Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR4470

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-04-2011
Datum publicatie
09-08-2011
Zaaknummer
22-006525-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte wegens mensenhandel en verkrachting tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk.

De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders gedurende een korte periode schuldig gemaakt aan mensenhandel waarbij sprake is van uitbuiting van een minderjarige. Dit geschiedde door het veertienjarige slachtoffer op te halen bij haar moeder in Goes, mee te nemen naar Rotterdam, huisvesting voor haar te regelen en haar vervolgens in de prostitutie te brengen. Voorts heeft de verdachte meer dan eens het slachtoffer gedwongen met hem gemeenschap te hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-006525-09

Parketnummer: 10-750146-06

Datum uitspraak: 1 april 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 december 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op

[geboortedag] 1977,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 18 januari 2011 en 18 maart 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 en onder 2 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts is er een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij zoals nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2006 tot en met 20 juni 2006 te Rotterdam en/of Leiden en/of Delft en/of Amsterdam en/of Venlo Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen althans éénmaal (telkens) [aangeefster] (geboren [geboortedag] 1992) heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [aangeefster] (in de prostitutie), terwijl deze [aangeefster] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt

en/of

[aangeefster] (geboren [geboortedag] 1992) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van één of meer seksuele handeling(en), met of voor een derde tegen betaling, dan wel ten aanzien van die [aangeefster] enige handeling heeft ondernomen, waarvan hij verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [aangeefster] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die handelingen, terwijl deze [aangeefster] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt

en/of

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit één of meer seksuele handeling(en) van [aangeefster] (geboren [geboortedag] 1992), met of voor een derde tegen betaling terwijl deze [aangeefster] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) als volgt gehandeld:

- het verzorgen/regelen van onderdak/huisvesting voor die [aangeefster] in Rotterdam en/of

- het die [aangeefster] in één of meer woningen in Rotterdam opsluiten en/of vasthouden en/of laten verblijven, aldus die [aangeefster] beletten te gaan alwaar zij wilde gaan en/of

- het (op dwingende en/of dreigende toon) zeggen tegen die [aangeefster] dat zij in de prostitutie moet werken en/of seksuele handelingen moet verrichten en/of geld moet verdienen en/of afdragen voor de duur van een woning en/of

- (daarbij) (daartoe) die [aangeefster] voorzien van instructies betreffende de werkwijze en/of te rekenen tarieven en/of

- (daarbij) het onder toezicht/controle (laten) houden van die [aangeefster] en/of het beperken van de bewegingsvrijheid en/of communicatie van die [aangeefster] en/of

- Het (laten) plaatsen van één of meer afbeelding(en), van een persoon (als ware het afbeelding(en) van die [aangeefster]), op het internet en/of (daarbij) doen voorkomen als ware die [aangeefster] meerderjarig en/of beschikbaar voor prostitutiewerkzaamheden (teneinde klanten te werven voor de prostitutie) en/of

- Het aan die [aangeefster] geven/verstrekken van condooms en/of kleding en/of make-up (teneinde te gebruiken voor en/of bij prostitutiewerkzaamheden) en/of

- het aan die [aangeefster] geven/verstrekken van een mobiele telefoon en/of het door verdachte en/of (mede)verdachte(n), namens en/of voor die [aangeefster] beheren van een mobiele telefoon en/of (daarbij) maken van afspraken en/of onderhouden van contacten met (potentiële) (prostitutie) klanten en/of mededader(s) en/of

- het (laten) brengen en/of begeleiden van die [aangeefster] naar één of meer plaats(en) en/of woning(en) in Rotterdam en/of Leiden en/of Delft en/of Amsterdam en/of Venlo en/of Arnhem, in elk geval in Nederland, alwaar die [aangeefster] prostitutiewerkzaamheden kon/moest verrichten en/of

- het die [aangeefster], onder druk van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht dwingen/bewegen, alle verdiensten af te staan, althans een (aanzienlijk en/of groot) deel van de verdiensten, uit de (door die [aangeefster] verrichte) prostitutiewerkzaamheden aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s) en/of

- terwijl die [aangeefster] niet beschikte en/of kon beschikken over (eigen) financiële middelen en/of

- terwijl die [aangeefster] onttrokken was en/of zich onttrokken had aan het wettig over haar gesteld gezag en/of aan de nasporing van politie;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2005 tot en met 20 juni 2006 te Rotterdam, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans éénmaal (telkens) door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [aangeefster] (geboren [geboortedag] 1992), heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het (telkens) brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [aangeefster] en/of brengen en/of (enige tijd) houden van de penis in de mond van die [aangeefster] (het zich laten pijpen door die [aangeefster]),

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met (een) ander feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben (onder meer) bestaan uit het meermalen, althans éénmaal (telkens)

- die [aangeefster] in één of meer woning(en) in Rotterdam opsluiten en/of vasthouden en/of laten verblijven ,aldus die [aangeefster] beletten te gaan alwaar zij wilde gaan en/of

- zich opdringen aan die [aangeefster] en/of bij die [aangeefster] (in bed) gaan liggen en/of

