Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR3877

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
02-08-2011
Zaaknummer
200.066.990-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding en bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ingediend in 2008 en betrekking hebbende op periodes 1995-1997 en 2000 tot 2006, wordt niet toewijisbaar geacht. Man heeft geen enkele aanvaardbare reden opgegeven om tot medio 2008 te wachten. Verweerders hadden in redelijkheid geen rekening met verlaging/terugvordering hoeven houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 23 maart 2011

Zaaknummer : 200.066.990/01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 08-921

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. H.J. van Smaalen te Rotterdam,

tegen

1. [de moeder],

hierna te noemen: de vrouw,

2. [de dochter 1],

hierna te noemen: [de dochter 1],

3. [de zoon],

hierna te noemen: [de zoon],

allen wonende te [woonplaats],

verweerders in hoger beroep,

hierna gezamenlijk te noemen: de verweerders,

advocaat mr. W.H. Benard te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 31 mei 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 2 maart 2010 van de rechtbank Rotterdam.

De verweerders hebben op 18 augustus 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 7 juli 2010 aanvullende stukken ingekomen.

Op 13 januari 2011 is de zaak, tezamen met de zaak met zaaknummer 200.074.839/01, mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, de vrouw en [de zoon], bijgestaan door hun advocaat en de hierna te noemen [dochter 2]. [de dochter 1] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities. De man heeft ter terechtzitting zijn beroep gewijzigd zoals vermeld in rechtsoverweging 3. Het hof heeft ter zitting partijen in de gelegenheid gesteld om nog nader met elkaar in overleg te treden.

Nadien is van de zijde van de vader op 14 februari 2011 een faxbericht ingekomen waarin is bericht dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad - de hierna te melden beschikking van 9 juni 1992 gewijzigd, in die zin dat de daarbij aan de man opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon], welke bijdrage sinds 13 oktober 2005 geldt als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie, wordt bepaald op nihil voor de periode van 15 oktober 2007 tot 15 augustus 2008. Het overige door de man verzochte met betrekking tot nihilstelling van de kinderbijdrage is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. Onder meer staat het volgende vast:

- De man en de vrouw zijn de ouders van:

1. [de dochter 1], geboren [in 1986];

2. [de zoon], geboren [in 1987];

3. [de dochter 2], geboren [in 1989], hierna: [dochter 2],

hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.

- Bij beschikking van 9 juni 1992 van de rechtbank Rotterdam is, voor zover van belang, bepaald dat de man met ingang van 1 november 1992 fl. 100,- per kind zal uitkeren.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In hoger beroep is in geschil de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) van de kinderen en de door de man aan [de dochter 1] en [de zoon] te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie over de periode van 1 september 1995 tot 30 april 1997 en de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2005.

2. Nu [dochter 2] in de periode die in geschil is nog minderjarig was, is zij door de man ten onrechte aangemerkt als procespartij.

3. De man verzoekt, na vermindering van zijn verzoek ter terechtzitting, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin zijn verzoek tot nihilstelling van de kinderalimentatie over de periode van 1 september 1995 tot 30 april 1997 en 1 januari 2000 tot en met 31 december 2005 is afgewezen en, opnieuw beschikkende, dit verzoek alsnog toe te wijzen.

4. De verweerders bestrijden het beroep en verzoeken primair om de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, subsidiair zijn verzoek in hoger beroep af te wijzen en hem te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Ontvankelijkheid

5. De verweerders hebben zich in hun verweerschrift op het standpunt gesteld dat de man niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep omdat de omschrijving van zijn verzoek en de gronden waarop het verzoek berust niet duidelijk zijn.

6. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 359 in verbinding met artikel 278, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient het appelschrift, onder meer, een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop dit berust te vermelden. Naar het oordeel van het hof voldoet het door de man ingestelde beroepschrift aan deze vereisten. Daar komt bij dat de man ter terechtzitting een nadere toelichting heeft gegeven. Het hof gaat dan ook voorbij aan het verweer van de verweerders dat de man niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep.

Draagkracht van de man

7. De man voert aan dat hij in de periode van 1 september 1995 tot 30 april 1997 een bijstandsuitkering heeft ontvangen, zodat hij in voormelde periode geen draagkracht had om de kinderalimentatie te voldoen. Voorts stelt de man dat hij in de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2005 onvoldoende draagkracht had om de bij beschikking van

9 juni 1992 bepaalde kinderalimentatie te voldoen.

