Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR4557

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-08-2011
Datum publicatie
09-08-2011
Zaaknummer
200.044.623
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:1380, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Goederen betaald met onderuitsluiting verkregen gelden: niet meer te achterhalen hoe de kasstroom is gelopen. Bewijsaanbod ter zake gepasseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector civiel

Zaaknummer : 200.044.623

Zaaknummer rechtbank : 258513 / HA ZA 06-942

arrest van 2 augustus 2011

inzake

[de man],

wonende te [gemeente],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.H. Beek te Capelle aan de IJssel,

tegen

[de vrouw],

wonende te [gemeente],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.A. Busquet te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 24 september 2009 is de man in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 16 januari 2008, 11 maart 2009 en 5 augustus 2009 tussen de partijen gewezen.

Voor de loop van het geding verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de bestreden vonnissen heeft vermeld.

De man heeft een memorie van eis in het incident ex artikel 351 en subsidiair artikel 235 Rv genomen.

De vrouw heeft een incidentele memorie van antwoord genomen.

Dit hof heeft bij arrest van 27 juli 2010 een beslissing genomen op het incident.

Bij memorie van grieven heeft de man twee grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven bestreden.

De man heeft op 22 februari 2011 een akte genomen.

De vrouw heeft op 5 april 2011 een antwoord akte genomen.

De man heeft op 3 mei 2011 nogmaals een akte genomen.

De partijen hebben hun procesdossier aan het hof overgelegd en hebben arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1.De man vordert in zijn memorie van grieven:

dat het den hove behage bij arrest de vonnissen van de rechtbank te Rotterdam van 11 maart 2009 respectievelijk 5 augustus 2009 a quo te vernietigen, ten aanzien van de beslissingen op de punten N,S en W en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de speedboot, type Bayliner, en de personenauto, merk BMW, geen deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap en te bepalen dat de geldlening verstrekt door de zuster van appellant deel uitmaakt van de ontbonden gemeenschap met toedeling van deze schuld aan appellant, met waardering van de schuld op € 59.117,05 en appellant te veroordelen om bij wege van overbedeling na aftrek van de verrekenpost en de reeds betaalde voorschotten, beiden zoals berekend in punt 7 van de memorie, aan geïntimeerde te betalen uit hoofde van overbedeling een bedrag van € 38.678,25, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het hoger beroep.

2. De man vordert in zijn akte:

vast te stellen dat tot de gemeenschap behoort een passivum bestaande uit een schuld aan ABN.AMRO ter grootte van € 18.151,21 en te bepalen dat deze schuld wordt toebedeeld aan appellant onder verrekening van het saldo van deze schuld, des dat geïntimeerde € 9.075, 60 aan appellant dient te voldoen bij wege van overbedeling.

BMW en Bayliner

3. Uit grief één volgt dat de man van mening is dat de BMW en de boot type Bayliner niet in de wettelijke gemeenschap van goederen vallen.

4. De man is van mening dat deze goederen zijn betaald uit de nalatenschap van zijn vader die hij onder een uitsluitingsclausule heeft verkregen.

5. De man stelt dat hij niet kan achterhalen of hij de BMW betaald heeft via de en/of rekening van de zaak dan wel dat het geld van zijn rendementrekening is geboekt op de gezamenlijke rekening van partijen teneinde de factuur van de personenauto en die van de speedboot te voldoen.

6. Uit de memorie van antwoord volgt dat de vrouw onverminderd haar standpunt handhaaft dat de boot en de BMW in de voormalige gemeenschap van goederen van partijen zijn gevallen en niet behoren tot het privé vermogen van de man.

7. Het hof overweegt als volgt. De hoofdregel is dat alle goederen in de wettelijke gemeenschap van goederen vallen. Een van de uitzonderingen op deze boedelmenging zijn de goederen verkregen onder de uitsluitingsclausule van art.1:94 lid 1 slot BW.

8. Het hof heeft de stelling van de man aldus begrepen dat als hij de verkrijging van de vooromschreven goederen heeft betaald met het geld dat hij onder een uitsluitingsclausule heeft verkregen hij op grond van zaaksvervanging de meervermelde goederen tot zijn privé vermogen mag rekenen.

9. Uit de stelling van de man volgt dat hij thans niet kan nagaan van welke rekening hij de onderhavige goederen heeft betaald. De man kan niet meer aan de hand van schriftelijke bescheiden aantonen dat de goederen met privégelden zijn betaald. Gezien de eigen stelling van de man is het hof van oordeel dat klaarblijkelijk niet meer kan worden vastgesteld of de meervermelde goederen in de plaats zijn gekomen van de oorspronkelijke met de uitsluitingsclausule verkregen gelden, zodat de boot en de BMW door de werking van de boedelmenging in de wettelijke gemeenschap van goederen zijn gevallen. De kasstroom waarmee de goederen zijn aangeschaft is immers niet meer te achterhalen.