- een dreigende en/of intimiderende houding tegen die [aangeefster] aannemen en/of

- (met kracht) uittrekken van één of meer kledingstukken van die [aangeefster] en/of

- op die [aangeefster] (gaan) liggen en/of

- brengen van die [aangeefster] in een (emotionele en/of financiële) afhankelijkheidsrelatie met hem, verdachte, en het (daardoor) met zijn psychische overmacht en/of emotionele overwicht, dat hij, verdachte, op die [aangeefster] had verworven, die [aangeefster] aan zijn, verdachtes, wil onderwerpen en/of die wil van die [aangeefster] manipuleren en/of

- (daardoor en/of daarbij) een situatie creëren als gevolg waarvan die [aangeefster] (ook gezien het leeftijdsverschil tussen die [aangeefster] en verdachte) zich niet (langer) tegen (verdergaande) seksuele handelingen kon verzetten;

subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2005 tot en met 20 juni 2006 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had bereikt, te weten met [aangeefster] (geboren [geboortedag] 1992), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans éénmaal (telkens) buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [aangeefster] en/of

- brengen en/of (enige tijd) houden van de penis in de mond van die [aangeefster] (het zich laten pijpen door die [aangeefster]) en/of

- op die [aangeefster] gaan en/of (enige tijd) blijven liggen en/of

- brengen van die [aangeefster] in een (emotionele) afhankelijkheidsrelatie met hem, verdachte, en het (daardoor) met zijn psychische overmacht en/of emotionele overwicht, dat hij, verdachte, op die [aangeefster] had verworven, die [aangeefster] aan zijn, verdachtes, wil onderwerpen en/of die wil van die [aangeefster] manipuleren en/of

- (daardoor) een situatie creëren als gevolg waarvan die [aangeefster] (ook gezien het leeftijdsverschil tussen die [aangeefster] en verdachte) zich niet (langer) tegen (verdergaande) seksuele handelingen kon verzetten.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 18 maart 2011 is door de raadsman van de verdachte betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe is aangevoerd dat de opsporingsambtenaren in de onderhavige zaak in strijd met de destijds geldende Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik, datum inwerkingtreding: 15 februari 2005, geldigheidsduur: 15 februari 2009 (hierna: Aanwijzing) hebben gehandeld. De volgende voorschriften zijn niet nageleefd:

a. er heeft voorafgaand aan de aangifte geen informatief gesprek plaatsgevonden met aangeefster;

b. niet is gebleken dat de aangifte is opgenomen door een verhoorkoppel waarvan één van de verbalisanten een deskundig rechercheur is en er zijn geen audio-opnames gemaakt van de verhoren van de verdachte;

c. er is geen tijdslijn van gebeurtenissen opgesteld;

d. er heeft geen consultatie plaatsgevonden van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (hierna: LEBZ);

e. niet is gebleken dat de officier van justitie een op dit terrein deskundig zedenofficier is.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat niet-naleving van bovenstaande punten tot gevolg moet hebben dat de door aangeefster afgelegde verklaringen bij de politie worden uitgesloten van het bewijs.

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op 18 maart 2011 op het standpunt gesteld dat de Aanwijzing weliswaar op onderdelen niet is gevolgd, maar dat niet is gebleken dat de verdachte daardoor in zijn verdediging is geschaad. Ten aanzien van de door de verdediging aangevoerde punten heeft zij een nadere toelichting gegeven:

a. de Aanwijzing geeft geen dwingende verplichting tot het voeren van een informatief gesprek met aangeefster;

b. alleen het eerste verhoor van aangeefster d.d. 3 juli 2006 is niet afgenomen door een verhoorkoppel, alle verhoren daarna wel. Het betrof hier gecertificeerde rechercheurs;

c. de Aanwijzing geeft geen dwingende verplichting tot het opnemen van een tijdslijn;

d. de Aanwijzing geeft geen dwingende verplichting tot het consulteren van de LEBZ;

e. het betreft geen ingewikkelde zedenzaak en de officier van justitie - hoewel geen zedenofficier - was ervaren op het gebied van zware criminaliteit.

Voorts heeft de advocaat-generaal nog aangevoerd dat zowel aangeefster als de verdachte gelijkluidend hebben verklaard in hun verhoren bij de rechter-commissaris ten opzichte van hun verhoren bij de politie.

