Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR3780

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-06-2011
Datum publicatie
01-08-2011
Zaaknummer
200.048.808
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling gemeenschap. Beslissing wie welke schulden heeft te dragen. Verdeling inboedel. Ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid hypothecaire geldlening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.048.808/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 269213/HA ZA 06-2615

arrest van de familiekamer d.d. 7 juni 2011

inzake

[de man],

wonende te [gemeente],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. W.M. Smeets, te Hellevoetsluis,

tegen

[de vrouw],

wonende te [gemeente],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.J. Blaak-Looij, te Goes.

Het geding

1. Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

2. Bij exploot van 18 augustus 2009 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis van 20 mei 2009 van de rechtbank Rotterdam (hierna: het bestreden vonnis), gewezen tussen de man als eiser in conventie, tevens gedaagde in reconventie, en de vrouw als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie.

3. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank – uitvoerbaar bij voorraad - in conventie en in reconventie, de verdeling vastgesteld van de tussen partijen bestaande gemeenschap, te weten dat aan de vrouw worden toebedeeld:

- de hypothecaire lening naar de waarde van heden, zonder verrekening;

- de inboedelgoederen die zij thans in bezit heeft;

- de helft van het restant van de teruggaaf IB 2003: € 1.799,-;

- de helft van het restant van de teruggaaf IB 2004: € 746,-;

- terzake van de voorlopige teruggaaf € 644,-,

en dat aan de man worden toebedeeld:

- de lening bij de Interbank naar de waarde van heden, zonder verrekening;

- die inboedelgoederen die hij thans in bezit heeft;

- € 1.500, - terzake van onderbedeling van de inboedelgoederen.

Bepaald is dat partijen er voor zorg dienen te dragen dat zij over en weer worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van respectievelijk de man uit de aansprakelijkheid van de hypothecaire lening en de vrouw uit de aansprakelijkheid van de lening bij de Interbank.

De man is veroordeeld een bedrag van € 1.689,- aan de vrouw te voldoen.

De proceskosten tussen partijen zijn gecompenseerd.

Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

4. De man heeft ter rolzitting van 30 maart 2010 in zijn memorie van grieven, met bijgevoegd twaalf producties, acht grieven aangevoerd. De man vordert dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

a. De wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap zal vaststellen en

aan de vrouw zal toedelen:

- de inboedel van de woning, staande en gelegen aan de [adres] te [gemeente];

- het doorlopend krediet verstrekt door de IDM-bank (Interbank) onder nummer 746756909 evenals de hieraan gekoppelde overlijdensrisicoverzekering;

- de hypothecaire lening aangegaan bij de SNS-bank onder nummer 85.87.60.568 evenals de hieraan gekoppelde levensverzekering;

althans te bepalen dat de vrouw het doorlopend krediet en de hypothecaire geldlening voor haar rekening neemt en als eigen schuld voldoet zonder nadere verrekening met de man;

b. De vrouw zal veroordelen om aan de man te betalen een bedrag van € 5.000,- wegens overbedeling;

c. De vrouw zal veroordelen om aan de man te betalen een bedrag van € 27.209,26 wegens aan de IDM Bank (Interbank, hierna verder aan te duiden met: Interbank) vanaf 1 april 2005 tot en met 28 februari 2010 betaalde rente en vanaf dat tijdstip een bedrag van

€ 517,62 per maand aan rente op deze lening, zolang de man gedwongen is deze te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening;

d. De vrouw zal veroordelen om aan de man te betalen een bedrag van € 3.459,- wegens aan Interbank vanaf 1 april 2005 tot en met 28 februari 2010 betaalde premie en vanaf dat tijdstip een bedrag van € 51,- per maand aan premie op deze lening, zolang de man gedwongen is deze te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2010 tot aan die der algehele voldoening;

e. De vrouw zal veroordelen er binnen een maand na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, althans binnen een door het hof in goede justitie te bepalen termijn, voor te zorgen dat de SNS-bank en Interbank de man ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de door partijen aangegane leningen als hiervoor genoemd.

