Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR5133

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-08-2011
Datum publicatie
31-08-2011
Zaaknummer
200.073.078/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, uitleg vaststellingsovereenkomst, bepaling wie rechthebbende honden is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.073.078/01

Zaaknummer rechtbank : 356281/KG ZA 10-557

arrest d.d. 30 augustus 2011

inzake

[Naam],

wonende te [Woonplaats], gemeente […],

hierna te noemen: [appellant 1],

[Naam],

wonende te [Woonplaats], gemeente […],

appellanten,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellante] (vrouwelijk enkelvoud),

advocaat: mr. R.G.B. Everts te 's-Gravenzande,

tegen

[Naam],

wonende te [Woonplaats], gemeente […],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. E.C.J. Ris te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 18 augustus 2010 is [appellante] in hoger beroep gekomen van een door de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van 20 juli 2010. Op 21 december 2010 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, bevolen bij arrest van 28 september 2010. Deze zitting is – in samenspraak met partijen – nadien niet voortgezet.

Bij memorie van grieven met twee producties heeft [appellante] zes grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de voorzieningenrechter in het vonnis van 20 juli 2010 onder 2.1.1 tot en met 2.8 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.

Kort gezegd gaat het in deze procedure om het volgende:

1.1 [geïntimeerde] is in de week van 27 oktober 2008 opgenomen geweest in het Crisiscentrum te Rotterdam. Op 30 oktober 2008 is zij daar weggegaan. De nacht van 30 op 31 oktober 2008 heeft [geïntimeerde] doorgebracht in haar caravan op het terrein van [appellante] te […]. De volgende dag is zij vertrokken naar haar huis in Friesland. Zij heeft drie van haar vijf honden mee naar huis genomen. Twee van haar vijf honden, Isimo en Layla (hierna te noemen: de honden), zijn bij [appellante] achtergebleven.

1.2 Op of omstreeks 20 november 2008 heeft [appellante] de honden overgedragen aan […] (hierna te noemen: [G]) in Duitsland.

1.3 Bij vonnis van 16 april 2009 is – in een procedure tussen [geïntimeerde] en [appellant 1] – de vordering van [geïntimeerde] tot afgifte van de honden toegewezen, met matiging en maximering van de gevorderde dwangsom. Bij vonnis van 2 juni 2009 is de dwangsom opgeheven, kort gezegd, omdat [appellant 1] in de onmogelijkheid verkeerde om aan de veroordeling tot afgifte van de honden te voldoen.

1.4 In hoger beroep van het vonnis van 16 april 2009 is op 28 september 2009 een comparitie gehouden ten overstaan van mr. J.S.W. Holtrop. In het proces-verbaal van deze comparitie is het volgende opgenomen:

“Partijen verklaren eensluidend en ieder voor zich:

Wij wensen het onderhavige geschil te beëindigen en verklaren hierbij over en weer niets meer van elkaar te vorderen te hebben, uit welke hoofde dan ook. De proceskosten tussen partijen in beide instanties worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Wij verzoeken u om na ondertekening door ons van deze vaststellingsovereenkomst de procedure in hoger beroep door te halen.”

1.5 Op 26 oktober 2009 heeft mr. Holtrop voornoemd onder meer het volgende geschreven aan mrs. Evers en Ris voornoemd:

“De verklaring van partijen, dat zij over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben, heeft een beperkte strekking, namelijk – in mijn herinnering – dat ook op eventueel verbeurde dwangsommen geen aanspraak zou worden gemaakt.”

1.6 Bij uitspraak van het Landgericht Stuttgart van 10 februari 2010 is [G] veroordeeld de honden af te geven aan [geïntimeerde].

1.7 In het kader van de tenuitvoerlegging van de onder 1.6 genoemde uitspraak heeft [G] ten overstaan van de Gerechtsdeurwaarder op 4 mei 2010 verklaard dat de honden zich op dat moment bij [appellante] bevonden.

1.8 In een verklaring van [appellant 1] van 26 mei 2010 staat onder meer het volgende vermeld:

“Wij, [appellante], nemen het standpunt in, (...) wij alleen de verantwoording voor de honden hebben.

De honden zijn door [appellante] na 7 maart 2010 teruggehaald. (...)

Naar onze mening hebben wij geen verplichting tegenover mevrouw [G] om haar te vertellen waar de honden Isimo en Layla zich bevinden. Dit is ons beschikkingsrecht.”

2. In de eerste grief wordt gegriefd tegen de veroordeling om de honden af te geven, zodra deze zich in de macht van [appellante] bevinden. Daarmee is de voorzieningenrechter naar de mening van [appellante] ten onrechte afgeweken van de vordering tot teruggave binnen zeven dagen.

2.1 Deze grief slaagt niet. De vordering ziet op afgifte van de honden. De voorzieningenrechter is binnen het raamwerk van deze vordering gebleven nu de veroordeling evenzeer ziet op afgifte van de honden. Dat de voorzieningenrechter in dit geval de vrijheid heeft genomen om, naar aanleiding van het door [appellante] gevoerde verweer, de verplichting tot afgifte van de honden te beperken tot het moment waarop deze zich in de macht van [appellante] bevinden, is diens (redactionele) vrijheid. Voor zover in de eerste grief wordt gesteld dat [appellante] nimmer de feitelijke macht over de honden heeft kunnen uitoefenen, wordt daarop hierna ingegaan naar aanleiding van de derde grief. Die grief heeft immers dezelfde strekking.

