Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR4885

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-08-2011
Datum publicatie
17-08-2011
Zaaknummer
200.014.770-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen aansprakelijkheid van eigenaar appartementsrecht voor schade bij buren als gevolg van brand hennepplantage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/357
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.014.770/01

Zaaknummer rechtbank : HA ZA 07-3030

arrest d.d. 16 augustus 2011

inzake

[Naam],

wonende te [Woonplaats],

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: [X],

advocaat: mr. G. Janssen te 's-Gravenhage,

tegen

[Naam],

wonende te [Woonplaats],

[Naam],

wonende te [Woonplaats],

geïntimeerden in principaal appel,

appellanten in incidenteel appel,

hierna te noemen: [Y] c.s.,

advocaat: mr. E.A.C. van Kempen te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 10 september 2008, hersteld bij exploot van 20 oktober 2008, is [X] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank 's-Gravenhage tussen partijen gewezen vonnis van 9 juli 2008, aangevuld op 10 september 2008. Bij memorie van grieven heeft [X] twee grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel, met een productie heeft [Y] c.s. de grieven bestreden en heeft zij zelf één grief aangevoerd. [X] heeft vervolgens een memorie van antwoord in het incidenteel appel genomen.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende.

1.1 [X] is eigenaresse van het appartement [adres] te [plaats], gelegen op de begane grond. [Y] c.s. zijn eigenaar van het appartement [adres], gelegen op de eerste verdieping van hetzelfde pand.

1.2 Op 23 oktober 2006 is in het appartement van [Y] c.s. brand uitgebroken. In het desbetreffende appartement bleek zich een hennepplantage te bevinden.

1.3 Door de brand is schade ontstaan aan het appartement van [X]. [X] was hiervoor niet verzekerd. Zij heeft [Y] c.s. aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade. In dat kader heeft zij conservatoir beslag gelegd op drie appartementen van [Y] c.s.

2. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank onder meer de vordering van [X] tot vergoeding van schade afgewezen. [X] komt hiertegen op in principaal appel. Tevens heeft de rechtbank de vordering van [Y] c.s. tot opheffing van de conservatoire beslagen afgewezen. [Y] c.s. komen hiertegen op in het incidenteel appel.

In principaal appel

3. De twee grieven van [X] in principaal appel lenen zich voor gezamenlijke behandeling. In essentie betreft het geschil de vraag of en, zo ja, op welke grond [Y] c.s. aansprakelijk zijn voor de door [X] als gevolg daarvan geleden schade.

4. Voorop staat dat op de eigenaar van een appartement geen risicoaansprakelijkheid rust in die zin dat hij zonder meer aansprakelijk is indien er brand uitbreekt ten gevolge van een hennepkwekerij in zijn appartement en daardoor schade ontstaat in het ondergelegen appartement.

Artikel 6:174 BW kent wel een risicoaansprakelijkheid voor opstallen, echter gesteld noch gebleken is dat de opstal van [Y] c.s. niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen en dat daardoor gevaar is ontstaan. Het enkele feit dat een hennepkwekerij is gevestigd in een opstal, is onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een gebrekkige opstal. Dat geldt ook als brand is ontstaan. Meer dan dat heeft [X] echter niet gesteld.

Voor een aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW is in beginsel enige wetenschap van de eigenaar bij de hennepkwekerij vereist. Degene die een schadevergoeding claimt zal in elk geval feiten en omstandigheden moeten stellen en zo nodig moeten bewijzen waaruit volgt dat aansprakelijkheid van de eigenaar bestaat.

5. [X] klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat [Y] c.s. het appartement hadden verhuurd. Het hof constateert dat de rechtbank in overweging 5.4.2 van de veronderstelling is uitgegaan dat van verhuur sprake was en dat de rechtbank niet heeft vastgesteld dàt het appartement verhuurd was. Voor het oordeel in de zaak hoeft naar het oordeel van het hof ook niet te worden vastgesteld of het appartement was verhuurd. Het hof voegt daar aan toe dat, ervan uitgaande dat het appartement was verhuurd en de huurder verantwoordelijk was voor de hennepkwekerij, het met de rechtbank van oordeel is dat [X] onvoldoende heeft gesteld op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat [Y] c.s. aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het handelen van de huurder. Als bij de hypotheekverstrekking een huurbeding zou zijn opgenomen, zoals [X] veronderstelt, werkt dat beding slechts jegens de hypotheekverstrekker. Dat verhuur lichtvaardig zou hebben plaatsgevonden na bemiddeling van […], is op zich onvoldoende om de verhuur te kwalificeren als een onrechtmatige daad jegens [X] en [Y] c.s. op die grond voor de schade ten gevolge van de brand aansprakelijk te achten.

