Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR3529

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-05-2011
Datum publicatie
02-08-2011
Zaaknummer
200.076.119-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag, hoofdverblijf en toestemming om naar het buitenland te verhuizen in het kader van de echtscheiding.

Vermeerdering van verzoeken in hoger beroep inzake gezag toegestaan; aanvulling bestreden beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 11 mei 2011

Zaaknummer : 200.076.119/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-7297

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E.S. Florijn te Vught,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker in hoger beroep

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.K.E. van Herk te Amsterdam.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden Zuid-Holland Noord,

locatie Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 27 oktober 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 28 juli 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De man heeft op 27 december 2010 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vrouw heeft op 7 februari 2011 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 11 november 2010 een brief van 10 november 2010 met bijlagen;

- op 22 maart 2011 een brief van 20 maart 2011 met bijlagen (per faxbericht ingekomen op 21 maart 2011);

van de zijde van de man:

- op 8 maart 2011 een faxbericht;

- op 10 maart 2011 een brief van dezelfde datum met bijlagen;

- op 21 maart 2011 een brief van 17 maart 2011 met bijlagen.

De zaak is op 31 maart 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, alsmede bijgestaan door mevrouw N. Bogh, tolk in de [buitenlandse] taal;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De advocaat van de man heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts is, uitvoerbaar bij voorraad, de hoofdverblijfplaats van de na te noemen minderjarigen bij de vrouw bepaald. Het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming, om zich tezamen met de hierna te noemen minderjarigen in [het buitenland] te vestigen, is afgewezen.

.

Voorts heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de volgende contactregeling tussen de man en de hierna nader te noemen minderjarige [de minderjarige] vastgesteld:

- iedere woensdag van 09.00 uur tot 19.00 uur, en met ingang van 16 augustus 2010 iedere woensdag na schooltijd tot 19.00 uur, waarbij de man [de minderjarige] van school haalt en hem om 19.00 uur bij de vrouw terugbrengt;

- een weekend per veertien dagen van zaterdag 09.30 uur tot zondag 19.00 uur, waarbij de vrouw [de minderjarige] naar de man brengt en de man hem naar de vrouw terugbrengt;

- één week in de herfstvakantie, één week in de kerstvakantie, één week in het voorjaar en drie weken in de zomervakantie (waarvan twee aaneengesloten), waarbij de vrouw [de minderjarige] naar de man brengt en de man hem naar de vrouw terugbrengt.

Tussen de man en de hierna nader te noemen minderjarige [de minderjarige sub 2] heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de volgende contactregeling vastgesteld:

- gedurende de eerste twee maanden na de bestreden beschikking op woensdag van 14.00 uur tot 19.00 uur, alsmede eenmaal per veertien dagen (in hetzelfde weekend dat [de minderjarige] bij de man is) op zondag van 14.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de vrouw [de minderjarige sub 2] naar de man brengt en de man haar naar de vrouw terugbrengt;

- de twee daarop volgende maanden op woensdag van 09.00 uur tot 19.00 uur, alsmede eenmaal in de veertien dagen (in hetzelfde weekend dat [de minderjarige] bij de man is) op zondag van 09.30 uur tot 19.00 uur, waarbij de vrouw [de minderjarige sub 2] naar de man brengt en de man haar naar de vrouw terugbrengt;

- vanaf de daarop volgende maand op woensdag van 09.00 uur tot 19.00 uur, alsmede eenmaal in de veertien dagen van zaterdag 09.30 uur tot zondag 19.00 uur, waarbij de vrouw [de minderjarige sub 2] naar de man brengt en de man haar naar de vrouw terugbrengt;

- alsmede vanaf de vijfde maand na deze beschikking: één week in de herfstvakantie, één week in de kerstvakantie (waarvan twee aaneengesloten), één week in het voorjaar en drie weken in de zomervakantie (waarvan twee aaneengesloten), waarbij de vrouw [de minderjarige sub 2] naar de man brengt en de man haar naar de vrouw terugbrengt.