3. In de tweede grief wordt opgekomen tegen de overwegingen van de voorzieningenrechter dat sprake zou zijn van een novum en dat de voorliggende vordering niet zou afstuiten op de gesloten vaststellingsovereenkomst. [appellante] stelt dat partijen in de vaststellingsovereenkomst het geschil ten aanzien van de eigendom van de honden hebben willen beslechten en dat [geïntimeerde] haar rechten dienaangaande heeft prijs gegeven. [geïntimeerde] voert daartegen aan dat de vaststellingsovereenkomst is gesloten omdat de honden zich inmiddels bij een derde in Duitsland bevonden en partijen elkaar in Nederland niet langer lastig wilden vallen. Zij stelt dat zij door middel van deze regeling geen afstand heeft willen doen van haar honden.

3.1 Voor de beantwoording van de vraag hoe de bepalingen van de vaststellingsovereenkomst moeten worden uitgelegd komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

3.2 Rekening houdend met het karakter van de overeenkomst, de tekst daarvan en het moment waarop deze werd gesloten, acht het hof voorshands niet aannemelijk dat [geïntimeerde] door het sluiten van deze overeenkomst haar aanspraken op de honden jegens [appellante] heeft willen prijsgeven. De honden verbleven op het moment van het sluiten van de overeenkomst in Duitsland en de eigendom van de honden was op dat moment aldaar in geschil tussen [geïntimeerde] en [G]. In die situatie ligt het niet voor de hand dat door de vaststellingsovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellante] [geïntimeerde] haar aanspraken op de honden heeft willen prijs geven jegens [appellante]. [appellante] heeft dat ook moeten begrijpen. Uit de hiervoor genoemde toelichting van mr. Holtrop volgt evenmin dat de vaststellingsovereenkomst de door [appellante] gestelde vergaande strekking zou hebben. Sterker nog, deze toelichting bevestigt de lezing van [geïntimeerde] dat de vaststellingsovereenkomst een beperkte strekking heeft. Gezien de situatie op het moment van het sluiten van de overeenkomst, zou het voor de hand hebben gelegen dat, indien de overeenkomst de door [appellante] voorgestane vergaande consequenties zou hebben, deze in de overeenkomst zouden zijn verwoord. Zeker nu [appellante] op de comparitie werd bijgestaan door haar advocaat. Ook de tweede grief slaagt derhalve niet.

4. Het hof ziet aanleiding om de vierde grief voor de derde grief te bespreken.

In de vierde grief wordt opgekomen tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat het ervoor moet worden gehouden dat [geïntimeerde] als rechthebbende op de honden heeft te gelden.

4.1 Anders dan [appellante] meent, acht het hof voorshands aannemelijk dat [geïntimeerde] als rechthebbende op de honden heeft te gelden. Vaststaat dat [geïntimeerde] de eigenaar was van de honden. Tevens staat vast dat zij de honden op 31 oktober 2008 bij [appellante] heeft achtergelaten. Echter, nu [geïntimeerde] gemotiveerd heeft gesteld dat zij nimmer heeft beoogd de honden daarbij in eigendom over te dragen aan [appellante], staat voorshands geenszins vast dat [appellante] de eigendom heeft verkregen en aldus de rechthebbende is geworden. Dat de uitspraak van het Landesgericht Stuttgart van 10 februari 2010, die in kracht van gewijsde is gegaan, niet juist zou zijn, leidt nog niet tot de conclusie dat [appellante] de rechthebbende zou zijn. Deze uitspraak ziet immers op de verhouding tussen [geïntimeerde] en [G]. Ook de vierde grief faalt dus.

5. De derde grief komt op tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst op zeker moment sprake is geweest van de situatie dat de honden in de macht van [appellante] zouden zijn geweest. [appellante] stelt dat zij wel bezoek heeft gehad van de honden, maar dat een derde feitelijk de macht uitoefende over de honden. Zij vindt dat het belang van de honden om bij de roedel op visite te komen moet worden gerespecteerd.

5.1 Ook deze grief faalt. Niet aan de orde is de vraag of het belang van de honden om op bezoek te komen moet worden gerespecteerd. De vraag is slechts of voorshands aannemelijk is dat [appellante] sedert het sluiten van de vaststellingsovereenkomst het feitelijk op enig moment in haar macht heeft gehad om de honden over te dragen aan [geïntimeerde].

Voorshands kan worden aangenomen dat het - in ieder geval - op de momenten dat de honden bij [appellante] verblijven, in de macht van [appellante] ligt om de honden aan [geïntimeerde] over te dragen. Ze verblijven dan immers in haar directe invloedssfeer. Bijzondere omstandigheden waarom [appellante] desalniettemin de honden niet zou kunnen overdragen, zijn gesteld noch gebleken. Het enkele feit dat de honden onder begeleiding van een derde bij [appellante] komen, is zonder nadere toelichting onvoldoende om aan te nemen dat het voor het [appellante] onmogelijk zou zijn om de honden aan [geïntimeerde] over te dragen. Dit geldt te meer, nu uit de onder 1.8 genoemde verklaring van [appellante] zelf lijkt te volgen dat het [appellante] is die bepaalt bij wie en waar de honden verblijven.

5.2 Gelet op het voorgaande wordt aan bewijslevering niet toegekomen, nog daargelaten dat een kort geding procedure als de onderhavige zich daarvoor niet leent. Bovendien zijn partijen inmiddels in een bodemprocedure verwikkeld waarin voldoende ruimte bestaat om binnen afzienbare tijd tot een definitieve beoordeling te komen, zodat [appellante] hierdoor niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad.

6. De vijfde en zesde grief hebben geen zelfstandige betekenis en behoeven daarom geen bespreking.

7. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis bekrachtigd dient te worden. Nu [appellante] in het ongelijk wordt gesteld, zal zij – hoofdelijk – worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 juli 2010;

- veroordeelt [appellante] hoofdelijk in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 314,- aan verschotten en € 1788,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, G.J. Heevel en H.J.H. van Meegen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 augustus 2011 in aanwezigheid van de griffier.