Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR5049

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-02-2011
Datum publicatie
16-08-2011
Zaaknummer
22-000969-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich meerdere malen schuldig gemaakt aan diefstal door middel van braak of inklimming dan wel pogingen daartoe. Voorts heeft de verdachte een laptop en een fiets voorhanden gehad, terwijl hij wist dan wel had moeten weten dat deze goederen van misdrijf afkomstig waren. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000969-10

Parketnummers: 09-900897-09 en 09-658143-09 en 09-920323-07 (TUL)

Datum uitspraak: 14 februari 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 februari 2010 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 31 januari 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 5 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5 subsidiair, 6 en 7 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringstoezicht en met beslissing omtrent het inbeslaggenomene als voormeld in het vonnis. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 november 2007 onder parketnummer 09-920323-07 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 149 dagen. Tenslotte is ten aanzien van de vordering van de benadeelde partijen beslist als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 27 juli 2009 tot en met 28 juli 2009 te Schipluiden, gemeente Midden-Delfland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een pand (gevestigd aan de [straat A]) heeft weggenomen een geldbedrag (van ongeveer 200,- euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te hebben gebracht door het forceren/verbreken van een raam;

2.

hij in of omstreeks de periode van 21 augustus 2009 tot en met 22 augustus 2009 te Schipluiden, gemeente Midden-Delfland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand (gevestigd aan de [straat B]) weg te nemen goederen en/of geld van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot dat pand te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld van zijn gading onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, door het inslaan/verbreken van een ruit, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 23 augustus 2009 te Maasland, gemeente Midden-Delfland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [straat C]) weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld van zijn/hun gading onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, door het verbreken/forceren van een raam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij in of omstreeks de periode van 22 augustus 2009 tot en met 23 augustus 2009 te Maasland, gemeente Midden-Delfland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (gelegen aan de [straat D]) heeft weggenomen een bankpas en/of een geldbedrag (van ongeveer 25,- euro) en/of twee mobiele telefoons, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te hebben gebracht door inklimming door een raam;

5. primair

hij in of omstreeks de periode van 4 mei 2009 tot en met 5 mei 2009 te Schipluiden, gemeente Midden-Delfland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een pand (gevestigd aan de [straat E]) heeft weggenomen een laptop, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te hebben gebracht door verbreken/forceren van een deur en/of raam;

5. subsidiair

hij op of omstreeks 12 oktober 2009 te Vlaardingen, in elk geval in Nederland, een laptop heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die laptop wist of had moeten weten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

6.

hij in of omstreeks de periode van 27 juli 2009 tot en met 28 juli 2009 te Schipluiden, gemeente Midden-Delfland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een pand (gevestigd aan de [straat B]) heeft weggenomen een geldbedrag (van ongeveer 17.755,- euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te hebben gebracht door het verbreken/forceren van een raam;

7. primair

hij in of omstreeks de periode 07 oktober 2008 tot en met 01 juli 2009 te Delft, in elk geval in Nederland, een damesfiets (Merk Gazelle, type Medeo) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die fiets wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

7. subsidiair

hij op of omstreeks 07 oktober 2008 te Vlaardingen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een damesfiets (Merk Gazelle, type Medeo), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 5 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 subsidiar, 6 en 7 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 27 juli 2009 tot en met 28 juli 2009 te Schipluiden, gemeente Midden-Delfland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een pand (gevestigd aan de [straat A]) heeft weggenomen een geldbedrag (van ongeveer 200,- euro) toebehorende aan [aangever 1], zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft door het forceren/verbreken van een raam;

2.

hij in de periode van 21 augustus 2009 tot en met 22 augustus 2009 te Schipluiden, gemeente Midden-Delfland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pand (gevestigd aan de [straat B]) weg te nemen goederen en/of geld van zijn gading, toebehorende aan [aangever 2], en zich daarbij de toegang tot dat pand te verschaffen door middel van braak,een ruit heeft ingeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 23 augustus 2009 te Maasland, gemeente Midden-Delfland, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [straat C]) weg te nemen geld en/of goederen van hun gading, en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak, een raam heeft verbroken/geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij in of omstreeks de periode van 22 augustus 2009 tot en met 23 augustus 2009 te Maasland, gemeente Midden-Delfland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (gelegen aan de [straat D]) heeft weggenomen een bankpas en een geldbedrag (van ongeveer 25,- euro) en twee mobiele telefoons, toebehorende aan anderen dan verdachte, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft door inklimming door een raam;

5. subsidiair

hij op 12 oktober 2009 te Vlaardingen, in elk geval in Nederland, een laptop voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die laptop had moeten weten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

6.

hij in de periode van 27 juli 2009 tot en met 28 juli 2009 te Schipluiden, gemeente Midden-Delfland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een pand (gevestigd aan de [straat B]) heeft weggenomen een geldbedrag van 2.500,- euro toebehorende aan [aangever 6], zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft door het verbreken/forceren van een raam;

7. primair

hij in de periode 07 oktober 2008 tot en met 01 juli 2009 te Delft, een damesfiets (Merk Gazelle, type Medeo) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die fiets wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte - overeenkomstig haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen - bepleit dat de verdachte ter zake van de onder 1 en 4 tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken nu de aangetroffen vingerafdrukken van de verdachte zonder aanvullend bewijs, hetgeen ontbreekt, onvoldoende, want geen absoluut bewijs oplevert dat de verdachte deze feiten heeft gepleegd.