6. Uit de toelichting op de grieven valt voorts af te leiden dat [X] betoogt dat [Y] c.s. het appartement zelf in gebruik hadden en dat [Y] c.s. dus, zo begrijpt het hof, ook zelf verantwoordelijk moeten worden geacht voor de (gevolgen van de) hennepkwekerij. [Y] c.s. hebben deze stelling echter gemotiveerd betwist en hebben in dat verband een huurovereenkomst met ene […] overgelegd. [X] heeft daartegenover volstaan met het plaatsen van vraagtekens bij het bestaan van een huurovereenkomst en met een verwijzing naar de beperkte periode tussen de koop van het appartement in augustus 2006 en de brand op 23 oktober 2006 en een verklaring van [Y] c.s. dat zij zelf in het appartement zouden gaan wonen. Een dergelijke beperkte periode hoeft echter niet te betekenen dat het appartement dus bij de eigenaar in gebruik is en [Y] c.s. hebben ter comparitie verklaard dat zij de woning hadden gekocht om er zelf te gaan wonen, maar dat zij vervolgens uit elkaar zijn gegaan en, naar het hof begrijpt, om die reden het appartement niet hebben betrokken. Bovendien heeft [X] ter comparitie in eerste aanleg erkend dat zij eigenlijk niet wist wie er in het appartement verbleven en uit haar verklaring ter zitting kan worden afgeleid dat zij niet alleen […] maar ook [Y] c.s. nooit bij het appartement heeft gezien. Alles afwegende is het hof van oordeel dat [X] haar stelling dat [Y] c.s. het appartement zelf in gebruik hadden en (dus) verantwoordelijk waren voor dan wel kennis droegen van de hennepkwekerij, onvoldoende heeft onderbouwd.

7. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis in conventie dient te worden bekrachtigd. Nu [X] daarmee het ongelijk wordt gesteld, zal zij worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel.

In incidenteel appel

8. [Y] c.s. grieven tegen de overweging van de rechtbank dat zij niet hebben beargumenteerd waarom zij, gezien artikel 704, tweede lid, Rv, belang hebben bij een oordeel van de rechtbank over de opheffing van de beslagen. Zij voeren aan dat zij het niet alleen niet eens zijn met de vordering van [X], maar dat de gelegde beslagen hen hinderen. Zij zijn immers niet vrij om de appartementsrechten over te dragen, hebben bij hypotheekverstrekkers een kruisje achter hun naam en zijn gedwongen kosten te maken voor een woning waar zij zelf niet wonen. [X] heeft verweer gevoerd.

9. Uit artikel 704, tweede lid, Rv blijkt dat het conservatoir beslag vervalt, indien de eis in de hoofdzaak wordt afgewezen en deze afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan. Hieruit volgt dat [Y] c.s. belang zouden kunnen hebben bij hun vordering in reconventie tot opheffing van de beslagen. Met de rechtbank is het hof evenwel van oordeel dat uit een afweging van de belangen van [Y] c.s. tegen de belangen van [X] niet volgt dat aan de belangen van [Y] c.s. doorslaggevende betekenis toekomt. Tegenover de hiervoor onder 8. door [Y] c.s. gestelde belangen, staat immers het belang van [X] bij de veiligstelling van verhaal. Daarbij merkt het hof op dat [Y] c.s. ook in hoger beroep niet gemotiveerd hebben gesteld dat en waarom zij de appartementen zouden hebben willen overdragen en op voorhand niet valt in te zien welk nadeel zij leiden bij het kruisje achter hun naam. Dat [Y] c.s. kosten maken voor een woning die zij niet gebruiken en dat zij kosten hebben moeten maken om de woning op te knappen, kan op zich niet aan het beslag worden toegerekend. Overigens zij opgemerkt dat [Y] c.s. ook op een andere manier zekerheid zouden kunnen stellen. Gesteld noch gebleken is dat zij daartoe niet in staat zijn.

10. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat ook het besteden vonnis in reconventie dient te worden bekrachtigd. Hierbij zijn [Y] c.s. te beschouwen als de in het ongelijk gestelde partij, zodat zij in het incidenteel appel hoofdelijk zullen worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 juli 2008, aangevuld op 10 september 2008, in conventie en reconventie tussen partijen gewezen;

- veroordeelt [X] in de kosten van het geding in principaal appel, aan de zijde van [Y] c.s. tot op heden begroot op € 1.150,- aan griffierecht en € 1.158,- aan salaris van de advocaat waarvan te voldoen:

(a) aan de griffier van het hof € 2.193,-, te weten € 1.035,- voor in debet gesteld griffierecht en € 1.158,- voor salaris advocaat, waarmee de griffier zal handelen overeenkomstig het bepaalde in art. 243 Rv, en

(b) aan [Y] c.s. € 115,- voor niet in debet gesteld griffierecht;

- bepaalt dat het aan de griffier van het hof verschuldigde bedrag, te weten € 2.193,-, bijgeschreven dient te zijn op bankrekeningnummer 56.99.90.580 ten name van Ministerie van Justitie Arrondissement Den Haag 537, zulks onder vermelding van de namen van partijen en het zaaknummer;

- bepaalt dat dit bedrag uiterlijk twee weken na heden moet zijn voldaan;

- veroordeelt [Y] c.s. hoofdelijk in de kosten van het geding in incidenteel appel, aan de zijde van [X] tot op heden begroot op € 579,- aan salaris van de advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven , E.M. Dousma-Valk en H.J.H. van Meegen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 augustus 2011 in aanwezigheid van de griffier.