Het hof overweegt omtrent de aangevoerde punten als volgt:

ad a. de Aanwijzing spreekt niet van een verplichting, doch van de wenselijkheid een informatief gesprek te houden en vermeldt dat dit gesprek en de aangifte kunnen samenvallen. Het eerste verhoor van [aangeefster] tussen één verbalisant als 'interviewer' en [aangeefster] als 'getuige' heeft gezien inhoud en opbouw aspecten van bedoeld informatief gesprek. Pas in het daaropvolgend verhoor wordt zij gehoord als 'aangeefster';

ad b. Ten aanzien van aangiftes in zedenzaken bevat de Aanwijzing niet een uitdrukkelijke aanbeveling om te werken met verhoorkoppels. De Aanwijzing vermeldt niet meer dan dat het werken met verhoorkoppels bijdraagt aan een professioneel, adequaat en zorgvuldig opgenomen aangifte. Voor wat betreft het eerste verhoor van [aangeefster] op 3 juli 2006 bestaat onduidelijkheid over de vraag wat de aard is van dit verhoor of gewerkt is met een verhoorkoppel en zo ja of het verhoor heeft plaatsgevonden door gespecialiseerde, deskundige rechercheurs op het gebied van zeden. Het hof ziet hierin aanleiding om deze verklaring niet te gebruiken voor het bewijs. Bij alle andere verhoren is gewerkt met verhoorkoppels waarvan de rechercheurs kennelijk gespecialiseerd waren op het gebied van prostitutie/mensenhandel, nu zij behoren tot de Unit Migratiecriminaliteit van de Eenheid Vreemdelingenpolitie Rotterdam-Rijnmond.

Ten aanzien van het voorschrift in de Aanwijzing met betrekking tot audio-opnames van de verhoren van de verdachte constateert het hof dat in de onderhavige zaak deze verhoren niet zijn opgenomen op geluidsband terwijl dit wel in de rede lag;

ad c. de Aanwijzing bevat slechts de aanbeveling en niet een verplichting om een tijdslijn van gebeurtenissen op te maken;

ad d. de Aanwijzing schrijft uitsluitend het consulteren van de LEBZ dwingend voor als een aangifte aspecten vertoont die verbonden zijn met herinneringen van vóór de derde verjaardag, met ritueel misbruik of met hervonden herinneringen. In deze zaak doet geen van deze aspecten zich voor;

ad e. niet is gebleken dat in de onderhavige zaak gebruik is gemaakt van een officier van justitie die gespecialiseerd is op het gebied van zeden.

Op grond van het bovenstaande is gebleken dat niet op alle punten is voldaan aan de inhoud van de Aanwijzing. Ten aanzien van die punten waarop de Aanwijzing niet is gevolgd zijn echter geen omstandigheden gesteld of gebleken waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat de verdachte feitelijk in zijn belangen is geschaad.

Het hof ziet geen reden om wegens de geconstateerde afwijkingen van de Aanwijzing het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.

Op grond van het vorenoverwogene ziet het hof evenmin reden om de verklaringen van aangeefster - behoudens de verklaring van 3 juli 2006 - uit te sluiten van het bewijs.

Het verweer wordt in zoverre verworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Het hof gaat met betrekking tot het onder 1 en 2 tenlastegelegde op basis van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden1 en verbindt daaraan zijn conclusies

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Het onderbrengen van aangeefster

Op 22 juni 2006 heeft [moeder aangeefster] aangifte gedaan van het onttrekken van haar dochter [aangeefster], geboren op 3 februari 1992, aan het ouderlijke gezag2.

Op 15 september 2006 heeft aangeefster bij de politie verklaard dat ze na een ruzie met haar moeder in maart 2006 via de telefoon aan [medeverdachte 1] (hof: [medeverdachte 1]) had laten weten dat ze wegwilde en dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] (hof: [medeverdachte 2]) en [verdachte] (hof: de verdachte) haar hebben opgehaald. [verdachte] zei dat hij voor haar zou zorgen samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Zij zijn naar het huis van [verdachte] aan de [straat A] in Rotterdam gegaan. Nadat ze weer terug was bij haar moeder hoorde ze van [medeverdachte 3] dat [verdachte] onderweg was naar Goes en haar mee wilde nemen. [medeverdachte 3] zei: je kan niet naar huis, je bent van ons. Toen [verdachte] kwam, moest zij van hem in de auto stappen en zijn ze naar de woning van [verdachte] aan de [straat A] gereden. Dat was op woensdag 26 april 2006. Daarna heeft ze op voorstel van [verdachte] bij de ouders van [medeverdachte 3] geslapen, [verdachte] was bang dat hij anders weer problemen met de politie zou krijgen. Die ouders waren weg3.

Op 20 september 2006 heeft aangeefster bij de politie verklaard dat ze met [verdachte] naar de woning van [medeverdachte 4] (hof: medeverdachte [medeverdachte 4]) is gegaan. [medeverdachte 4] en [verdachte] spraken over een huis in de [straat B] op nummer [X]. Zij is met [medeverdachte 4] en [verdachte] naar de [straat B] gegaan4.

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 18 maart 2011 heeft de verdachte verklaard dat hij [aangeefster] heeft geholpen om woonruimte te vinden. Dit ging via [medeverdachte 4]. Hij heeft [aangeefster] met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] opgehaald in Goes. Eerst zijn ze naar de [straat A] gegaan, toen naar [medeverdachte 3], toen naar een vriend van [medeverdachte 4] en uiteindelijk naar de [straat B]5.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft op 23 mei 2007 bij de politie verklaard dat [verdachte] [aangeefster] verzorgde met onderdak en dat hij, [verdachte], ook verbleef op de [straat B]6.