Indien blijkt dat de voornoemde banken dit weigeren de vrouw te gelasten de haar in eigendom toebehorende woning aan de [adres] te verkopen en uit de opbrengst de hypothecaire lening afgesloten bij de SNS-bank te voldoen, als ook het doorlopend krediet bij de IDM bank (Interbank);

Dit alles op straffe van een direct opeisbare en te verbeuren dwangsom van € 500,- per dag voor elke dag dat zij daarmee in gebreke blijft.

Subsidiair vordert de man nagenoeg hetzelfde als in zijn primaire vorderingen, met dien verstande dat de man ten aanzien van het doorlopend krediet en de hypothecaire geldlening (slechts) vordert dat de vrouw deze voor haar rekening neemt en als eigen schuld voldoet en dat hij het door hem aan de vrouw te betalen bedrag wegens overbedeling vanwege de toedeling van schulden (de helft van de schulden) mag verrekenen met het bedrag dat de vrouw aan hem is verschuldigd wegens de vermeerdering van haar privévermogen ten laste van zijn privévermogen (de helft van de door haar van Interbank en de SNS-bank ontvangen geldbedragen).

Tot slot vordert de man meer subsidiar een zodanige verdeling en/of een zodanig bedrag wegens over- c.q. onderbedeling en/of een zodanige vergoeding c.q. vergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking te bepalen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

In reconventie:

De vrouw alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen althans deze af te wijzen.

In conventie en in reconventie:

met veroordeling van de vrouw in de kosten in beide instanties.

5. De vrouw heeft ter rolzitting van 22 juni 2010 bij memorie van antwoord, onder het overleggen van twee producties (B en C) geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de man, althans tot verwerping van het beroep, met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties, deze kosten te verhogen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest althans na betekening van het arrest zullen zijn voldaan.

6. Ter rolzitting van 17 augustus 2010 heeft de man een akte uitlaten nieuwe producties wederpartij, tevens akte uitlaten nieuwe stellingen wederpartij tevens akte tot nader bewijsaanbod en in geding brengen stukken ingediend, vergezeld van negen producties.

7. Ter rolzitting van 2 november 2010 heeft de vrouw een antwoordakte ingediend, met bijgevoegd twee producties.

8. Tot slot hebben beide partijen hun procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

9. Tegen de feiten, zoals door de rechtbank vastgesteld onder 2 in het bestreden vonnis is niet opgekomen zodat het hof in dit hoger beroep van die feiten uitgaat.

10. Voorts, in aanvulling op hetgeen in het bestreden vonnis onder 2.4 is vermeld ten aanzien

van de samenlevingsovereenkomst die partijen op 6 juli 2001 zijn aangegaan, wordt hier de inhoud daarvan, voor zover ten deze van belang, weergegeven:

Artikel 4

1. Gedurende de samenleving bestaat tussen partijen een wederzijdse onderhoudsplicht wat betreft een bijdrage in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

Artikel 5

1. Tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden onder meer gerekend:

...

e.. de rente en andere kosten van geldleningen ter financiering van de gezamenlijk bewoonde woning en inboedel en van zaken aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding;

f. de aflossing van de geldleningen bedoeld sub e, indien de in dat onderdeel bedoelde zaken gemeenschappelijk eigendom zijn;

...

Artikel 7

...

4. De rente en kosten van geldleningen ter financiering van registergoederen worden

door partijen naar rato van de eigendom gedragen, tenzij partijen schriftelijk anders overeenkomen.

5. Indien door partijen een woning of een tweede woning gemeenschappelijk wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan zijn eigendomsaandeel in de koopsom en de kosten heeft betaald, voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij.

Deze vordering is opeisbaar bij vervreemding van de woning, bij beëindiging van deze overeenkomst, dan wel op een ander door partijen overeengekomen tijdstip. De vordering zal geen rente dragen.

...

Artikel 10

Partijen zijn verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen ten onrechte aan het vermogen van een partij is onttrokken ten behoeve van de andere partij ten bedrage van of naar de waarde van de dag van de onttrekking, tenzij een partij aannemelijk maakt dat en voor zover een bevoordelingbedoeling aanwezig was.

