Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR4192

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-07-2011
Datum publicatie
04-08-2011
Zaaknummer
MHD 200.064.728
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2009:BK8796, Bekrachtiging/bevestiging
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2008:BG4863, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vraag of zich de situatie voordoet als bedoeld in artikel 224 lid 2 sub d Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector civiel recht

zaaknummer MHD 200.064.728

arrest van de zesde kamer van 26 juli 2011

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats], Filippijnen,

appellante,

advocaat: mr. R.M.A. Lensen,

tegen:

ING SCHADEVERZERKING RETAIL N.V., als rechtsopvolgster onder algemene titel van Postbank Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. L.Ph.J. van Utenhove,

op het bij exploot van dagvaarding van 22 december 2009 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Middelburg gewezen vonnissen van 1 oktober 2008, 25 maart 2009 en 23 september 2009 tussen appellante - [X.] - als eiseres in de hoofdzaak en verweerster in het incident en geïntimeerde – ING Schadeverzekering - als gedaagde in de hoofdzaak en eiseres in het incident.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 62252 HA ZA 08-161)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vordering in het incident en tot toewijzing van haar vordering in de hoofdzaak.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft ING Schadeverzekering de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. In deze zaak gaat het om het volgende.

a. [X.] is in 1995 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [Y.]. [Y.] is op 3 juli 2005 om 13.18 uur als bestuurder van een auto in [woonplaats] tegen een boom aangereden, tengevolge waarvan hij op slag is overleden. [Y.] had een ongevallenverzekering afgesloten bij ING Schadeverzekering op grond waarvan [X.] bij overlijden van [Y.] aanspraak zou hebben op een uitkering van € 75.000,--.

b. Bij inleidende dagvaarding in de onderhavige procedure heeft [X.] voornoemd bedrag van € 75.000,-- met rente en kosten gevorderd. Bij de producties bevinden zich onder meer de proces-verbalen van getuigenverhoren in het kader van een door [X.] aangevraagd voorlopig getuigenverhoor.

c. Bij conclusie van antwoord heeft ING Schadeverzekering onder meer als verweer aangevoerd dat er geen sprake is van een ongeval in de zin van de polis aangezien er sprake was van een bewuste en opzettelijke zelfdoding. Voorts heeft ING Schadeverzekering een incidentele vordering ex art. 224 lid 1Rv ingesteld tot het stellen van zekerheid in de vorm van een bankgarantie tot een bedrag van € 15.000,-- met als motivering dat [X.] in de Filippijnen is gaan wonen.

d. [X.] heeft als verweer aangevoerd dat sprake is van de uitzonderingen als bedoeld in artikel 224 lid 2 sub c en d Rv. Subsidiair heeft [X.] met een beroep op artikel 6:51 BW opgemerkt dat zij zelf de vorm van de te stellen zekerheid mag kiezen.

e. De rechtbank heeft bij vonnis in het incident d.d. 1 oktober 2008 vastgesteld dat [X.] geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft en dat op grond daarvan en gelet op de omvang van de vorderingen en de reeds plaatsgevonden hebbende proceshandelingen op grond van artikel 224 Rv in beginsel aan haar een zekerheid tot een bedrag van € 7.500,-- kan worden gevraagd. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep van [X.] op de uitzonderingsgrond van artikel 224 lid 2 sub c Rv onvoldoende is onderbouwd. Met betrekking tot de sub d bedoelde uitzonderingsgrond heeft de rechtbank [X.] in de gelegenheid gesteld om deze alsnog nader (met stukken) te onderbouwen.

f. De rechtbank heeft na akte van beide partijen bij vonnis van 25 maart 2009 in het incident geoordeeld dat [X.] niets heeft gezegd over haar huidige financiële situatie in de Filippijnen, waar zij inmiddels sedert ruim anderhalf jaar woonde, en evenmin voldoende inzicht heeft gegeven in de financiële gevolgen van de verkoop van de echtelijke woning in [voormalige woonplaats], zodat niet kan worden vastgesteld dat zich de uitzonderingsgrond voordoet als bedoeld in artikel 224 lid 2 sub d Rv. Op die grond heeft de rechtbank in het incident bevolen dat [X.] binnen 6 weken na vonnisdatum ten behoeve van ING Schadeverzekering een zekerheid zal stellen (door middel van een bankgarantie) voor proceskosten ten bedrage van € 7.500,-- met veroordeling van [X.] in de kosten van het incident.

In de hoofdzaak heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen opdat partijen zich bij akte kunnen uitlaten of zekerheid is gesteld.

g. Na aktewisseling van partijen heeft de rechtbank bij vonnis van 23 september 2009 in de hoofdzaak vastgesteld dat geen zekerheid is gesteld en heeft de rechtbank [X.] op die grond niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

4.2 Bij memorie van grieven heeft [X.] drie grieven aangevoerd.

Grief 1 richt zich tegen rechtsoverweging 2.4 van het vonnis van 1 oktober 2008; het daar vastgestelde bedrag van € 7.500,-- is volgens [X.] te hoog.