Tussenconclusie

Uit bovenstaande verklaringen komt naar het oordeel van het hof naar voren dat de verdachte voor aangeefster onderdak dan wel huisvesting heeft geregeld door haar onder te brengen, aanvankelijk in zijn eigen huis aan de [straat A] (maart 2006) en daarna in het huis van medeverdachte [medeverdachte 4] aan de [straat B] [X] te Rotterdam (april 2006).

Het brengen in de prostitutie van aangeefster

Aangeefster heeft op 15 september 2006 bij de politie verklaard dat toen ze in het huis van [verdachte] was, [medeverdachte 3] haar vertelde dat ze 's avonds met een jongen voor geld naar bed moest en dat dit moest van [verdachte]. Ze was toen 14 jaar oud. Die avond kwamen twee mannen naar de woning van [verdachte] en moest ze met één van die mannen naar bed. [verdachte] en [medeverdachte 3] waren in de woning aanwezig. Zij durfde geen nee te zeggen omdat zij bang was voor [verdachte]. Ze had een condoom gekregen van [verdachte].

[verdachte] had gezegd dat hij met zijn oom had afgesproken dat zij op een internetsite zou gaan. [medeverdachte 4] vertelde haar dat zij in de escort zou gaan werken en niet alleen jonge jongens maar ook oudere mannen zou krijgen. Ze zou met een foto van een ander meisje op internet komen omdat zij was weggelopen en de politie haar anders zou kunnen vinden. Ze had tegen [medeverdachte 4] verteld dat ze 16 jaar was. [medeverdachte 4] zou op de site zetten dat zij 18 jaar was en dat hij een valse legitimatie kon laten maken. Zij werd op 27 april 2006 gebeld door [verdachte] dat hij een klantje voor haar had. Zij werd die avond opgehaald door de klant en [verdachte] was daar ook bij7.

Op 20 september 2006 heeft zij verklaard dat zij een telefoon kreeg van [verdachte]. Hij vertelde dat als er iemand zou bellen dat zij dan op moest nemen en dat haar internetsite nu actief was. Zij wilde niet opnemen maar dit moest van [verdachte] omdat zijn oom er voor betaald had. Ik zei dat ik niet wilde. [verdachte] zei dat ik niets te willen had. Hij sprak met stemverheffing en was boos. [verdachte] had op een briefje geschreven dat pijpen en neuken binnen Rijnmond 110 euro en daarbuiten 135 euro kostte. [verdachte] had op een gegeven moment geregeld dat de vriendin van [medeverdachte 1], [medeverdachte 5], de telefoon voor haar zou gaan opnemen. Haar eerste klant was in Leiden. [medeverdachte 1] en [verdachte] gingen mee en zouden voor de deur blijven staan. Zij heeft gemeenschap met deze klant gehad en had daarvoor een condoom gebruikt; zij had condooms gekregen van [verdachte]. Daarna werd zij naar Delft gebracht naar een nieuwe klant. Zij moest de man eerst pijpen, waarna zij gemeenschap had met de man. Zij zijn daarna naar het huis van [medeverdachte 5] gereden waar zij kleding kreeg8.

Op 21 september 2006 heeft zij verklaard dat ze met [verdachte] kleren, oorbellen en make-up heeft gekocht en dat [verdachte] dat heeft betaald van het geld dat zij had verdiend. [verdachte] vroeg aan [medeverdachte 6] of hij haar chauffeur wilde worden. [medeverdachte 6] (hof: [medeverdachte 6]) vond het goed. [verdachte] zei dat als ik echt zijn vriendin wilde worden, ik niet meer voor hem hoefde te werken. Ze moest een keer mee met [verdachte] om pakjes af te leveren in Capelle en Schiedam omdat hij haar niet alleen wilde laten en bang was dat zij weg zou lopen. [medeverdachte 6] bracht haar naar een klant in Amsterdam. Zij kreeg van [verdachte] een telefoon en zij mocht alleen met [verdachte] bellen. [verdachte] gaf toestemming voor een trio in Rotterdam-West. [medeverdachte 7] (hof: [medeverdachte 7]) heeft haar naar een hotel in Chinese stijl gebracht naar een klant. Zij heeft deze klant eerst gepijpt en daarna heeft zij met hem geneukt. [verdachte] zei dat zij een week niet hoefde te werken9.

Op 27 september 2006 heeft aangeefster verklaard dat ze vier dagen voordat ze werd opgepakt (hof: op 20 juni 2006) haar werktelefoon aan moest zetten omdat ze geld moest verdienen voor de huur. Ze ging de dag erna samen met [medeverdachte 6] en [verdachte] naar een klant in Arnhem. Zij moest de man neuken en pijpen. Ze was ook een keer in Venlo geweest voor werk. Zij heeft diverse klanten gehad in de woning in de [straat B]10.

Op 23 mei 2007 om 11:25 uur heeft aangeefster bij de politie verklaard dat het idee om haar in de prostitutie te laten werken, kwam van [medeverdachte 4] en [verdachte]. [medeverdachte 4] had tegen [verdachte] gezegd: "Ja, we kunnen haar voor ons laten werken" waarop [verdachte] "ja" had gezegd. [verdachte] heeft tegen haar gezegd dat ze in de prostitutie moest gaan werken11.

