat de taxatie van de door de rechtbank benoemde deskundige ondeugdelijk zou zijn.

3.5.7. De conclusie uit het voorgaande is dat de eerste twee grieven van de vrouw falen en dat de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de verrekening van de waarde van de woning, bekrachtigd dient te worden.

3.6. ad c) Het aandeel van de vrouw in de gelden die zijn gestort op rekeningnummer [rekeningnummer A.] bij de DHB Bank (grief 3 van de vrouw).

3.6.1. De man is eigenaar geweest van een kapitaalverzekering bij Winterthur met polisnummer [polisnummer]. De verzekering was reeds vóór het huwelijk, in 1974, door hem afgesloten.

De verzekering is geëindigd en tot uitkering gekomen op 1 april 2001. Op die datum is aan de man een bedrag van f. 85.530,- uitgekeerd.

De man heeft voornoemd bedrag gestort op een nieuw geopende rekening op zijn naam bij de DHB Bank met nummer [rekeningnummer A.].

In de jaren daarna is het geld door hem (grotendeels) gebruikt voor de aankoop van een aantal oudedagsvoorzieningen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het hier om een voorhuwelijks vermogensbestanddeel gaat en dat de uitkering van Winterthur, evenals de met de uitkering gekochte producten, buiten het te verrekenen vermogen vallen.

3.6.2. De vrouw is het met deze beslissing niet eens. Zij stelt dat zij zowel vóór als tijdens het huwelijk premies voor de hier bedoelde verzekering heeft betaald.

De man heeft dit betwist. Hij erkent dat de vrouw premies heeft betaald, maar die premies hadden geen betrekking op de kapitaalverzekering zelf, maar op de met de kapitaalverzekering verbonden risicoverzekeringen. Volgens de man heeft hij de premies voor de kapitaalverzekering steeds zelf uit zijn privévermogen betaald.

De vrouw heeft deze stelling van de man betwist.

3.6.3. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Voor zover de vrouw premies zou hebben betaald vóór het huwelijk van partijen, kan zij geen verrekenaanspraak jegens de man doen gelden omdat daarvoor de rechtsgrond ontbreekt. Zij heeft hoogstens een vergoedingsrecht, maar dat zij ten behoeve van de kapitaalverzekering van de man vóór het huwelijk premies heeft betaald, is door de man gemotiveerd weersproken en door de vrouw niet aangetoond. Ook ontbreekt een concreet bewijsaanbod op dit punt. De vordering van de vrouw, voor zover betrekking hebben op de voorhuwelijkse periode, is dan ook niet toewijsbaar.

3.6.4. Wat de premiebetaling tijdens de verrekenperiode betreft is het, gelet op het bepaalde in artikel 1:141 lid 3 BW, aan de man om aan te tonen dat de premies voor de kapitaalverzekering uit zijn privévermogen zijn voldaan, zoals hij stelt en de vrouw betwist.

Het hof zal de man in de gelegenheid stellen door middel van bewijsstukken zijn gelijk aan te tonen.

3.6.5. Indien de man niet in het bewijs slaagt, zal een berekening gemaakt moeten worden van de verrekenaanspraak van de vrouw ten aanzien van de hier bedoelde uitkering van Winterthur en de herbelegging daarvan. Daarvoor is nodig dat het hof de beschikking krijgt over de volgende gegevens:

- de contante waarde van de kapitaalverzekering op de huwelijksdatum 1 februari 1980;

- het totaal bedrag van de premiebetalingen in de periode 1 februari 1980 tot 1 april 2001;

- de hoogte van het nog aanwezige saldo van de hier bedoelde uitkering op de peildatum 7 maart 2006 en de contante waarde van de met deze uitkering gekochte producten op de peildatum 7 maart 2006.

De man dient deze gegevens aan het hof te verstrekken.

3.6.6. De vrouw zal in de gelegenheid worden gesteld om op de informatie van de man te reageren.

De beslissing op de derde grief van de vrouw wordt door het hof aangehouden.

3.7. ad d) Het aandeel van de vrouw in de in 1996 gekochte boot (grief 4 van de vrouw).

3.7.1. De rechtbank heeft omtrent de boot het volgende beslist (beschikking d.d. 31 maart 2010, rechtsoverweging 2.3.2):

- een deel van de verhoging van de hypothecaire lening op 8 november 1996 is door de man gebruikt om een boot te kopen. Hij heeft die boot voor een bedrag van f. 40.000,- gekocht;

- de boot is door de man in 2005 (aan een derde) verkocht voor een bedrag van € 13.500,-;

- voor zover de aflossing op de hypothecaire lening met overgespaard inkomen betrekking heeft op de boot, heeft deze investering niet tot vermogensvorming geleid, want de boot is in de periode van 1996 tot 2005 in waarde gedaald.

3.7.2. De vrouw is het met deze beslissing niet eens. Zij wenst de helft van de verkoopopbrengst van de boot te ontvangen. Destijds heeft ze bij de verkoop een bedrag van € 500,- van de man ontvangen; de vrouw meent dat de man haar nog een bedrag van € 6.250,- schuldig is.

3.7.3. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Voor zover de aanspraak van de vrouw op de man is gebaseerd op het verrekenbeding kan die aanspraak niet worden gehonoreerd, alleen al omdat niet gesteld of gebleken is dat de opbrengst van de boot op de peildatum nog geheel of gedeeltelijk aanwezig was.

3.7.4. De vrouw neemt in haar brief van 18 april 2011 aan het hof een nieuw standpunt in: zij stelt dat de boot gemeenschappelijk eigendom van partijen was en zij wil om die reden een verdeling van de verkoopopbrengst.

Het hof is van oordeel dat hier sprake is van een nieuwe grief die in dit stadium van de procedure niet meer toelaatbaar is, waartoe wordt verwezen naar de reeds genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 19 juni 2009, NJ 2010,154. De man heeft weliswaar inhoudelijk gereageerd op de nieuwe stelling van de vrouw, maar heeft niet ondubbelzinnig met de nieuwe grief ingestemd. Bovendien moet deze nieuwe stelling in dit stadium van de procedure in strijd worden geacht met de eisen van een goede procesorde.

3.7.5. De conclusie is dat de vierde grief van de vrouw faalt.

3.8. Op grond van het voorgaande wordt thans als volgt beslist.

4. De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

stelt de man in de gelegenheid om binnen vier weken na heden de hiervoor onder 3.6.4 en 3.6.5 vermelde informatie aan het hof te verstrekken en bepaalt dat de vrouw vervolgens binnen vier weken na ontvangst van de informatie van de man, op die informatie kan reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan tot de zitting van 2 augustus 2010 PRO FORMA.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Etten, Meulenbroek en Bochove en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2011.