Grief 2 richt zich tegen de rechtsoverwegingen 2.2 en 2.3 van het vonnis van 25 maart 2009, waarin de rechtbank volgens [X.] ten onrechte heeft overwogen dat [X.] niet een volledig overzicht van haar vermogen heeft gegeven, zodat niet kan worden vastgesteld dat zich de uitzonderingsgrond voordoet als bedoeld in artikel 224 lid 2 sub d Rv.

Grief 3 richt zich in het spoor van de eerste twee grieven tegen de beslissing van de rechtbank om [X.] niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering.

4.3.1 ING Schadeverzekering heeft allereerst als verweer aangevoerd dat [X.] niet ontvankelijk is in haar appel omdat zij niet tijdig heeft geappelleerd van het vonnis van 25 maart 2009. Dit vonnis is wat betreft het incident een eindvonnis, aldus ING Schadeverzekering, hetgeen meebrengt dat [X.] binnen de appeltermijn moest appelleren, bij gebreke waarvan het deelvonnis in kracht van gewijsde gaat. [X.] kan volgens ING Schadeverzekering niet meer bij gelegenheid van het vonnis van 23 september 2009 tegen het vonnis in het incident van 25 maart 2009 hoger beroep instellen.

[X.] heeft in haar memorie van grieven reeds aangegeven waarom zij naar haar zeggen wel ontvankelijk is in haar appel.

4.3.2 Naar het oordeel van het hof is [X.] tijdig in appel gekomen van het eindvonnis van de rechtbank van 23 september 2009. Tegelijk met het appel tegen het eindvonnis kan appel ingesteld worden van de tussenvonnissen.

Het tussenvonnis van 25 maart 2009 heeft wat betreft het incident weliswaar in het dictum een eindbeslissing gegeven, maar daarmee is dit (onderdeel van het) vonnis nog geen deelvonnis, waarvan direct hoger beroep moet worden ingesteld. Daarvan is slechts sprake indien in het dictum een deel van de vordering in de hoofdzaak wordt toe- of afgewezen. Dat geval doet zich hier niet voor. Het vonnis van 25 maart 2009 houdt wat betreft het incident immers een voorlopige maatregel in terzake van de proceskosten, die niet vooruitloopt op de eindbeslissing daaromtrent. Dit (deel van het) vonnis is een provisioneel vonnis.

[X.] kon derhalve direct na het vonnis van 25 maart 2009 van de beslissing in het incident hoger beroep instellen (art. 337 lid 1 Rv), maar mocht dit ook bij gelegenheid van het eindvonnis doen.[X.] is derhalve ook ontvankelijk in het appel tegen het tussenvonnis van 25 maart 2009.

Het verweer van ING Schadeverzekering faalt derhalve.

4.4 Met betrekking tot grief 1 geldt het volgende. Gelet op het financiële belang van de zaak is het gebruikelijk om voor de eerste aanleg een liquidatietarief te hanteren van € 894,-- per punt. Het door ING Schadeverzekering bij de rechtbank verschuldigde griffierecht bedraagt € 1.855,-- . Gelet hierop en voorts gelet op de aard van het geschil – geschil over feiten – en de omstandigheid dat er reeds een voorlopig getuigenverhoor heeft plaatsgevonden, acht het hof een schatting van de proceskosten voor de eerste aanleg, tot betaling waarvan [X.] veroordeeld zou kunnen worden, op een bedrag van € 7.500,-- redelijk. [X.] heeft niets aangevoerd dat tot een ander – lager – bedrag zou moeten leiden. De grief faalt derhalve.

4.5.1 Grief 2 richt zich tegen de rechtsoverwegingen 2.2 en 2.3 van het vonnis van 25 maart 2009. Nu rechtsoverweging 2.2 van dit vonnis slechts een weergave van het standpunt van ING Schadeverzekering bevat, zal het hof daar niet op in gaan.

Rechtsoverweging 2.3 van dat vonnis betreft een beslissing op de vraag of zich de situatie voordoet als bedoeld in artikel 224 lid 2 sub d Rv. Voor alle duidelijkheid merkt het hof op dat [X.] geen grieven heeft aangevoerd tegen de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de toepasselijkheid van artikel 224 lid 1 Rv en evenmin tegen de beslissing van de rechtbank omtrent haar beroep op de uitzondering genoemd in artikel 224 lid 2 sub c Rv. Deze grief gaat derhalve uitsluitend om de vraag of [X.] geen verplichting tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten heeft omdat [X.] daardoor de effectieve toegang tot de rechter belemmerd zou worden.

