Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR5484

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-08-2011
Datum publicatie
22-08-2011
Zaaknummer
22-000958-10
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:137, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Twee broers, hun zus en hun moeder hebben zich bezig gehouden met het witwassen van auto's. Deze - uit misdrijf verkregen - dure auto's, een BMW 645 cabrio en een Audi A4 cabrio, waren van de broers, maar werden (ook) afwisselend op naam van de zus en de moeder gesteld. Zodoende hebben de verdachten verhuld wie de rechthebbenden van de auto's waren. Een van de broers heeft ook nog een geldbedrag witgewassen. Beide broers genoten een bijstandsuitkering.

Het hof verwerpt de gevoerde verweren aangaande de (niet-)ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het hof is van oordeel dat voldoende inzicht is verschaft in de vraag hoe en wanneer de verdenking jegens de verdachten is ontstaan. Het hof is voorts van oordeel dat de politie kon menen dat ten aanzien van de verdachten een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeide. Daarbij is ook het feit van algemene bekendheid van belang dat het bij de BMW (waarmee het onderzoek is begonnen) om een dure auto gaat die personen met een uitkering in beginsel niet kunnen betalen.

De beide broers worden wegens witwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden (LJN BR5476 en LJN BR5488).

Hun zus (LJN BR5486) en hun moeder (LJN BR5484) worden allebei veroordeeld tot een werkstraf van 80 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, voor schuldwitwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000958-10

Parketnummer: 11-510299-09

Datum uitspraak: 19 augustus 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

Meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 9 februari 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

Verdachte 2,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) in het jaar 1944,

adres: [adres] [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 5 augustus 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair (steeds: eerste en tweede cumulatief/alternatief) ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 13 november 2008 tot en met 2 mei 2009, te Dordrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- van een voorwerp, te weten een personenauto, merk BMW, type 645ci cabriolet, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was,

en/of

- een voorwerp, te weten een personenauto, merk BMW, type 645ci cabriolet, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/of hiervan gebruik heeft gemaakt

terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en) dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij in of omstreeks de periode van 13 november 2008 tot en met 2 mei 2009, te Dordrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- van een voorwerp, te weten een personenauto, merk BMW, type 645ci cabriolet, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was,

en/of

- een voorwerp, te weten een personenauto, merk BMW, type 645ci cabriolet, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/of hiervan gebruik heeft gemaakt

terwijl zij en/of haar mededader(s) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

2.

zij in of omstreeks de periode van 10 augustus 2007 tot en met 25 mei 2009, te Dordrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- van een voorwerp, te weten een personenauto, merk Audi A4, type 8H cabriolet, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was,

en/of

- een voorwerp, te weten een personenauto, merk Audi A4, type 8H cabriolet, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/of hiervan gebruik heeft gemaakt,

terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en) dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij in of omstreeks de periode van 10 augustus 2007 tot en met 25 mei 2009, te Dordrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- van een voorwerp, te weten een personenauto, merk Audi A4, type 8H cabriolet, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was,

en/of

- een voorwerp, te weten een personenauto, merk Audi A4, type 8H cabriolet, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/of hiervan gebruik heeft gemaakt,

terwijl zij en/of haar mededader(s) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie in de vervolging

De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, nu het dossier onvoldoende inzicht verschaft in de vraag hoe en wanneer de verdenking in het onderhavige onderzoek is ontstaan.

Het hof stelt op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het volgende vast.

1. Op 2 juni 2008 werd door de politie Zuid-Holland-Zuid een onderzoeksproject gestart onder de naam "Bling Bling", gericht op personen van wie het vermoeden bestond dat zij zich schuldig maakten aan witwassen1;

2. Binnen het korps werd vervolgens gekeken of er mensen waren die op het eerste gezicht een onverklaarbaar vermogen hadden. De meldingen daarover werden geverifieerd aan de hand van open (politie)bronnen, waaronder BPS en het kentekenregister. Op basis daarvan werd een aantal personen als verdachte aangemerkt2;

