Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR5476

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-08-2011
Datum publicatie
22-08-2011
Zaaknummer
22-001967-10
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:139, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Twee broers, hun zus en hun moeder hebben zich bezig gehouden met het witwassen van auto's. Deze - uit misdrijf verkregen - dure auto's, een BMW 645 cabrio en een Audi A4 cabrio, waren van de broers, maar werden (ook) afwisselend op naam van de zus en de moeder gesteld. Zodoende hebben de verdachten verhuld wie de rechthebbenden van de auto's waren. Een van de broers heeft ook nog een geldbedrag witgewassen. Beide broers genoten een bijstandsuitkering.

Het hof verwerpt de gevoerde verweren aangaande de (niet-)ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het hof is van oordeel dat voldoende inzicht is verschaft in de vraag hoe en wanneer de verdenking jegens de verdachten is ontstaan. Het hof is voorts van oordeel dat de politie kon menen dat ten aanzien van de verdachten een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeide. Daarbij is ook het feit van algemene bekendheid van belang dat het bij de BMW (waarmee het onderzoek is begonnen) om een dure auto gaat die personen met een uitkering in beginsel niet kunnen betalen. De beide broers worden wegens witwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden (LJN BR5476 en LJN BR5488). Hun zus (LJN BR5486) en hun moeder (LJN BR5484) worden allebei veroordeeld tot een werkstraf van 80 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, voor schuldwitwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001967-10

Parketnummer: 11-510469-08

Datum uitspraak: 19 augustus 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

Meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 23 maart 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte 1],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 5 augustus 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest en met verbeurdverklaring van de in beslag genomen personenauto.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 13 november 2008 tot en met 2 mei 2009, te Dordrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- van een voorwerp, te weten een personenauto, merk BMW, type 645ci cabriolet, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was,

en/of

- een voorwerp, te weten een personenauto, merk BMW, type 645ci cabriolet, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/of hiervan gebruik heeft gemaakt

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 13 november 2008 tot en met 2 mei 2009, te Dordrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- van een voorwerp, te weten een personenauto, merk BMW, type 645ci cabriolet, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was,

en/of

- een voorwerp, te weten een personenauto, merk BMW, type 645ci cabriolet, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/of hiervan gebruik heeft gemaakt

terwijl hij en/of zijn mededader(s) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie in de vervolging

De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, nu het dossier onvoldoende inzicht verschaft in de vraag hoe en wanneer de verdenking in het onderhavige onderzoek is ontstaan.

Het hof stelt op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het volgende vast.

1. Op 2 juni 2008 werd door de politie Zuid-Holland-Zuid een onderzoeksproject gestart onder de naam "Bling Bling", gericht op personen van wie het vermoeden bestond dat zij zich schuldig maakten aan witwassen1;

2. Binnen het korps werd vervolgens gekeken of er mensen waren die op het eerste gezicht een onverklaarbaar vermogen hadden. De meldingen daarover werden geverifieerd aan de hand van open (politie)bronnen, waaronder BPS en het kentekenregister. Op basis daarvan werd een aantal personen als verdachte aangemerkt2;

3. Op 10 december 2008 werd in BPS een mutatie gemaakt met betrekking tot een zwarte personenauto, merk BMW, type 645 cabrio. Deze stond op die datum bij de verdachte en zijn moeder [verdachte 2] voor de deur3;

4. Op 11 december 2008 werd in BPS gemuteerd dat genoemde auto op naam stond van de zus van de verdachte (hof: [verdachte 3]) alsmede dat was geconstateerd dat hij op die dag als bestuurder van de auto optrad4;

5. Ook bleek dat de auto vanaf 12 december 2008 op naam van [verdachte 2] stond, terwijl de auto van 13 november tot 19 november 2008 op naam van de verdachte had gestaan.5 Uit verder onderzoek van de RDW-gegevens bleek dat eerdere auto's eveneens meermalen binnen de familie werden overgeschreven. Op 25 april 2006 werd een BMW met kenteken 38-NZ-TX op naam van de verdachte gesteld, op 8 mei 2006 op naam van zijn zus [verdachte 3], op 9 augustus 2007 terug op zijn eigen naam, op 16 oktober 2007 weer op naam van zijn zus, op 6 december 2007 op naam van zijn moeder [verdachte 2], waarna de auto kennelijk op 21 november 2008 werd verkocht. Op 8 juli 2008 werd een Renault met kenteken 56-NR-TV op naam van de verdachte gesteld, waarna deze op 10 juli 2007 op naam van zijn moeder werd gezet. Het is de relaterende verbalisant ambtshalve bekend dat het overschrijven van kentekens binnen een familiekring vaak wordt gedaan teneinde het bezit van het voertuig te verhullen voor derden, zoals de belasting, sociale dienst of politie6;

6. Bij de politie ontstond het vermoeden dat de verdachte de eigenaar was van de auto7;

7. Bij de politie was bekend dat de verdachte een uitkering van de Sociale Dienst ontving8;

8. Middels een gerichte opdracht werd de surveillancedienst gevraagd het gebruik van genoemde BMW te muteren in BPS. In de maand december 2008 werd acht maal geconstateerd dat de verdachte als bestuurder van de auto optrad. Geen enkele maal werd zijn zus of moeder als bestuurder waargenomen9;

9. Naar aanleiding van de bovenstaande feiten en omstandigheden werd het onderzoek "Toermalijn" gestart.10

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat uit het vorenstaande en de relatering daarvan in het proces-verbaal voldoende inzicht is verschaft in de vraag hoe en wanneer de verdenking jegens de verdachten is ontstaan.