Aangeefster heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat [verdachte] tegen haar had gezegd dat zij haar in de gaten hielden, ook al liep zij alleen op straat12.

Op 4 mei 2007 heeft [medeverdachte 6] verklaard dat hij [aangeefster] (hof: aangeefster) onder dwang van [medeverdachte 4] en [verdachte] naar klanten heeft gebracht. [medeverdachte 5] was de telefoniste van [aangeefster]. De klanten werden via [medeverdachte 4] geronseld via de internetsite [site A]. [medeverdachte 4] had een andere foto gebruikt die niet van [aangeefster] was. [aangeefster] had twee telefoons gekregen die door [verdachte] werden gekocht. Eén diende als werktelefoon. [aangeefster] had ook klanten in de woning aan de [straat B]. Die waren door [verdachte] geregeld13.

[medeverdachte 7] heeft op 16 mei 2007 bij de politie verklaard dat hij [aangeefster] een keer naar Breukelen heeft gereden en nog een keer buiten Rotterdam. Zij zat toen met [verdachte] in de auto. Hij heeft [aangeefster] in de escort zo'n 3 à 4 keer gereden14.

[medeverdachte 1] heeft op 23 mei 2007 bij de politie verklaard dat [medeverdachte 4] [aangeefster] als escort op internet heeft gezet. [verdachte] heeft hem de advertentie laten zien. De foto die erbij stond leek niet op [aangeefster]. [naam X] is de naam die [aangeefster] gebruikte en die naam stond op die site. [verdachte] regelde de mannen voor [aangeefster]. [verdachte] had hem gevraagd of zijn vriendin of hij telefoontjes wilden aannemen om afspraken te kunnen maken met klanten voor [aangeefster]15.

Op 23 mei 2007 om 9:59 uur heeft [medeverdachte 5] bij de politie verklaard dat [verdachte] haar heeft gevraagd of ze geld wilde verdienen en dat haar door zijn oom is uitgelegd dat ze de telefoon moest opnemen. Ze wist dat het om prostitutie ging. De afspraken waren voor [aangeefster]. Bij het aannemen van de telefoon moest ze afspraken maken over de prijs. [verdachte] had haar uitgelegd wat ze moest zeggen. Hij heeft alles opgeschreven over de prijzen van alle seksuele handelingen. Tijdens het opnemen van de telefoon heeft ze met verschillende klanten gesproken16.

Op 23 mei 2007 om 16:00 uur heeft [medeverdachte 5] bij de politie verklaard dat [verdachte] de telefoon ook wel eens kwam ophalen en meenam voor het opladen. Haar vriend [medeverdachte 1] is drie keer ver weg geweest om [aangeefster] weg te brengen. [verdachte] had hem daarvoor veel geld beloofd. Ook als [medeverdachte 6] (hof: [medeverdachte 6]) niet kon rijden dan kwam [verdachte] aan [medeverdachte 1] vragen om te rijden17.

[medeverdachte 3] ([medeverdachte 3]) heeft op 17 juli 2007 bij de politie verklaard dat [verdachte] (hof: de verdachte) tegen hem had gezegd dat hij aan [aangeefster] moest vertellen dat ze met een jongen naar bed moest. Hij heeft dit tegen [aangeefster] verteld. Hij herkent de persoon op foto 6 (hof: de verdachte) als [verdachte]18.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 18 maart 2011 verklaard dat [aangeefster] geld voor de huur aan hem gaf. [medeverdachte 6] reed haar wel eens. Hij is wel eens meegereden als [medeverdachte 1] haar reed. Hij heeft met [aangeefster] kleren, make-up en sieraden gekocht. Hij heeft ook een telefoon voor haar gekocht. Als hij meeging naar klanten dan bleef hij in de auto of buiten wachten19.

Tussenconclusie

Gelet op de bovenstaande verklaringen kan naar het oordeel van het hof worden vastgesteld dat verdachte en/of zijn medeverdachten aangeefster ertoe hebben gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling.

Het opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van aangeefster met of voor een derde tegen betaling

Op 15 september 2006 heeft aangeefster bij de politie verklaard dat ze bij de eerste keer achteraf geen geld heeft mogen houden. De jongen waarmee ze seks heeft gehad in de woning van [verdachte] heeft 75 euro aan [verdachte] betaald. De klant in Leiden betaalde 150 euro en dit geld moest ze aan [verdachte] geven. De klant in Delft betaalde haar 300 euro en dit geld heeft zij ook aan [verdachte] gegeven. [medeverdachte 5] kreeg 10 euro en [medeverdachte 1] 20 euro van het geld dat zij had verdiend20.