3. Op 10 december 2008 werd in BPS een mutatie gemaakt met betrekking tot een zwarte personenauto, merk BMW, type 645 cabrio. Deze stond op die datum bij de verdachte en haar zoon [verdachte 1] voor de deur3;

4. Op 11 december 2008 werd in BPS gemuteerd dat genoemde auto op naam stond van de zus van [verdachte 1] (hof: [verdachte 3]) alsmede dat was geconstateerd dat hij op die dag als bestuurder van de auto optrad4;

5. Ook bleek dat de auto vanaf 12 december 2008 op naam van de verdachte stond, terwijl de auto van 13 november tot 19 november 2008 op naam van [verdachte 1] had gestaan.5 Uit verder onderzoek van de RDW-gegevens bleek dat eerdere auto's eveneens meermalen binnen de familie werden overgeschreven. Op 25 april 2006 werd een BMW met kenteken 38-NZ-TX op naam van [verdachte 1] gesteld, op 8 mei 2006 op naam van zijn zus [verdachte 3], op 9 augustus 2007 terug op zijn eigen naam, op 16 oktober 2007 weer op naam van zijn zus, op 6 december 2007 op naam van de verdachte, waarna de auto kennelijk op 21 november 2008 werd verkocht. Op 8 juli 2008 werd een Renault met kenteken 56-NR-TV op naam van [verdachte 1] gesteld, waarna deze op 10 juli 2007 op naam van de verdachte werd gezet. Het is de relaterende verbalisant ambtshalve bekend dat het overschrijven van kentekens binnen een familiekring vaak wordt gedaan teneinde het bezit van het voertuig te verhullen voor derden, zoals de belasting, sociale dienst of politie6;

6. Bij de politie ontstond het vermoeden dat [verdachte 1] de eigenaar was van de auto7;

7. Bij de politie was bekend dat [verdachte 1] een uitkering van de Sociale Dienst ontving8;

8. Middels een gerichte opdracht werd de surveillancedienst gevraagd het gebruik van genoemde BMW te muteren in BPS. In de maand december 2008 werd acht maal geconstateerd dat [verdachte 1] als bestuurder van de auto optrad. Geen enkele maal werd de zus van [verdachte 1] of de verdachte als bestuurder waargenomen9;

9. Naar aanleiding van de bovenstaande feiten en omstandigheden werd het onderzoek "Toermalijn" gestart.10

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat uit het vorenstaande en de relatering daarvan in het proces-verbaal voldoende inzicht is verschaft in de vraag hoe en wanneer de verdenking jegens de verdachten is ontstaan.

Het hof is voorts van oordeel dat de politie kon menen dat uit de bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, ten aanzien van de verdachte en de genoemde leden van haar familie een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeide. Daarbij is ook het feit van algemene bekendheid van belang dat het bij de BMW om een dure auto gaat die personen met een uitkering in beginsel niet kunnen betalen.

Het verweer wordt verworpen.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Vrijspraken

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair, tweede cumulatief/alternatief, en 2 is ten laste gelegd, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de vrijspraak van feit 2 subsidiair, eerste en tweede cumulatief/alternatief, overweegt het hof in het bijzonder dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat niet de verdachte, zoals zij zelf stelt, maar haar zoon [verdachte 4] de rechthebbende van de Audi A4 cabriolet was. Weliswaar is komen vast te staan dat de verdachte heeft meegewerkt aan het afwisselend op haar naam en die van haar dochter [verdachte 3] stellen van die auto, maar niet dat de verdachte toen wist dat de Audi A4 in gebruik was bij haar zoon [verdachte 4]. Daarom is niet bewezen dat zij, door die wisselingen in tenaamstelling, opzettelijk heeft verhuld wie de rechthebbende was.

Bewijsoverweging feit 1 subsidiair, eerste cumulatief/alternatief

De in de tenlastelegging vermelde BMW 645ci cabrio stond in de in de tenlastelegging vermelde periode afwisselend op naam van de verdachte, haar zoon [verdachte 1] en haar dochter [verdachte 3]. De verdachte heeft de auto op 12 december 2008 op haar naam gesteld.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft zij verklaard - zakelijk weergegeven - dat zij wist dat de BWM van haar zoon [verdachte 1] was en - bij de politie - dat zij wist dat hij een uitkering ontvangt.