10. Het hof komt niet toe aan het door de man gedane bewijsaanbod dat de boot en de BMW zijn betaald uit de gelden van de nalatenschap. Het hof overweegt hierbij dat de man schriftelijk bewijs heeft aangeboden van zijn stelling dat van de rendementrekening 31.18.120.797 geld is overgemaakt naar een rekening-courant, waarna van de rekening-courant de leverancier van zowel de speedboot als de personenauto is betaald. Deze schriftelijke bescheiden zijn door de man nog niet eerder in het geding gebracht, hetgeen wel op zijn weg had gelegen, mede gelet op het tussen partijen gevoerde debat.

Geldlening zuster

11. De man stelt in grief 2 dat tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoort een schuld aan zijn zuster die hij waardeert op een bedrag van € 59.117,05. Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst de man naar een brief van zijn zuster van 20 februari 1980. Deze brief is door hem bij conclusie van antwoord in het geding gebracht. In de brief staat onder meer:

• je hoeft het pas terug te betalen als je het huis verkoopt;

• en als ik wil moet je me zekerheid geven via een hypotheek bij de notaris;

• de rente over de lening is 7% per jaar over fl. 48.500;

• alle rente hoef je pas te betalen bij verkoop van de woning.

12. Aangezien de rente niet feitelijk aan de zuster is betaald, is de rente niet verwerkt in de belastingaangifte.

13. Door de vrouw wordt betwist dat de man geld heeft geleend van zijn zuster. De vrouw is van mening dat de in het geding gebrachte brief van de zuster aan de man onvoldoende bewijs is om het bestaan van de lening aan te tonen. Tijdens het huwelijk heeft de man nimmer gesproken over de lening.

14. Het hof overweegt als volgt. Het beoordelen van het bewijs is overgelaten aan de rechter.

15. Op basis van de brief van de zuster aan de man is het hof van oordeel dat de man niet heeft aangetoond dat op datum ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap de schuld aan de zuster nog bestond en dus behoorde tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Door de man wordt zelf erkend dat de rente niet verwerkt is in zijn aangifte. Indien er sprake was van een reële schuld had de man deze sinds de inwerkingtreding van de Wet inkomstenbelasting 2001 in zijn fiscale aangifte (box 3) moeten opnemen ook als er geen rente verschuldigd is. Naar het oordeel van het hof heeft de man alle gelegenheid gehad om schriftelijk bewijs – zoals de aangiften inkomstenbelasting - in het geding te brengen. Nu hij dit niet heeft gedaan komt dit voor zijn rekening en risico.

16. Het hof zal het bewijsaanbod van de man, om zichzelf en zijn zuster met betrekking tot de lening te horen, passeren aangezien hij niet aangeeft wat zij anders of meer kunnen verklaren dan hetgeen is vermeld in de betreffende brief van de zuster aan de man.

Gemeenschapsschuld € 18.151,21

17. In de akte van 22 februari 2011 stelt de man dat er in het kader van de verdeling van de op 4 april 2005 ontbonden huwelijksgoederengemeenschap is vergeten een – volgens de man – door beide partijen aangegane schuld te betrekken van € 18.151,21. De man heeft deze schuld in 2006 afgelost en verzoekt die schuld aan hem toe te delen en de vrouw te veroordelen om aan hem te betalen de somma van € 9.075,60.

18. De vrouw heeft gesteld dat de schuld destijds in 1999 op het zakelijk pand is gevestigd teneinde de door de man verschuldigde successierecht te betalen en welke erfrechtelijke verkrijging niet valt in de wettelijke gemeenschap van goederen.

19. Het hof overweegt als volgt. Op basis van de door de man gestelde gegevens – mede bezien het feit dat de vrouw ontkent draagplichtig te zijn voor de schuld – kan het hof niet vaststellen of een schuld van € 18.151,21 tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde op het moment van ontbinding van deze gemeenschap. De vrouw laat in het midden of zij de schuld mede heeft aangegaan, maar klaarblijkelijk is tot zekerheid van de terugbetaling van die schuld het recht van hypotheek gevestigd op een onroerende zaak die niet in de huwelijksgemeenschap is gevallen. Bovendien heeft de man in zijn akte van 5 april 2011 niet bestreden de stelling van de vrouw dat met de geldlening de door de man verschuldigde successierechten zijn gefinancierd met betrekking tot de door hem onder uitsluiting verkregen erfrechtelijke goederen. Naar het oordeel van het hof is de onderhavige schuld gemaakt met betrekking tot privégoederen en is deze alszodanig een aan de man verknochte schuld dat die niet in de gemeenschap valt.

Proceskosten

20. Gezien het feit dat er sprake is van ex-echtgenoten acht het hof het redelijk en billijk om de kosten in hoger beroep te compenseren en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt.

Bekrachtiging

21. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen dienen de bestreden vonnissen te worden bekrachtigd.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen van 16 januari 2008, 11 maart 2009 en 5 augustus 2009 van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt;

Dit arrest is gewezen door mrs. Labohm, Dusamos en Stollenwerck en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 augustus 2011 in aanwezigheid van de griffier.