De rechtbank heeft, uitvoerbaar bij voorraad, een informatieregeling vastgesteld voor het door de vrouw aan de man verschaffen van informatie over de minderjarigen.

Tevens heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de nader te noemen minderjarige [de minderjarige] onderwijs dient te volgen aan de [naam van de school].

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. In hoger beroep is komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking [in] 2010 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn:

- het gezag ten aanzien van de minderjarigen:

- [de minderjarige] [de minderjarige sub 1], geboren [in] 2006 te [woonplaats], en

- [de minderjarige sub 2] [de minderjarige sub 1], geboren [in] 2009 te [woonplaats] (hierna gezamenlijk: de minderjarigen of de kinderen),

- het verzoek tot vervangende toestemming voor het verhuizen van de vrouw en de minderjarigen (primair naar [het buitenland], subsidiair naar een plaats waar ook in Nederland),

- de contactregeling tussen de man en de minderjarigen (co-ouderschap),

- de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarigen, hierna ook: kinderalimentatie,

- en de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, hierna ook: partneralimentatie.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende:

- haar bij gebreke van toestemming van de man vervangende toestemming te verlenen om zich tezamen met de minderjarigen in [het buitenland] te vestigen;

- te bepalen dat zij alleen het gezag over de minderjarigen uit zal oefenen;

subsidiair:

- te bepalen dat de man gehouden is tot betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) van € 300,- per maand per kind;

- te bepalen dat de man gehouden is tot betaling van een uitkering tot levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) van € 2.000,- per maand;

- te bepalen dat zij gerechtigd is om zich tezamen met de minderjarigen waar ook in Nederland te vestigen zolang zij alhier dient te verblijven casu quo bij gebreke van toestemming van de man daarvoor vervangende toestemming te verlenen;

- voor het overige alle door de man gedane verzoeken af te wijzen.

3. De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in hoger beroep, althans die verzoeken af te wijzen, behoudens, voorwaardelijk, ten aanzien van de verzochte kinderalimentatie in het geval er tussen de man en de minderjarigen geen co-ouderschap wordt bepaald.

In incidenteel appel verzoekt de man de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen, voor zover deze de contactregeling tussen de man en de minderjarigen betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende, primair te bepalen dat de minderjarigen om de week bij hem verblijven van maandag uit school tot de volgende maandag naar school. Subsidiair verzoekt de man de minderjarigen bij zich te mogen hebben eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school, plus iedere woensdag van 09.00 uur tot – bij voorkeur – vrijdagochtend naar school, maar in ieder geval tot donderdagochtend naar school. Meer subsidiair verzoekt de man een uitgebreidere regeling te treffen dan door de rechtbank is vastgesteld en die het hof redelijk voor komt. De man verzoekt voor alle vorenomschreven gevallen de contactregeling gedurende de vakanties te handhaven, met de bepaling dat de keuze voor de vakantieperioden in de oneven jaren bij de man berust en in de even jaren bij de vrouw. Voorts verzoekt de man handhaving van de regeling omtrent het halen en brengen van de minderjarigen.

4. De vrouw verzet zich daartegen en verzoekt, de verzoeken van de man af te wijzen.

Gezag

5. De vrouw verzoekt haar met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen te belasten. Zij legt aan haar verzoek ten grondslag dat de man kennelijk niet in staat en/of bereid is met haar te communiceren. De vrouw had de hoop dat de crossborder mediation die onder begeleiding van twee deskundigen tussen partijen heeft plaatsgevonden tot meer wederzijds begrip zou leiden maar de verwijten van de man ná de mediation hebben volgens de vrouw tot een zodanige communicatiestoornis tussen partijen geleid dat het gevaar bestaat dat de kinderen bij voortduring van het gezamenlijk gezag klem of verloren dreigen te raken.