Op 21 september 2006 heeft aangeefster verklaard dat ze met [verdachte] en [medeverdachte 6] naar een klant was gegaan en iets van in de honderd euro kreeg. Ze heeft dit geld aan [verdachte] gegeven. Over een klant in Amsterdam waar [medeverdachte 5] 235 euro aan had gevraagd, had [verdachte] gezegd dat zij het geld aan [medeverdachte 6] moest geven. [medeverdachte 6] moest het weer aan [verdachte] geven. Dat is ook gebeurd. Het geld wat ze van de klant in een hotel in Chinese stijl in de buurt van Amsterdam had gekregen, gaf zij aan [medeverdachte 7] en deze gaf dit weer aan [verdachte]. [medeverdachte 7] hield 20 euro voor de benzine en zij kreeg niets21.

Op 24 mei 2007 heeft [medeverdachte 5] verklaard dat zij gezien heeft dat [aangeefster] het geld wat zij verdiend had bij een klant aan [verdachte] gaf. Zij heeft ook wel eens gehoord dat [verdachte] om het geld vroeg22.

Tussenconclusie

Gelet op bovenstaande verklaringen kan naar het oordeel van het hof worden vastgesteld dat de verdachte aangeefster heeft bewogen tot het aan hem en/of zijn medeverdachten afstaan van alle verdiensten en dat hij met anderen daarmee opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de door haar verrichte prostitutiewerkzaamheden.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Verkrachting van aangeefster

Gelet op de hierboven weergegeven bewijsmiddelen, gelezen in samenhang en aangevuld met de onderstaande bewijsmiddelen, kan naar het oordeel van het hof worden vastgesteld dat aangeefster door toedoen van de verdachte in een emotionele en financiële afhankelijkheidsrelatie met de verdachte is geraakt en voorts dat hij haar aan zijn wil heeft onderworpen en/of haar wil heeft gemanipuleerd en dar aangeefster daardoor, mede

door het leeftijdsverschil tussen beiden, zich niet tegen seksuele gemeenschap met de verdachte kon verzetten.

Aangeefster23 heeft op 12 november 2006 verklaard in een e-mail dat ze seks met [verdachte] heeft gehad tegen haar wil. Dat ze tegen hem zei dat ze niet wilde maar dat hij toch door bleef gaan. Hij trok dan haar broek uit en deed zijn penis erin. Zij probeerde hem weg te duwen maar dit lukte niet24.

Aangeefster heeft op 11 december 2008 bij de rechter-commissaris verklaard dat ze seks met [verdachte] heeft gehad. Ze wilde het niet maar hij bleef aandringen. Hij heeft haar gedwongen om seks met hem te hebben. Hij dwong haar door te zeggen dat wanneer zij seks met hem had ze de dag erna niet hoefde te werken en ook zei hij wel dat hij voor haar zorgde en dat daar wel iets tegenover mocht staan25.

[medeverdachte 5] heeft op 23 mei 2007 verklaard dat [aangeefster] haar had verteld dat [verdachte] steeds seks met haar wilde hebben en dat zij dat niet wilde. Ook had [aangeefster] haar verteld dat [verdachte] haar dwong om seks met hem te hebben26.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 18 maart 2011 verklaard dat hij gemeenschap heeft gehad met [aangeefster]27.

Conclusie

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen verkrachten van aangeefster.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 maart 2006 tot en met 20 juni 2006 te Rotterdam en Leiden en Delft en Amsterdam en Venlo en Arnhem, en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen [aangeefster] (geboren [geboortedag] 1992) heeft geworven en vervoerd en overgebracht en gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [aangeefster] (in de prostitutie), terwijl deze [aangeefster] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt

en

[aangeefster] (geboren [geboortedag] 1992) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen, met of voor een derde tegen betaling, terwijl deze [aangeefster] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van [aangeefster] (geboren [geboortedag] 1992), met of voor een derde tegen betaling terwijl deze [aangeefster] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededaders als volgt gehandeld:

- het verzorgen/regelen van onderdak/huisvesting voor die [aangeefster] in Rotterdam en

- het zeggen tegen die [aangeefster] dat zij in de prostitutie moet werken en seksuele handelingen moet verrichten en geld moet verdienen en afdragen voor de huur van een woning en

- (daarbij)(daartoe) die [aangeefster] voorzien van instructies betreffende de werkwijze en te rekenen tarieven en

- (daarbij) het onder toezicht/controle (laten) houden van die [aangeefster] en

- Het (laten) plaatsen van één afbeelding, van een persoon (als ware het een afbeelding van die [aangeefster]), op het internet en daarbij doen voorkomen als ware die [aangeefster] meerderjarig en beschikbaar voor prostitutiewerkzaamheden (teneinde klanten te werven voor de prostitutie) en

- Het aan die [aangeefster] geven/verstrekken van condooms en kleding en make-up (teneinde te gebruiken voor en/of bij prostitutiewerkzaamheden) en

- het aan die [aangeefster] geven/verstrekken van een mobiele telefoon en het door verdachte en/of medeverdachten, namens en/of voor die [aangeefster] beheren van een mobiele telefoon en (daarbij) maken van afspraken en/of onderhouden van contacten met (potentiële) (prostitutie) klanten