8. De verweerders bestrijden de stellingen van de man, stellende dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat hij in voormelde periodes geen, althans onvoldoende, draagkracht had. Zij verwijzen daarbij naar het door hen ingediende verweerschrift bij de rechtbank waaruit valt af te leiden dat de man in genoemde periode inkomsten heeft ontvangen, al dan niet vanwege het verrichten van “zwart” werk. Voorts voeren de verweerders aan dat het op de weg van de man had gelegen om eerder een procedure te starten. Dat hij dit heeft nagelaten dient volledig voor zijn rekening te komen.

9. Het hof ziet aanleiding eerst het meest verstrekkende verweer van de verweerders te bespreken. Dit houdt in dat de omstandigheid dat de man heeft nagelaten eerder een procedure te starten voor rekening van de man komt.

10. Het hof stelt voorop dat de rechter in het algemeen behoedzaam gebruik dient te maken van zijn bevoegdheid de alimentatie over een periode in het verleden en dus met terugwerkende kracht te wijzigen vanwege de veelal ingrijpende gevolgen voor de onderhoudsplichtige of de onderhoudsgerechtigde. Vast staat dat de man al geruime tijd vóór de indiening van het wijzigingsverzoek (7 april 2008) op de hoogte was van de door hem aan zijn verzoekschrift ten grondslag gelegde wijzigingen aan zijn zijde. De man heeft gesteld dat hij na de echtscheiding (medio 1992) in een depressie is geraakt en dat een werkneemster van de gemeente Capelle aan den IJssel hem heeft meegedeeld dat de gemeente voor de nihilstelling van de alimentatie zou zorgdragen. Het hof gaat voorbij aan deze stellingen van de man als zijnde volstrekt onvoldoende onderbouwd. Immers, de man heeft ter ondersteuning van stellingen in het geheel niets overgelegd zoals medische verklaringen en/of een brief van de gemeente Capelle aan den IJssel. Integendeel, zijn stelling dat de gemeente zou zorg dragen voor nihilstelling en dat hij daar op mocht vertrouwen, wordt weerlegd door de navolgende feiten. Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (verder: het LBIO) heeft de verweerders bij brief van 6 maart 1995 bericht dat door de werkgever/uitkeringsinstantie van de man maandelijks een bedrag van fl. 714,12 zal worden ingehouden en afgedragen aan het LBIO. Voorts heeft het LBIO bij brief van 10 november 2000 bericht dat het beslag heeft gelegd onder de werkgever en dat vanaf december 2000 maandelijks een bedrag van fl. 733,84 zal worden ingehouden en afgedragen aan het LBIO. Daarnaast heeft het LBIO bij brief van 9 augustus 2005 bericht dat de man een betalingsvoorstel heeft gedaan. Uit voormelde brieven van het LBIO volgt dat de man in voormelde periodes er van op de hoogte was danwel op de hoogte moet zijn geweest dat, voor zover de gemeente Capelle aan den IJssel al zou hebben verklaard dat de gemeente zou zorg dragen voor nihilstelling – hetgeen de man in het geheel niet heeft aangetoond – zijn alimentatieplicht nog steeds bestond. Een verzoek tot nihilstelling lag derhalve op zijn weg.

11. Naar het oordeel van het hof heeft de man dan ook geen enkele aanvaardbare reden opgegeven om tot medio 2008 te wachten met het indienen van zijn wijzigingsverzoek. Naar het oordeel van het hof hadden de verweerders er in redelijkheid geen rekening mee behoeven te houden dat de man met terugwerkende kracht wijziging van de alimentatie zou verzoeken over de periode van 1 september 1995 tot 30 april 1997 en van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2005. Gelet op de vele pogingen die de verweerders hebben gedaan om via het LBIO de achterstallige alimentatie in te vorderen, kon de man er niet van uitgaan dat de verweerders zouden instemmen met het verzoek om nihilstelling zoals door hem ingediend.

12. Onder de hiervoor omschreven omstandigheden acht het hof de door de man eerst in april 2008 verzochte vermindering van de alimentatie met terugwerkende kracht met alle mogelijke gevolgen van dien niet toelaatbaar voor de verweerders, die er geen rekening mee behoefden te houden dat de man eerst in 2008 met terugwerkende kracht wijziging zou verzoeken over de periode van 1 september 1995 tot 30 april 1997 en van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2005.

13. Gelet op het vorenstaande behoeven de overige stellingen van partijen geen nadere bespreking, nu deze niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Het hof zal de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen bekrachtigen.

Proceskostenveroordeling

14. Het hof ziet geen aanleiding om de man te veroordelen in de kosten van de procedure en zal – zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard – de kosten compenseren. Het verzoek van de verweerders tot veroordeling van de man in de proceskosten, zal het hof dan ook afwijzen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, De Haan-Boerdijk en Stollenwerck, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 maart 2011.