...

Artikel 18

Partijen verklaren dat zij de in deze akte vastgelegde vermogensrechtelijke gevolgen van de samenlevingsovereenkomst in het algemeen, alsmede het verblijvingsbeding in het bijzonder, mede beschouwen als voldoening aan een dringende verplichting van moraal en fatsoen ter verzorging van elkaar.

Zij komen overeen deze verplichting bij dezen om te zetten in een rechtens afdwingbare verbintenis van bovenstaande inhoud.

10. De eerste, tweede, vierde en vijfde grief lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

11. In zijn eerste grief voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de beide leningen bij helfte dienen te worden gedeeld. De hypothecaire lening bij de SNS Bank en de lening bij Interbank zijn weliswaar gezamenlijk aangegaan, maar de rechtbank heeft miskend dat uitsluitend de vrouw door deze beide leningen gebaat is geweest. Met het geld afkomstig uit deze leningen zijn haar schulden afgelost en zijn er investeringen gedaan in haar woning. Het vermogen van de vrouw is door die investeringen toegenomen. De man meent dat de beide leningen volledig voor rekening van de vrouw behoren te komen, zonder dat de man hiervoor een vergoeding aan de vrouw verschuldigd zal zijn. De man is voorts van mening dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. In zijn tweede grief voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vrouw niet aan de man behoeft te vergoeden hetgeen hij sedert 1 april 2005 aan rente heeft betaald aan Interbank. De man vermeerdert voorts zijn eis in die zin dat hij vordert de vrouw (tevens) te veroordelen tot vergoeding van de vanaf 1 april 2005 door de man betaalde premie.

Als wordt beslist dat de lening van Interbank aan de vrouw zal worden toegedeeld, dan behoort ook de aan de lening bij Interbank gekoppelde overlijdensrisicoverzekering (bedoeld zal zijn: het LevensPlan Risico, afgesloten bij Falcon Leven, toevoeging hof) aan de vrouw te worden toegedeeld, zo betoogt de man in zijn vierde grief. In de vijfde grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de liquidatie-uitkeringen die aan de vrouw zijn gedaan, niet meer van belang zijn, maar dat hij zich er in kan vinden dat deze buiten beschouwing worden gelaten indien hij per saldo niet meedeelt in de schulden.

12. De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De beide leningen behoren tot de (eenvoudige) gemeenschap en moesten worden verdeeld. De man wist dat de leningen werden aangewend tot verbetering van de woning en tuin die formeel in eigendom zijn van de vrouw. De man heeft er bewust voor gekozen medeverantwoordelijkheid te dragen. Dat met de nieuwe leningen aflossingen van leningen op naam van de vrouw hebben plaatsgevonden, betekent niet dat haar vermogen is toegenomen: er was sprake van het oversluiten van leningen. De schuldenlast werd hoger. De waarde van de woning is bovendien door de recessie en achterstallig onderhoud gedaald. Een deel van het geleende geld is tijdens de samenleving van partijen gezamenlijk opgesoupeerd en voor het overige heeft de man geprofiteerd van de op zijn initiatief gerealiseerde aanpassingen aan woning en tuin. Van ongerechtvaardigde verrijking is geen sprake. Mocht het hof de IDM-lening toedelen aan de vrouw, dan zal ook de bijbehorende overlijdensrisicoverzekering aan de vrouw moeten worden toegedeeld. Zij stelt voorts dat de man zal hebben te bewijzen welk bedrag hij aan premie heeft betaald.

13. Het hof oordeelt als volgt. Allereerst zij opgemerkt, dat schulden juridisch niet tot een gemeenschap kunnen behoren, en dat de vaststelling dat de gemeenschap een schuld omvat uitsluitend kan betekenen dat de schuld in de onderlinge verhouding tussen de deelgenoten door ieder van hen moet worden gedragen.