4.5.2 [X.] voert aan dat zij geen bankgarantie kan geven voor een bedrag van € 7.500,-- aangezien zij daarvoor onvoldoende middelen heeft. [X.] heeft dit in haar gedingstukken niet door middel van enig volledig financieel overzicht onderbouwd, doch - op enkele bedragen na - voor de onderbouwing van haar standpunt slechts verwezen naar de door haar overgelegde producties. Het hof zal derhalve de inhoud van deze producties bespreken.

Uit de door haar zelf overgelegde aangifte voor het recht van successie, door [X.] ondertekend op 5 april 2006, blijkt dat zij op grond van de gemeenschap van goederen, waarin zij gehuwd was, recht had op 50 % van een bedrag van € 48.754,30, derhalve een bedrag van € 24.377,15. Daarbij verdient opmerking dat in dit overzicht de waarde van de echtelijke woning in [voormalige woonplaats] is opgenomen voor een bedrag van 65 % van de waarde onbewoond. [X.] heeft noch in eerste aanleg noch in hoger beroep vermeld of deze woning inmiddels verkocht is en, indien dit het geval is, welk bedrag hiervoor ontvangen is. Terecht wijst ING Schadeverzekering er op dat [X.] dit punt had behoren toe te lichten. Dit klemt temeer nu [X.] niet heeft weersproken dat zij inmiddels geruime tijd in de Filippijnen woont.

Blijkens voornoemd overzicht heeft [X.] voorts als erfgenaam recht op een bedrag van € 6.418,46. Voor alle duidelijkheid merkt het hof op dat de onderhavige vordering op ING Schadeverzekering niet in dit overzicht is opgenomen.

Voorts blijkt uit dit overzicht dat [X.] recht heeft op een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet, een nabestaandenpensioen van ABP van € 1.315,08 per jaar en een pensioenuitkering van Nationale Nederlanden van € 3.177,96 per jaar.

Ten slotte heeft [X.] naar eigen zeggen nog een vordering op [Z.] ten bedrage van € 2.275,--. Met ING Schadeverzekering is het hof van oordeel dat uit de door [X.] terzake overgelegde productie (een dagvaarding strekkende tot een veroordeling van [Z.] tot betaling van € 3.725,-- te vermeerderen met rente en een verstekvonnis, waarbij een niet met name genoemde gedaagde partij veroordeeld wordt de vordering “zoals omschreven in de dagvaarding” te betalen) veeleer volgt dat het gaat om een vordering van € 3.725,--. [X.] is niet ingegaan op dit punt.

[X.] heeft niets vermeld omtrent haar financiële situatie in de Filippijnen, met name niet of zij daar enige grond en/of woning in eigendom heeft. Gelet op het verweer van ING Schadeverzekering en de opmerkingen daarover van de rechtbank had [X.] daar in ieder geval in hoger beroep enige duidelijkheid over dienen te verschaffen.

Uit het voorgaande valt naar het oordeel van het hof niet af te leiden dat [X.] in een zodanig slechte financiële situatie verkeert dat zij geen zekerheid kan stellen voor een bedrag van € 7.500,--. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat het bedrag van € 6.418,46 is opgegaan aan allerlei kleine uitgaven, zoals [X.] heeft gesteld.

De door [X.] overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2005 leidt gelet op de summiere inhoud daarvan niet tot enige wijziging in dit standpunt.

4.5.3 Nu uit hetgeen [X.] heeft aangevoerd niet de conclusie valt te trekken noch anderszins aannemelijk is geworden dat zij niet in staat is om voor een bedrag van € 7.500,-- zekerheid te stellen, zal het hof [X.] niet in de gelegenheid stellen bewijs van deze stelling te leveren. Voorts geldt dat de rechter ten aanzien van een vordering als de onderhavige – een provisionele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening – niet gehouden is om bewijslevering te gelasten. Gelet hierop is niet aannemelijk geworden dat zich de uitzonderingssituatie voordoet als bedoeld in artikel 224 lid 2 sub d Rv.

Grief 2 faalt derhalve.

4.6 In het spoor van de voorgaande grieven faalt grief 3. Het hof zal derhalve de beroepen vonnissen bekrachtigen.

4.7 Nu de grieven falen zal het hof [X.] veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Middelburg van 1 oktober 2008, 25 maart 2009 en 23 september 2009;

veroordeelt [X.] in de kosten van dit hoger beroep, welke kosten het hof aan de zijde van ING Schadeverzekering begroot op € 1.745,-- voor verschotten en € 1.631,-- voor salaris advocaat;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. T. Rothuizen-van Dijk, M. Beekhoven van den Boezem en L.R. van Harinxma thoe Slooten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 juli 2011.