6. De man verzet zich tegen de vermeerdering door de vrouw van haar verzoek omdat hij vindt dat hij daardoor in zijn procesbelang wordt geschaad. Bovendien is er volgens de man geen enkele reden om de vrouw met het eenhoofdig gezag over de kinderen te belasten. De man vindt de onderbouwing die de vrouw aan haar verzoek ten grondslag legt kwetsend. Het is juist de vrouw die weigert om met hem te communiceren en om hem op de hoogte te houden over het wel en wee van de kinderen. De vrouw mag in ieder geval niet voor haar houding worden beloond. Primair stelt de man dan ook dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek, subsidiair dat het verzoek van de vrouw afgewezen moet worden.

7. Het hof is van oordeel dat een vermeerdering van de verzoeken, zoals door de vrouw gedaan, is toegestaan. De (gronden voor) de vermeerdering van de verzoeken zijdens de vrouw zijn opgenomen in het beroepschrift, zodat deze vermeerdering tijdig is gedaan. Bovendien is het in echtscheidingsgedingen toegestaan, ook in hoger beroep nog nevenvoorzieningen te verzoeken. De man heeft zich daartegen kunnen verweren, zoals hij ook heeft gedaan, zodat hij naar het oordeel van het hof niet in zijn verdediging is geschaad.

8. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof niet gebleken dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarigen tussen de man en de vrouw klem of verloren zullen raken ten gevolge van het feit dat de man en de vrouw gezamenlijk het gezag over de minderjarigen uitoefenen. Het wordt in het belang van de ontwikkeling van de minderjarigen geacht dat de ouders zich gezamenlijk verantwoordelijk voelen voor de verzorging, opvoeding en ontwikkeling van hen. Daarbij omvat het ouderlijk gezag mede de verplichting van de verzorgende ouder om de ontwikkeling van de band van de minderjarigen met de andere ouder te bevorderen. De door de vrouw gestelde omstandigheden vormen naar het oordeel van het hof onvoldoende reden om haar met het eenhoofdig gezag te belasten. Dit geldt temeer nu het hof gebleken is dat de man een grote betrokkenheid op de kinderen heeft getoond. De omstandigheid dat partijen thans niet of nauwelijks met elkaar kunnen communiceren over belangrijke zaken betreffende de minderjarigen is voor het hof onvoldoende reden om het eenhoofdig gezag aan de vrouw toe te wijzen. Daarbij is van belang dat niet is gebleken dat de vrouw, die feitelijk de dagelijkse beslissingen ten aanzien van de minderjarigen neemt, door de man in de uitoefening van het ouderlijk gezag wordt belemmerd.

9. Het vorenstaande brengt met zich dat het hof het verzoek van de vrouw om haar met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen te belasten zal afwijzen en de bestreden beschikking derhalve in zoverre zal bekrachtigen.

Verzoek tot vervangende toestemming

10. Tussen partijen is in geschil de vraag of de vrouw al dan niet met toestemming van de man primair met de minderjarigen naar [het buitenland] mag verhuizen, subsidiair naar een andere plaats (waar dan ook) in Nederland.

