Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR3896

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-07-2011
Datum publicatie
02-08-2011
Zaaknummer
200.085.353-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verklaring van rechtsvermoeden van overlijden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 20 juli 2011

Zaaknummer : 200.085.353/01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 10-2193

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. E.A. Slappendel te Gouda.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [de moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

2. [de broer],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de broer.

Op grond van het bepaalde in artikel 44 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

het Ressortsparket van het openbaar ministerie in het arrondissement ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: het openbaar ministerie.

HET PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De belanghebbende is op 8 april 2011 in hoger beroep gekomen van een beschik¬king van

12 januari 2011 van de rechtbank Rotterdam.

Van de zijde van het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de advocaat-generaal mr. E.A. Wösten, is op 23 juni 2011 een faxbericht ingekomen, met als bijlage een conclusie in de zaak, en met de mededeling dat de advocaat-generaal niet ter terechtzitting aanwezig zal zijn.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de belanghebbende:

- op 20 april 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 27 april 2011 een brief van 26 april 2011 met bijlage;

- op 10 juni 2011 een brief van diezelfde datum;

- op 22 juni 2011 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage.

De zaak is op 29 juni 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting was aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

De moeder en de broer zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van 1 oktober 2010 van de rechtbank Rotterdam en de bestreden beschikking.

Bij de beschikking van 1 oktober 2010 is de vader gelast de vermiste [de vermiste], geboren [in 1978] te [geboorteplaats], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (verder: de vermiste), bij openbare dagvaarding, lopende op een termijn van tenminste een maand, op te roepen te verschijnen ter terechtzitting met gesloten deuren van de rechtbank te Rotterdam op woensdag 15 december 2010 te 11.45 uur. Voorts is bepaald dat deze oproeping dient te geschieden bij exploit uiterlijk op 12 november 2010 uit te brengen en op de voet van het bepaalde in artikel 54, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en aan te kondigen in het AD Rotterdams Dagblad. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de vader, ertoe strekkende te verklaren dat het rechtsvermoeden bestaat dat de vermiste is overleden, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De vader verzoekt, na wijziging, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (het hof begrijpt:) te verklaren dat er rechtsvermoeden van overlijden van de vermiste bestaat.

2. Het openbaar ministerie heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende, het verzoek om een verklaring af te geven van vermoedelijk overlijden van de vermiste, toe te wijzen.

3. De vader stelt zich in zijn drie grieven op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte het verzoek te verklaren dat rechtsvermoeden bestaat dat de vermiste is overleden, heeft afgewezen. Hij voert daartoe – kort samengevat – het volgende aan. In de woning van de vermiste was op diverse plekken brand gesticht en er zijn sporen aangetroffen die een misdrijf aannemelijk maken. De vermiste is bij deze brand gewond geraakt en heeft waarschijnlijk de dood gevonden. Dat de rechtbank heeft aangenomen dat de vermiste vlak voor zijn verdwijning een bedrag van € 30.000,- als totaalbedrag heeft opgenomen, is onjuist. Het onderzoeksteam van de politie heeft vastgesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat de vermiste na de verdwijning nog contact had met, voor het onderzoeksteam, bekende personen. Het paspoort van de vermiste lag nog in de woning. De vader stelt belang te hebben bij een verklaring van overlijden, in aanmerking nemende dat hij de zorg dient te dragen voor – onder meer – de afwikkeling van de financiën van de vermiste.

4. Het openbaar ministerie heeft geconcludeerd dat de grieven van de vader gedeeltelijk gegrond zijn. Er kan worden gesteld dat de in het proces-verbaal van bevindingen van 30 juni 2010 van de politie Rijnmond genoemde sporen voldoende houvast geven om aan te nemen dat de vermiste betrokken was bij een misdrijf in zijn woning en dat hij hierbij gewond is geraakt. Dat de vermiste hierbij de dood heeft gevonden, acht het openbaar ministerie een te vergaande conclusie. De sporen van een misdrijf in de woning van de vermiste, het feit dat zijn bloed in het huis op meerdere plaatsen is aangetroffen, het feit dat hij (als sociaal persoon die iedere dag met zijn moeder sprak) geen enkel contact meer heeft opgenomen, de omstandigheid dat zijn paspoort nog in de woning lag en het feit dat er nooit meer opnames zijn geweest van zijn bankrekening, doen het OM concluderen dat de vermissing uit niets anders kan worden verklaard dan door de zeer waarschijnlijke dood van de vermiste. Gelet op het tijdsverloop van meer dan één jaar kan het verzoek tot afgifte van een verklaring van vermoedelijk overlijden worden toegewezen.