14. Vast staat dat de hypothecaire lening bij de SNS Bank en de lening bij Interbank door beide partijen zijn aangegaan. Tegen de toedeling van de hypothecaire lening bij de SNS-bank zonder verrekening aan de vrouw na het einde van de samenwoning is niet opgekomen. De vraag die nu aan het hof voorligt is, of ook de schuld aan Interbank aan de vrouw moet worden toegedeeld, in de zin dat de vrouw die schuld in de onderlinge verhouding tussen partijen als een eigen schuld zal voldoen zonder verrekening.

15. Het hof stelt voorop dat de lening bij Interbank is aangegaan nadat partijen een samenlevingsovereenkomst hebben gesloten. De uitleg van deze tussen partijen gesloten samenlevingsovereenkomst dient te geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Hierbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen in de overeenkomst mochten toekennen en aan hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Te denken valt aan de bewoordingen en context van de bepaling, de totstandkomingsgeschiedenis, aard en uitvoering van de overeenkomst, alsmede de hoedanigheid en deskundigheid van partijen.

16. Uit artikel 4 juncto artikel 5 van de samenlevingsovereenkomst blijkt dat gedurende de samenwoning tussen partijen een wederzijdse onderhoudsplicht bestond wat betreft een bijdrage in de kosten van de huishouding, waaronder vallen de rente en andere kosten van geldleningen ter financiering van de gezamenlijk bewoonde woning en voorts de aflossing van deze geldleningen indien de in dat onderdeel bedoelde zaken gemeenschappelijk eigendom zijn. Uit artikel 7 lid 4 samenlevingsovereenkomst volgt dat de rente en kosten van geldleningen ter financiering van registergoederen door partijen naar rato van de eigendom worden gedragen, tenzij partijen anders overeenkomen. Voorts volgt uit artikel 10 dat partijen verplicht zijn aan elkaar te vergoeden hetgeen ten onrechte aan het vermogen van een partij is onttrokken ten behoeve van de andere partij ten bedrage van of naar de waarde op de dag van de onttrekking. Voor het overige is blijkens artikel 1 van de samenlevingsovereenkomst uitgangspunt dat, voor zover niet uitdrukkelijk overeengekomen, partijen geen vermogensrechtelijke rechten ontlenen tegenover elkaar aan de enkele grond van de samenleving.

19. Naar het oordeel van het hof laten deze bewoordingen geen andere conclusie toe dan dat, nu sprake is van een door beide partijen aangegane lening bij Interbank, waarvan de gelden geheel althans grotendeels zijn aangewend voor de verbetering van een woning waarvan een van partijen eigenaar is, deze schuld na het einde van de samenwoning in de onderlinge verhouding geheel, althans grotendeels door laatstgenoemde, de vrouw, moet worden gedragen zonder verrekening. Het hof betrekt daarbij de omstandigheid dat in hoger beroep de toescheiding van de hypothecaire lening, waarvan de verstrekte gelden dezelfde bestemming hebben, namelijk het onroerend goed, zonder verrekening aan de vrouw niet in geschil is.

20. Verder stellen beide partijen dat zij in 2004 hebben doen onderzoeken of de schuld aan Interbank en de hypothecaire lening bij de SNS Bank in één hypotheek konden worden opgenomen op naam van de vrouw. Ook heeft de vrouw nog gesteld dat partijen aldus – het tezamen aangaan van leningen – hebben gehandeld vanuit de intentie om bij elkaar te blijven.

Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat de gedragingen van partijen er niet op wijzen dat het de bedoeling is geweest dat de schulden voor de woning van de vrouw ook na het einde van de samenwoning van partijen blijvend (deels) door de man zouden worden gedragen. Immers, de vrouw heeft reeds gedurende de samenwoning stappen gezet om te komen tot het op haar naam zetten van zowel de hypothecaire lening bij de SNS-bank als de lening van Interbank. Dat partijen de leningen op beider naam hebben gezet vanuit een intentie om bij elkaar te blijven doet hier niet aan af. Veeleer volgt daar uit dat, als die intentie niet langer wordt gerealiseerd omdat de samenwoning van partijen is verbroken, de vrouw niet heeft mogen verwachten dat de man dan draagplichtig zou blijven voor de gezamenlijke schulden. Het hof acht zulks ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid, omdat bij een voortbestaan van zijn draagplicht de man blijft meebetalen aan een aflossing van leningen, waardoor niet hij is gebaat, maar de facto enkel de vrouw.