- het (laten) brengen en/of begeleiden van die [aangeefster] naar één of meer plaatsen en/of woningen in Rotterdam en/of Leiden en/of Delft en/of Amsterdam en/of Venlo en/of Arnhem, en/of een andere plaats in Nederland, alwaar die [aangeefster] prostitutiewerkzaamheden kon/moest verrichten en

- het die [aangeefster], onder druk van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht dwingen/bewegen, alle verdiensten af te staan uit de (door die [aangeefster] verrichte) prostitutiewerkzaamheden aan hem, verdachte en/of zijn mededaders

- terwijl die [aangeefster] niet beschikte over (eigen) financiële middelen en

- terwijl die [aangeefster] onttrokken was en/of zich onttrokken had aan het wettig over haar gesteld gezag en/of aan de nasporing van politie;

2.

hij in de periode van 26 april 2006 tot en met 20 juni 2006 te Rotterdam meermalen door feitelijkheden iemand, te weten [aangeefster] (geboren [geboortedag] 1992), heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [aangeefster],

welke feitelijkheden hebben (onder meer) bestaan uit het

- brengen van die [aangeefster] in een (emotionele en financiële) afhankelijkheidsrelatie met hem, verdachte, en die [aangeefster] aan zijn, verdachtes, wil onderwerpen en/of die wil van die [aangeefster] manipuleren en

- (daardoor en/of daarbij) een situatie creëren als gevolg waarvan die [aangeefster] (ook gezien het leeftijdsverschil tussen die [aangeefster] en verdachte) zich niet tegen seksuele handelingen kon verzetten.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 18 maart 2011 is door de raadsman betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat er geen sprake is van medeplegen van mensenhandel aangezien de verdachte niet actief betrokken is geweest bij het in de prostitutie brengen van [aangeefster] en haar bij haar escortwerkzaamheden slechts heeft vergezeld om haar veiligheid te waarborgen. Hierbij heeft ook zijn verliefdheid op haar een grote rol gespeeld.

Het hof overweegt als volgt.

Aangeefster heeft in haar verklaringen afgelegd bij de politie en bij de rechter-commissaris consistent en bij voortduring verklaard over de rol van de verdachte. Zij heeft onder meer verklaard dat het idee om haar in de prostitutie te laten werken van de verdachte en [medeverdachte 4] kwam28, dat de verdachte voor haar onderdak heeft gezorgd en dat ze het geld wat ze verdiende met de prostitutiewerkzaamheden aan hem moest afstaan29.

Daarnaast worden de verklaringen van aangeefster ondersteund door de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 6], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5], die verklaren als voormeld30.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte mede betrokken is bij en dat hij medepleger is van het in de prostitutie brengen en houden van aangeefster.

Ten aanzien van het niet beschikken van aangeefster over (eigen) financiële middelen is het hof van oordeel dat uit de bewijsmiddelen en in het licht van het gegeven dat het slachtoffer zeer jong was en van huis was weggelopen, genoegzaam blijkt dat zij niet over (eigen) financiële middelen beschikte.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 en onder 2 primair bewezenverklaarde:

De voortgezette handeling van

Mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen onder de omstandigheid dat de persoon ten aanzien van wie het feit wordt gepleegd de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt

en

Verkrachting, meermalen gepleegd

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en onder 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld - met toepassing van een strafkorting in verband met de overschrijding van de redelijke termijn - tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders op de bewezenverklaarde wijze gedurende een korte periode schuldig gemaakt aan mensenhandel waarbij sprake is van uitbuiting van een minderjarige. Dit geschiedde door het veertienjarige slachtoffer op te halen bij haar moeder in Goes, mee te nemen naar Rotterdam, huisvesting voor haar te regelen en haar vervolgens in de prostitutie te brengen. Hierdoor is het slachtoffer in een situatie gebracht waarin zij feitelijk volledig overgeleverd was aan de verdachte en zijn mededaders. Mensenhandel is een ernstig strafbaar feit. De verdachte en zijn mededaders hebben de afhankelijke en ongelijkwaardige positie van het minderjarige slachtoffer en de risico's die de prostitutie voor het slachtoffer met zich kan brengen, voor eigen gewin genegeerd.

Voorts heeft de verdachte meer dan eens het slachtoffer gedwongen met hem gemeenschap te hebben.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 januari 2011 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Het hof komt tot een lagere straf dan door de rechtbank opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd gelet op het feit dat de verdachte met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde één van de medeplegers was en zijn handelen samenhing met de handelingen van anderen en gelet op de relatief korte periode van uitbuiting.

Het hof heeft geconstateerd dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM.

De verdachte is op 1 mei 2007 in verzekering gesteld op verdenking van het plegen van de onderhavige strafbare feiten. De verdediging heeft vervolgens meermalen verzocht om het horen van [aangeefster] als getuige. De rechter-commissaris heeft haar op 12 december 2007 gehoord. Dit verhoor kon echter niet worden voltooid omdat [aangeefster] het verhoor psychisch niet aan kon. Op 23 juni 2008 is het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg aangehouden teneinde de rechter-commissaris in de gelegenheid te stellen [aangeefster] opnieuw te horen. Dat verhoor heeft vervolgens op 11 december 2008 plaatsgevonden. De behandeling van de zaak is vervolgens voortgezet op 19 en 23 november 2009 en het eindvonnis is uitgesproken op 7 december 2009.

