Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR5608

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
25-08-2011
Zaaknummer
200.085.946.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijke gezag na echtscheiding. Wettelijke criteria voor verbreking: nadere omschrijving daarvan door het hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 3 augustus 2011

Zaaknummer : 200.085.946/01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 09-3032

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. P.A.M. van Leeuwen te Schiedam,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. N.C. van Bellen te Rotterdam.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Rotterdam-Rijnmond,

locatie Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 20 april 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 1 februari 2011 van de rechtbank Rotterdam.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 10 mei 2011 een brief van 9 mei 2011 met bijlagen.

Van de zijde van de raad is bij het hof op 4 juli 2011 een brief van 30 juni 2011 ingekomen, waarbij is medegedeeld dat de raad niet ter zitting zal verschijnen.

De zaak is op 13 juli 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de advocaat van de moeder;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is onder meer het verzoek van de moeder - strekkende tot bepaling dat de moeder bij uitsluiting is belast met het ouderlijk gezag over de na te noemen minderjarige - afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het gezag ten aanzien van [naam minderjarige], geboren [in 2002] te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige).

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze betreft de afwijzing van haar verzoek bij uitsluiting te worden belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige, en opnieuw beschikkende te bepalen dat zij bij uitsluiting wordt belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.

3. De vader bestrijdt het beroep.

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank haar verzoek bij uitsluiting te worden belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige, ten onrechte heeft afgewezen. Zij voert daartoe het volgende aan. Reeds anderhalf jaar bestaat er geen enkel contact tussen de vader en de minderjarige. De vader heeft niets meer van zich laten horen. Voorts heeft de vader geweigerd mee te werken aan de afgifte van een paspoort ten behoeve van de minderjarige, zodat de moeder genoodzaakt was een procedure bij de rechtbank aanhangig te maken teneinde vervangende toestemming voor de afgifte van een paspoort te verkrijgen. In het verleden is, tot het moment waarop het contact tussen de vader en de minderjarige werd verbroken, bij elk contact tussen partijen sprake geweest van ernstige ruzie, waarvan de minderjarige meer dan eens getuige is geweest. Door zich aldus te (hebben) gedragen schaadt de vader de belangen van de minderjarige zodat wijziging van het gezag in het belang van de minderjarige is.

5. Namens de vader is ter zitting gesteld dat in de onderhavige zaak artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van toepassing is. Gelet hierop dient aan de hand van het zogenoemde klem- of verloren-criterium of aan de hand van de vraag of dit anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is, beoordeeld te worden of het gezag over een kind aan één ouder dient toe te komen. De vader erkent dat er geen sprake is van communicatie tussen partijen, maar stelt daar tegenover dat er ook geen communicatieproblemen zijn. Voorts is namens de vader aangevoerd dat hij de moeder niet belemmert in haar taak als verzorgende ouder en dat het niet zo is dat hij met betrekking tot belangrijke opvoedkundige beslispunten zijn medewerking weigert te verlenen. Met betrekking tot de kwestie rond het paspoort voor de minderjarige stelt de vader inmiddels zijn toestemming te hebben verleend.

6. Het hof stelt voorop dat het wettelijk uitgangspunt is: handhaving van het gezamenlijk ouderlijk gezag na beëindiging van de relatie tussen de ouders. Blijkens het bepaalde in artikel 1:251a, eerste lid, BW kan de rechter bepalen dat het ouderlijk gezag voortaan aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders en niet te verwachten valt dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt, dan wel indien dit anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

7. Het hof overweegt voorts als volgt. Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren, kan dat betekenen dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Indien aan deze voorwaarde wordt voldaan, ligt eenhoofdig gezag van een van de ouders niet in de rede.

8. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een zodanige situatie dat de minderjarige klem of verloren dreigt te geraken tussen de ouders. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat de ouders weliswaar niet met elkaar communiceren over zaken betreffende de minderjarige, maar dat niet is gebleken dat dit de moeder, die feitelijk de dagelijkse beslissingen ten aanzien van de minderjarige neemt, belemmert in de uitoefening van het ouderlijk gezag. Daarnaast heeft de vader ter zitting verklaard dat hij zich kan vinden in de omstandigheid dat de minderjarige bij de moeder opgroeit en dat hij de nodige medewerking zal verlenen in gezagskwesties met betrekking tot de minderjarige. Andere redenen om alleen de moeder met het gezag over de minderjarige te belasten zijn niet dan wel onvoldoende gebleken. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank, naar het oordeel van het hof, terecht het verzoek van de moeder tot toewijzing van het eenhoofdig gezag over de minderjarige aan haar, afgewezen. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve bekrachtigen.

9. Het hof beslist daarom als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan-Boerdijk, Van den Wildenberg en Mollema-de Jong, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 augustus 2011.