21.Voor wat betreft de omvang van de schuld overweegt het hof als volgt. De hoofdsom van de lening bij Interbank bedroeg ten tijde van het uiteengaan van partijen per 1 april 2005 ruim € 60.000, -. Gedurende de samenleving is op deze schuld niet afgelost. De man stelt dat het bedrag volledig is besteed aan verbetering van de woning van de vrouw. Volgens de vrouw is een deel van de ter geldlening verstrekte bedragen door partijen gezamenlijk opgesoupeerd. In het taxatierapport van Fonk Makelaardij BV te Hellevoetsluis is bepaald dat door de investeringen in de woning gedurende de samenleving de waarde van de woning op 1 april 2005 € 20.672,- hoger is geworden dan zij zonder deze investeringen zou zijn geweest. Nu is het een feit van algemene bekendheid dat niet ieder geïnvesteerd bedrag zich in een waardestijging voor een gelijk bedrag uit, maar de bepaalde waardestijging doet zonder nadere onderbouwing, welke ontbreekt, vermoeden dat een bedrag in de orde van grootte van de helft/eenderde van het geleende voor andere doeleinden is aangewend, zodat de man daarvan gedurende de samenwoning ook heeft geprofiteerd. De man heeft voorts een aantal jaren feitelijk geprofiteerd van de verbeteringen en van de omstandigheid dat die, doordat geleend geld is aangewend, niet zijn bekostigd uit de gelden ten behoeve van de huishouding. Tegen die achtergrond oordeelt het hof dat het uitgangspunt moet zijn dat de lening in de onderlinge verhouding tussen partijen merendeels door de vrouw moet worden gedragen, zonder verrekening.

22.Voor wat betreft de onderlinge verdeling overweegt het hof als volgt. Niet in geschil

is dat de man sedert het uiteengaan van partijen per 1 april 2005 de maandelijkse rente heeft betaald (€ 517,- per maand) evenals de premie bij Falcon (aanvankelijk

€ 82,- per maand, vervolgens € 51,- per maand). De vrouw heeft daaraan vanaf 1 april 2005 niet betaald. In het licht van het uitgangspunt dat de lening (zowel rente als aflossing) in de onderlinge verhouding tussen partijen merendeels door de vrouw moet worden gedragen is duidelijk dat de man de afgelopen jaren ook rente heeft betaald over het (overgrote) deel van de lening dat door de vrouw moet worden gedragen. Daarnaast heeft hij rente betaald over het deel van de lening dat door hem moet worden gedragen. De man heeft dusdoende een aanzienlijke vordering op de vrouw opgebouwd. Tegen die achtergrond komt het het hof redelijk voor dat de schuld aan Interbank per datum van deze beschikking alsnog volledig door de vrouw zal worden gedragen, zowel voor wat betreft de aflossing van de hoofdsom als de rentebetalingen, zonder verrekening. Hetgeen de man over de afgelopen jaren heeft betaald, waarbij het hof ook de betaling ter zake de premies voor Falcon leven betrekt, kan worden beschouwd als de betaling van rente over zijn deel van de schuld en – in de onderlinge verhouding tussen partijen – als aflossing van zijn aandeel in de schuld, zodat per saldo over en weer geen vordering terzake van de verdeling van deze draagplicht resteert.

23. Het vorenstaande leidt er toe, dat de eerste grief van de man slaagt en dat het hof zal bepalen dat de schuld aan Interbank in de interne verhouding tussen partijen vanaf 1 juni 2011 geheel voor rekening van de vrouw komt. Naar het oordeel van het hof vloeit daaruit voort dat ook de vierde grief slaagt en het Falcon Leven Plan, gekoppeld aan de geldlening bij de Inter Bank, eveneens per 1 juni 2011 aan de vrouw zal worden toegedeeld. Beide partijen gaan daar volgens hun stellingen ook van uit. Gesteld noch gebleken is dat een tenaamstelling van het Leven Plan Risico op naam van de vrouw niet mogelijk zou zijn. Het hof merkt op dat de toedeling beide delen van de polis betreft. De tweede grief van de man wordt gepasseerd.