Het hof stelt voorop dat de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard de kwaliteit van de uitkomst van het onderzoek naar de aangetroffen vingerafdruk van de verdachte niet te betwisten. Voorts stelt het hof vast dat voor een veroordeling, anders dan de raadsvrouw stelt, geen "absoluut bewijs" noodzakelijk is, maar dat het er bij een veroordeling slechts om gaat dat buiten redelijke twijfel staat dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Het hof acht dit laatste het geval ten aanzien van het aan de verdachte als feit 1 en 4 tenlastegelegde, nu op de betreffende plaatsen delict niet alleen vingerafdrukken van de verdachte zijn gevonden, maar deze feiten hebben plaatsgevonden in dezelfde regio en in dezelfde - betrekkelijk - korte periode als waarin de overige bewezenverklaarde feiten plaatsvonden. Bovendien is de wijze van toegangverschaffing vergelijkbaar met de manier waarop in de andere gevallen is ingebroken. Het hof verwerpt dan ook het verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 en 6 bewezenverklaarde:

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking.

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

Ten aanzien van het onder 5 subsidiair bewezenverklaarde:

Schuldheling.

Ten aanzien van het onder 7 primair bewezenverklaarde:

Opzetheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de beslissing omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 09-920323-07).

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich meerdere malen schuldig gemaakt aan diefstal door middel van braak of inklimming dan wel pogingen daartoe. Dergelijke feiten brengen doorgaans een gevoel van onveiligheid, ergernis, overlast en financiële schade voor de benadeelden met zich mee.

Voorts heeft de verdachte een laptop en een fiets voorhanden gehad, terwijl hij wist dan wel had moeten weten dat deze goederen van misdrijf afkomstig waren. Een dergelijk feit bevordert het plegen van diefstal waardoor schade aan de eigenaar wordt berokkend.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 januari 2011 is de verdachte meermalen onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp zoals dit onder 1 genummerd is vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen zal het hof de teruggave gelasten aan de [aangever 5].

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze onder 2 tot en met 9 genummerd zijn vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij A]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij A] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 299,18.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het oorspronkelijk gevorderde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot het door de rechtbank toegewezen bedrag, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade tot een bedrag van EUR 150,18 is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve in zoverre worden toegewezen.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij A]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van EUR 150,18 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 4 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij A].

Vordering tot schadevergoeding [aangever 6]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever 6] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 6 tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 17.755,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag EUR 17.755,-.

De benadeelde partij heeft per brief d.d. 14 januari 2011 de vordering verhoogd tot een bedrag van EUR 18.080,-.

Nu de benadeelde partij deze verhoging van de vordering niet overeenkomstig artikel 421, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg reeds heeft gevorderd, zal de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep in afwijking van zijn schriftelijke vordering geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, tot een bedrag van EUR 2.500,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte deels betwist, te weten voorzover het bedrag boven EUR 2.500,- zou worden toegewezen.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van EUR 2.500,- materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 6 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 6]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van EUR 2.500,- aansprakelijk is voor de schade die door het onder 6 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever 6].

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de meervoudige kamer te 's-Gravenhage van 1 november 2007 onder parketnummer 09-920323-07 is de verdachte veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 149 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, gevorderd dat de verdachte in plaats van het ondergaan van een gevangenisstraf van 149 dagen een werkstraf van 240 uren zal verrichten.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf en de omzetting daarvan in een werkstraf is derhalve in beginsel gegrond.

Het hof zal evenwel - gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken - de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de destijds voorwaardelijk opgelegde straf, groot 40 dagen, en in plaats daarvan een werkstraf van 80 uur gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 36f, 45, 57, 63, 310, 311, 416 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 5 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 subsidiair, 6 en 7 primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een op 8 (acht) maanden bepaald gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich in de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de stichting Reclassering Nederland, ressort Den Haag, zolang deze instelling dit nodig oordeelt.

Verstrekt aan deze instelling opdracht om aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave van het voorwerp zoals dit vermeld is op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder het nummer 1 aan [aangever 5].

Gelast de teruggave van de voorwerpen zoals deze vermeld zijn op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 2 tot en met 9 aan de verdachte.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij A] tot een bedrag van EUR 150,18 (honderdvijftig euro en achttien cent) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Bepaalt dat de benadeelde partij de vordering inzoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak vooralsnog zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde partij A] aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 150,18 (honderdvijftig euro en achttien cent) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 (drie) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis deze betalingsverplichting niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 6] tot een bedrag van EUR 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Bepaalt dat de benadeelde partij de vordering inzoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten tot aan deze uitspraak vooralsnog zijn begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte ter zake van het onder 6 bewezenverklaarde de verplichting op om ten behoeve van [aangever 6] aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 35 (vijfendertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis deze betalingsverplichting niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging toe, in die zin dat in plaats van de tenuitvoerlegging van een gedeelte, groot 40 dagen van de straf, voorzover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te 's-Gravenhage van 1 november 2007 onder parketnummer 09-920323-07, te weten gevangenisstraf voor de duur van 149 dagen, de tenuitvoerlegging wordt gelast van een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, te vervangen door hechtenis voor de tijd van 40 (veertig) dagen voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler, mr. R.M. Bouritius en mr. C.J. van der Wilt, in bijzijn van de griffier mr. R.T. Poort.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 februari 2011.