5. Het hof stelt voorop dat indien het bestaan van een persoon onzeker is en een termijn van vijf jaar na het vertrek van de vermiste of sinds de laatste tijding van zijn leven is verlopen ingevolge artikel 1:413, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW), belanghebbenden de rechter kunnen verzoeken hen te gelasten de vermiste op te roepen ten einde van zijn in leven te doen blijken. Voorts kunnen zij, indien hiervan niet blijkt, de rechter verzoeken te verklaren dat er rechtsvermoeden van overlijden van de vermiste bestaat. Ingevolge het bepaalde in het tweede lid, sub b, van voormeld artikel, wordt deze termijn verkort tot een jaar, indien de betrokkene gedurende die periode wordt vermist en de omstandigheden zijn dood waarschijnlijk maken.

6. Het hof stelt, op basis van de processen-verbaal van bevindingen, van de politie Rotterdam-Rijnmond van 30 juni 2010 en 7 juli 2010, het volgende vast. De vermiste is op 9 september 2008 verdwenen. Van die dag zijn er beelden beschikbaar van een beveiligingscamera van een tankstation waarop te zien is dat de vermiste gebruik maakte van een, door hem gehuurde, zwarte Volkswagen Golf. In de woning van de vermiste is op diverse plekken brand gesticht en zijn sporen aangetroffen die een misdrijf zeer aannemelijk maken. In de woning werd, onder andere, een huls aangetroffen en op de trap werd een bloedspoor aangetroffen. Uit DNA-onderzoek is gebleken dat dit bloed met een grote mate van waarschijnlijkheid van de vermiste afkomstig is. De vermiste had dagelijks contact met zijn moeder. Na 9 september 2008 is er geen contact geweest tussen de vermiste en zijn moeder. Er hebben zich ook geen andere personen bij de politie gemeld die na 9 september 2008 contact hebben gehad met de vermiste. Voorts zijn er na 9 september 2008 geen contacten meer geweest via de mobiele telefoons van de vermiste. Tevens is niet gebleken dat er transacties hebben plaatsgevonden op de (bij de politie bekende) bankrekeningen van de vermiste. De voormelde Volkswagen Golf is na 9 september 2008 nergens meer gezien of aangetroffen.

Verder blijkt uit de door de vader overgelegde stukken naar het oordeel van het hof, anders dan de rechtbank heeft overwogen, voldoende dat de vermiste niet kort voor zijn vermissing € 30.000,- heeft opgenomen, maar reeds een langere periode voorafgaand aan zijn vermissing diverse bedragen leende met een totaal van € 30.000,-.

7. Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat het bestaan van de vermiste onzeker is geworden. Met de vader en het Openbaar Ministerie is het hof voorts van oordeel dat de voornoemde omstandigheden de dood van de vermiste waarschijnlijk maken.

8. Dit brengt met zich mee dat in de onderhavige situatie is voldaan aan de vereisten van artikel 1:413, eerste lid, in verbinding met het tweede lid, sub b, BW, zodat de termijn waarbinnen een verzoek om een verklaring kan worden ingediend dient te worden verkort tot een jaar. Het verzoek van de vader is dan ook voor toewijzing vatbaar, zodat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen.

9. Het hof ziet geen aanleiding om nogmaals een oproeping van de vermiste te gelasten, nu de vermiste reeds in eerste aanleg is opgeroepen en deze oproeping vruchteloos is gebleken. Daar komt bij dat ook het justitiële onderzoek in Nederland en het internationaal doen laten signaleren van de vermiste door het onderzoeksteam van de politie, geen aanwijzingen hebben opgeleverd dat de vermiste nog in leven is.

10. Gelet op het vorenstaande behoeft het bewijsaanbod van de vader geen nadere bespreking.

11. Het hof zal als volgt beslissen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

verklaart voor recht dat er rechtsvermoeden bestaat dat [de vermiste], geboren [in 1978] te [geboorteplaats], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats], op 10 september 2008 is overleden;

draagt de griffier op, nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van Rotterdam.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan-Boerdijk, Van Leuven en Pijls-olde Scheper, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 juli 2011.