24. Bij de vijfde grief heeft de man dan geen belang meer, gelet op hetgeen hij in deze grief naar voren brengt. De man stelt dat de vrouw zich met drie liquidatie-uitkeringen zou hebben verrijkt. De hypothecaire schuld waarop de vrouw deze uitkeringen in mindering had kunnen brengen, daar waren de uitkeringen voor bedoeld, is echter aan de vrouw toegedeeld. Het is dan ook de vrouw die met een hogere hypothecaire lening geconfronteerd blijft en niet de man. Deze grief faalt derhalve.

Inboedel

25. In de zesde grief voert de man aan dat de rechtbank de waarde van de inboedel ten

onrechte heeft vastgesteld op “het gebruikelijke forfaitaire” bedrag van € 5.000,- in plaats van de door de man gestelde € 10.000,- en het bedrag dat de vrouw aan de man uit hoofde van overbedeling verschuldigd is, heeft gesteld op slechts € 15.000,-. De inboedel is nagenoeg geheel bij de vrouw achtergebleven en deze was € 10.000,- waard. Bij een waarde van € 5.000,- had de man een bedrag van € 2.500,- moeten ontvangen.

26. De vrouw heeft de grief van de man betwist.

27. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist, een bedrag van € 5.000,- voor de inboedel in aanmerking te nemen. De rechtbank heeft overwogen dat onduidelijk is gebleven welke goederen de man, dan wel de vrouw heeft gekregen dan wel behouden. De man heeft in hoger beroep niets aangevoerd dat deze duidelijkheid alsnog kan verschaffen. Weliswaar legt de man nog enkele facturen over van aankopen van inboedelzaken, maar, nog daargelaten dat ook de waarde van die zaken door tijdsverloop zal zijn gedaald, zegt dat niets over wat de een heeft behouden dan wel de ander heeft meegenomen en wat de waarde daarvan is. Vast staat dat de man zaken heeft meegenomen zodat de rechtbank terecht niet een bedrag wegens overbedeling van € 2.500,- heeft bepaald. Deze grief van de man faalt dan ook.

Belastingteruggaven

28. In zijn zevende grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte de vorderingen van de vrouw in reconventie deels heeft toegewezen. Hij kan zich, zo begrijpt het hof, wel verenigen met het delen met de vrouw van de door hem na beëindiging van de samenleving ontvangen belastingteruggaven over de jaren 2003 en 2004, maar stelt dat ook de vrouw haar belastingteruggaven over die jaren met hem moet delen. Voorts kan hij zich niet verenigen met de door de rechtbank opgelegde verplichting, ook de teruggaven wegens hypotheekrenteaftrek van na 1 april 2005 aan de vrouw terug te betalen.

29. De vrouw heeft de grief betwist.

30. Het hof overweegt dat de rechtbank terecht heeft beslist dat de belastingteruggaven over de periode dat partijen nog samenwoonden, moeten worden gedeeld. De vrouw heeft echter niet gesteld dat zij over de jaren 2004 en 2005 geen aangifte Inkomstenbelasting heeft ingediend. Zij volstaat met te stellen dat zij geen belastingrestituties heeft ontvangen. Het had op de weg van de vrouw gelegen daaromtrent opheldering te verschaffen en haar stelling met stukken te onderbouwen Nu de vrouw dit heeft nagelaten zal het hof beslissen dat de man alleen de helft van de teruggave over het jaar 2003 aan de vrouw behoeft te voldoen, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 1.799,-. In zoverre slaagt deze grief van de man dan ook. De man heeft over de hoogte van dit bedrag niet gegriefd.

Ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid

31. In zijn achtste grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat partijen ervoor zorg dienen te dragen dat zij over en weer worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening en de geldlening bij de Interbank, waar het betreft de mogelijkheden van de man om de vrouw te doen ontslaan uit de aansprakelijkheid van de lening bij de Interbank. De man is daartoe niet in staat omdat de bank dat niet zal toestaan. De man benut zijn verdiencapaciteit reeds volledig.

32. De vrouw voert gemotiveerd verweer waarop hierna waar nodig zal worden ingegaan.

33. Het hof overweegt dat de vrouw het niet in haar macht heeft om af te dwingen dat de SNS-bank en de Interbank de man zullen ontslaan van zijn aansprakelijkheid voor de leningen. Van de vrouw mag wel worden verwacht dat zij zich daartoe tot het uiterste inspant. Op verlangen van de man zal zij, indien een ontslag niet kan worden bewerkstelligd, hebben aan te tonen, welke inspanningen zij heeft verricht om het genoemde ontslag te realiseren. Om die reden passeert het hof deze grief en zal ook het verzoek van de man, tot het verbinden van een dwangsom aan deze verplichting, worden afgewezen.

34. Het hof zal het verzoek van de man, inhoudende dat, indien blijkt dat de banken weigeren de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan, de vrouw zal worden gelast de haar in eigendom toebehorende woning aan de Dreef 92 te verkopen teneinde beide leningen af te lossen, afwijzen. Het hof is van oordeel dat het aan de vrouw is welke stappen zij moet ondernemen om de man uit de hoofdelijkheid te ontslaan en zal niet treden in het eigendomsrecht van de vrouw op die woning. Het hof merkt daarbij op dat ingevolge deze uitspraak de man ter zake van eventuele door hem na 1 juni 2011 gedane betalingen aan Interbank en/of Falcon-leven een regresvordering op de vrouw verkrijgt met alle gevolgen van dien.

35. De negende grief van de man mist zelfstandige betekenis zodat het hof daaraan voorbijgaat.

Wettelijke rente

36. De vordering van de man, de vrouw te veroordelen tot betaling van wettelijke rente

met ingang van de dag der dagvaarding in eerste aanleg, respectievelijk met ingang van 30 maart 2010 zal worden afgewezen. De verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap wordt eerst nu (definitief) vastgesteld. Voorts vloeit uit het vorenoverwogene voort dat zonder verrekeningen de schuld aan Interbank en het Falcon Leven Plan (de overlijdensrisicoverzekering) aan de vrouw zullen worden toegedeeld.

Bewijsaanbod

37. Beide partijen hebben een bewijsaanbod gedaan. Het hof zal dit van ieder van hen

passeren omdat, nog daargelaten of dit tot een beslissing in de zaak zou leiden, dit onvoldoende gespecificeerd is.

Proceskosten

38. De vorderingen van partijen over en weer, de andere partij in de proceskosten te veroordelen, worden afgewezen. Partijen zijn gewezen levensgezellen. Het hof ziet geen grond om van af te wijken van de ten deze gebruikelijke compensatie van kosten.

39. Mitsdien wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarin is beslist over de toedeling van de lening bij Interbank en het Levensplan Risico bij Falcon Leven, het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, de rente- en premiebetalingen door de man en de teruggaven Inkomstenbelasting en, opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de vrouw de schuld aan Interbank onder nummer 746756909 met ingang van 1 juni 2011 geheel voor haar rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen, zonder verrekening met de man;

bepaalt dat de vrouw zich zal inspannen het ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze lening en voor de hypothecaire lening bij de SNS-bank onder nummer 85.87.60.568 te realiseren;

bepaalt dat per 1 juni 2011 aan de vrouw wordt toegedeeld het Levensplan- Risico bij Falcon Leven onder polisnummer 3918084, zonder verrekening van de waarde met de man;

bepaalt dat de man aan de vrouw een bedrag van € 1.799,- dient te voldoen vanwege teruggaven Inkomstenbelasting en wijst het te dezer zake meer of anders gevorderde af;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Kamminga, Van Dijk en Mink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juni 2011 in aanwezigheid van de griffier.