Het hof is voorts van oordeel dat de politie kon menen dat uit de bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, ten aanzien van de verdachte en de genoemde leden van zijn familie een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeide. Daarbij is ook het feit van algemene bekendheid van belang dat het bij de BMW om een dure auto gaat die personen met een uitkering in beginsel niet kunnen betalen.

Het verweer wordt verworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beslissing op verweren

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte de BMW heeft gekocht van legaal geld, te weten winsten in gokcafés ter grootte van ongeveer EUR 45.000,--, alsmede een geldlening van een vriend. Ter staving van dit standpunt zijn kopieën van 'winstbriefjes' overgelegd, alsmede een kopie van een verklaring d.d. 8 november 2008 van ene [betrokkene], inhoudende - kort gezegd - dat hij EUR 6.000,-- aan de verdachte heeft geleend. Vanwege het voorgaande dient de verdachte volgens de raadsman te worden vrijgesproken.

Naar 's hofs oordeel kan uit de kopieën van de 'winstbriefjes', waarop verdachtes naam niet is vermeld, hooguit worden afgeleid dat iemand een aantal malen een bedrag heeft gewonnen. Zelfs als zou vaststaan dat het winsten van de verdachte betreft, kan nergens uit worden afgeleid wat diens totale winst zou zijn geweest, ook omdat niets vaststaat omtrent door de verdachte bij gokspelen geleden verliezen. Het verweer op dit punt is dus onvoldoende onderbouwd.

Het beweerdelijke bestaan van de geldlening - die de verdachte voor het eerst ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht - is naar 's hofs oordeel onvoldoende aannemelijk geworden. Slechts een kopie, niet het origineel, van een verklaring is overgelegd. Het verweer wordt verworpen.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het voor de verdachte - die in het verleden is veroordeeld tot een ontzegging van de rijbevoegdheid - gelet op zijn hierdoor veroorzaakte registratie in de databank van Stichting CIS, onmogelijk was de BMW te verzekeren. Hij heeft ter onderbouwing daarvan enkele stukken overgelegd.

Voor zover de raadsman heeft bedoeld te betogen dat hierdoor kan worden verklaard waarom de BMW niet (steeds) op diens eigen naam stond, wordt dit verweer verworpen. Immers, een en ander verklaart naar 's hofs oordeel geenszins de hiervoor reeds genoemde, wisselende tenaamstellingen van de BMW, die naar 's hofs oordeel geen ander doel hebben gehad dan te verhullen dat de verdachte de rechthebbende was.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 13 november 2008 tot en met 2 mei 2009 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen

- van een voorwerp, te weten een personenauto, merk BMW, type 645ci cabriolet heeft verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was,

en

- een voorwerp, te weten een personenauto, merk BMW, type 645ci cabriolet, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en hiervan gebruik heeft gemaakt

terwijl hij en zijn mededaders wisten dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Hij is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het witwassen van een personenauto. De moeder en de zus van de verdachte hebben deze auto, die uit misdrijf was verkregen, op zijn verzoek afwisselend op hun naam gesteld waardoor zij hebben verhuld wie de rechthebbende was.

Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Bovendien bevordert het handelen van verdachte het plegen van delicten omdat zonder het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst van criminele gelden, het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn. De na te noemen straf wordt mede opgelegd uit oogpunt van generale preventie.

De raadsman heeft (subsidiair) verzocht aan de verdachte een taakstraf, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, op te leggen. Het hof is echter van oordeel dat als reactie op feiten als de onderhavige in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Daarbij heeft het hof mede acht geslagen op de straftoemeting in soortgelijke zaken. De raadsman heeft onvoldoende (concrete) feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het hof in dit geval tot een andere strafmodaliteit zou dienen te komen.

Het hof heeft bovendien in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 juli 2011, waaruit blijkt dat hij reeds vele malen onherroepelijk is veroordeeld, veelal tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf, voor het plegen van strafbare feiten, waaronder veel vermogensmisdrijven. De verdachte heeft hier kennelijk niet van geleerd. Ook in dit licht is een taakstraf noch een voorwaardelijke gevangenisstraf aan de orde.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

De in beslag genomen personenauto is nader vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte beslaglijst.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de auto wordt verbeurd verklaard.

De personenauto is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu met betrekking tot dat voorwerp het bewezen verklaarde is begaan. Het hof zal de personenauto daarom verbeurdverklaren en heeft daarbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 47, 57, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1.00 STK personenauto 06-PB-PK, BMW 6er REIHE 645ci, 2004 kl: zwart.

Dit arrest is gewezen door mr. T.W.H.E. Schmitz,

mr. A.J.M. Kaptein en mr. P.H. Holthuis, in bijzijn van de griffier mr. W.R. van Hattum.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 augustus 2011.

Mr. Holthuis is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Relaas proces-verbaal Dossier Robijn, p. 1.

2 Requisitoir officier van justitie ter terechtzitting in eerste aanleg.

3 Zaaksproces-verbaal "Toermalijn", p. 2 en (na de index, zaak "Toermalijn"), p. 25.

4 Zaaksproces-verbaal "Toermalijn", p. 2 en (na de index, zaak "Toermalijn"), p. 26.

5 Proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming, map relaaspv Robijn (na de index), p. 1.

6 Proces-verbaal bevindingen, map BMW "Toermalijn", p. 12-13.

7 Zaaksproces-verbaal "Toermalijn", p. 2.

8 Zaaksproces-verbaal "Toermalijn", p. 2.

9 Zaaksproces-verbaal "Toermalijn", p. 3 en proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming, map relaaspv Robijn, p. 2.

10 Zaaksproces-verbaal "Turquoise", p. 2.