Uit het bovenstaande blijkt dat het vonnis in deze zaak ruim twee en een half jaar na aanvang van het onderzoek is uitgesproken en dat op grond van artikel 6 EVRM de redelijke termijn met ruim zeven maanden is overschreden. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat in dier voege dat in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 31 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk, een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk zal worden opgelegd.

Het hof acht bovenstaande straf passend en geboden.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft mr. R. Besemer zich namens [aangeefster] als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 9.100,-

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, tot een bedrag van € 2.500,- , met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 2.500,-.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij ter zake van de geleden immateriële schade naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden immateriële schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.500,- aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 en onder 2 primair bewezenverklaarde feiten is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 56, 63, 242 en 273a (oud) van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en onder 2 primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt, dat een op 10 (tien) maanden bepaald gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich in de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit nodig oordeelt, ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling bij De Waag.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Mr. R. Besemer tot een bedrag van € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak vooralsnog zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat indien een mededader geheel of deels aan deze betalingsverplichting heeft voldaan, de verdachte daarvan in zoverre is bevrijd.

Legt aan de verdachte ter zake van het onder 1 en onder 2 primair bewezenverklaarde de verplichting op om ten behoeve van [aangeefster] aan de Staat een bedrag te betalen van € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 35 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis deze betalingsverplichting niet opheft.

Dit arrest is gewezen door mr. B.A. Stoker-Klein, mr. G.J.W. van Oven en mr. A.J.M. Kaptein, in bijzijn van de griffier mr. V.A.M. Willemsen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 april 2011.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar processen-verbaal, betreft dit - tenzij anders vermeld - voor kopie conform gewaarmerkte ambtsedige processen-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm, door één of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, binnen het onderzoek [X] met proces-verbaalnummer 235/2006. De geschriften worden in samenhang met de overige bewijsmiddelen gebruikt.

2 Proces-verbaal van aangifte [moeder aangeefster] d.d. 22 juni 2006, met mutatienummer PL1900/06-038631, p.196-197, alsmede een geschrift, te weten een als bijlage bij het proces-verbaal d.d. 27 september 2006, met documentcode [code], gevoegde geboorteakte van aangeefster, p.207

3 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [aangeefster] d.d. 15 september 2006, met documentcode [code], p. 116-118; 119-120; 125-127

4 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [aangeefster] d.d. 20 september 2006, met documentcode [code], p.132

5 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 18 maart 2011

6 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 23 mei 2007, met documentcode [code], p.367

7 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [aangeefster] d.d. 15 september 2006, met documentcode [code], p. 118-121; 122; 126-127

8 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [aangeefster] d.d. 20 september 2006, met documentcode [code], p.135-137

9 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [aangeefster] d.d. 21 september 2006, met documentcode [code], p.139;140;142;143;147;149

10 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [aangeefster] d.d. 27 september 2006, met documentcode [code], p.151;154-155, alsmede het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 juni 2006, met nummer 2006212389-4, p.3

11 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [aangeefster] d.d. 23 mei 2007, met documentcode [code], p.441

12 Verklaring van aangeefster afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 11 december 2008

13 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 6] d.d. 4 mei 2007, als bijlage 2 aan het proces-verbaal met nummer 103027/07 gehecht, p.293-297;301

14 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 7] d.d. 16 mei 2007, met documentcode [code], p.330

15 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] d.d. 23 mei 2007, met documentcode [code], p.368

16 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 5] d.d. 23 mei 2007, met documentcode [code], p.384

17 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 5] d.d. 23 mei 2007, met documentcode [code], p.396-397

18 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] d.d. 17 juli 2007, met documentcode [code], p.597, alsmede het proces-verbaal foto-map d.d. 22 maart 2007 met bijlagen, met documentcode [code], p.78 en 85

19 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 18 maart 2011

20 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [aangeefster] d.d. 15 september 2006, met documentcode [code], p. 119-121, alsmede d.d. 20 september 2006, met documentcode 0609201050.A01, p.136

21 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [aangeefster] d.d. 21 september 2006, met documentcode [code], p.140;142;147-148

22 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 5] d.d. 24 mei 2007, met documentcode [code], p.404

23 Een geschrift, te weten een als bijlage bij het proces-verbaal d.d. 27 september 2006, met documentcode [code], gevoegde geboorteakte van aangeefster, p.207

24 Een geschrift, te weten een als bijlage bij het proces-verbaal d.d. 23 november 2006, met documentcode [code], gevoegde

e-mail van aangeefster d.d. 12 november 2006, p.202

25 Verklaring van aangeefster afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 11 december 2008

26 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 5] d.d. 23 mei 2007, met documentcode [code], p.382-383

27 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 18 maart 2011

28 Zie noot 11, noot 22

29 Zie noot 3, noot 7

30 Zie noot 13, noot 15, noot 16, noot 17