Het is een feit van algemene bekendheid dat een BMW 645ci cabrio een dure auto is die personen met een uitkering in beginsel niet kunnen betalen. De verdachte had derhalve kunnen vermoeden dat deze uit misdrijf afkomstig was.

Het hof acht de verklaring van de verdachte dat zij dacht dat [verdachte 1] de BMW had gekocht "van zijn geld dat hij gewonnen had met spelletjes", niet aannemelijk.

Echter, zelfs als ervan zou worden uitgegaan dat zij dit dacht, had de verdachte naar 's hofs oordeel - gelet op hetgeen hiervóór is vastgesteld - zonder nader onderzoek naar de herkomst van het voor de auto betaalde geld, niet mogen handelen zoals zij heeft gedaan, te weten het op haar naam stellen van de auto.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de verdachte ook zo bewust en nauw met haar zoon [verdachte 1] en dochter [verdachte 3] heeft samengewerkt, dat kan worden gesproken van medeplegen. De verdachte heeft immers de BMW, waarvan zij wist dat die van [verdachte 1] was en die eerder - tot 12 december 2008 - op [verdachte 3] naam was gesteld, op die datum op haar eigen naam gesteld. Daarvoor moeten zij wel hebben samengewerkt. Immers, het is een feit van algemene bekendheid dat degene die (in een postkantoor) een auto tenaamstelt daarbij persoonlijk aanwezig moet zijn en het tenaamstellingsbewijs ("deel 1B") alsmede het overschrijvingsbewijs ("deel 2") over moet leggen, welke bewijzen derhalve steeds van de vorige kentekenhouder moeten zijn verkregen.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte samen met anderen opzettelijk verhuld wie de rechthebbende op de BMW was, terwijl zij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die BMW afkomstig was uit enig misdrijf.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, eerste cumulatief/alternatief, ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 13 november 2008 tot en met 2 mei 2009 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen

- van een voorwerp, te weten een personenauto, merk BMW, type 645ci cabriolet, heeft verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was,

terwijl zij en haar mededaders redelijkerwijs moesten vermoeden dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van schuldwitwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Zij is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het schuldwitwassen van een personenauto. Zij hebben de auto van verdachtes zoon, die uit misdrijf was verkregen, op haar naam gesteld en zodoende verhuld wie de rechthebbende daarvan was.

Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Bovendien bevordert het handelen van verdachte het plegen van delicten omdat zonder het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst van criminele gelden, het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn. De na te noemen straf wordt mede opgelegd uit oogpunt van generale preventie.

Het hof is - mede vanuit een oogpunt van speciale preventie - van oordeel dat een deels voorwaardelijke werkstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, tweede cumulatief/alternatief, en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, eerste cumulatief/alternatief, ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van

80 (tachtig) uren,

indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. T.W.H.E. Schmitz,

mr. A.J.M. Kaptein en mr. P.H. Holthuis, in bijzijn van de griffier mr. W.R. van Hattum.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 augustus 2011.

Mr. Holthuis is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Relaas proces-verbaal Dossier Robijn, p. 1.

2 Requisitoir officier van justitie ter terechtzitting in eerste aanleg.

3 Zaaksproces-verbaal "Toermalijn", p. 2 en (na de index, zaak "Toermalijn"), p. 25.

4 Zaaksproces-verbaal "Toermalijn", p. 2 en (na de index, zaak "Toermalijn"), p. 26.

5 Proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming, map relaaspv Robijn (na de index), p. 1.

6 Proces-verbaal bevindingen, map BMW "Toermalijn", p. 12-13.

7 Zaaksproces-verbaal "Toermalijn", p. 2.

8 Zaaksproces-verbaal "Toermalijn", p. 2.

9 Zaaksproces-verbaal "Toermalijn", p. 3 en proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming, map relaaspv Robijn, p. 2.

10 Zaaksproces-verbaal "Turquoise", p. 2.