11. Kort weergegeven onderbouwt de vrouw haar verzoek tot vervangende toestemming als volgt. Ten onrechte kent de rechtbank volgens de vrouw een groot en in feite doorslaggevend belang toe aan de omstandigheid dat met name [de minderjarige sub 2] zich nog in de hechtingsfase zou bevinden. De vrouw stelt dat [de minderjarige sub 2] de hechtingsfase reeds heeft doorgemaakt. De vrouw stelt dat zij, tot zij de man leerde kennen, geen enkele binding had met Nederland. Zij is omwille van de man naar Nederland verhuisd en is er niet in geslaagd met Nederland een band op te bouwen. Zij spreekt de Nederlandse taal niet en heeft hier nauwelijks sociale contacten. Bovendien zijn de omstandigheden voor zowel haar als de kinderen in [het buitenland] veel beter. De vrouw acht de woonomgeving voor de kinderen ([wijknaam]) niet veilig en de kinderen kunnen er niet met goed fatsoen buiten spelen. In [het buitenland] zijn de mogelijkheden voor de kinderen om buiten te spelen onbeperkt. De vrouw verwacht niet dat zij in Nederland een werkkring zal vinden terwijl dat in [het buitenland] geen probleem zal zijn. De vrouw ziet geen praktische bezwaren om de contacten tussen de man en de kinderen in stand te houden. De vrouw heeft aangeboden om eenmaal per maand met de kinderen gedurende een weekeinde naar Nederland te reizen en om de man in de gelegenheid te stellen om de kinderen eenmaal per maand in [het buitenland] te bezoeken. Bovendien kunnen de kinderen gedurende een gedeelte van de vakantieperioden bij de man zijn zodat er sprake is van een gebruikelijke contactregeling. De vrouw acht de reisafstand van en naar [het buitenland] niet onoverkomelijk en omdat de man stelt dat hij geen financiële middelen heeft om naar [het buitenland] te reizen is de vrouw – ingeval van een terugkeer naar [het buitenland] – bereid om afstand te doen van haar aanspraak op zowel partner- als kinderalimentatie, zodat de man financiële ruimte heeft om het contact met de kinderen te blijven onderhouden. Los daarvan kan de man volgens de vrouw door middel van skypen en bellen het contact met de kinderen onderhouden.

De vrouw verzoekt het hof, indien zij geen vervangende toestemming krijgt om naar [het buitenland] te mogen verhuizen, vervangende toestemming te verlenen om zich tezamen met de kinderen elders in Nederland te vestigen.

12. De man heeft bezwaren tegen de verhuizing van de vrouw met de kinderen naar [het buitenland] en voert daartoe het volgende aan: de inhoud en frequentie van het contact tussen een vader en kinderen mag niet in negatieve zin worden beïnvloed, vast moet liggen hoe het leven van moeder en kinderen er in het buitenland gaat uitzien, een verhuizing moet zorgvuldig worden voorbereid en de communicatie tussen de ouders moet frequent en adequaat zijn. Het gaat niet alleen om het belang van het kind maar ook om “andere” belangen”, waaronder het belang van beide ouders.

De man betwist dat [de minderjarige sub 2] de diverse hechtingsfasen reeds heeft doorgemaakt, aangezien het een feit van algemene bekendheid is dat kinderen die fasen doormaken in de leeftijd van 0 tot circa 3 à 4 jaar. Terecht heeft de rechtbank de hechting een belangrijk argument gevonden omdat [de minderjarige sub 2] door toedoen van de vrouw een zeer beperkte contactregeling met de man heeft gehad waardoor zij nauwelijks de kans heeft gekregen zich aan haar vader te hechten.

De man stelt dat de vrouw Nederlands verstaat en spreekt en dat zij van april 1999 tot november 2007 fulltime heeft gewerkt. Hij ziet niet in dat de vrouw in Nederland geen passende arbeid zou kunnen vinden. Volgens de man is de vrouw destijds niet omwille van hem maar omwille van de slechte relatie met haar moeder naar Nederland verhuisd. De man betwist dat de omstandigheden voor de vrouw en de kinderen beter zijn in [het buitenland]. De vrouw heeft de wijk waarin zij woont zelf gekozen. Indien de vrouw de huidige wijk niet passend vindt heeft de man geen bezwaar tegen een verhuizing van de vrouw naar een andere wijk in [plaatsnaam] of omgeving mits de afstand tussen hem en de kinderen niet te groot wordt. Een verhuizing naar [het buitenland] zou, in combinatie met de weigering van de vrouw om normaal met de man te communiceren, een onaanvaardbare inbreuk maken op de inhoud en de frequentie van het contact tussen hem en de kinderen. De kinderen zijn in Nederland geboren en hebben hier hun sociale omgeving. Mede gezien de slechte verhouding met zijn voormalige schoonmoeder heeft de man er geen vertrouwen in dat de vrouw de haar voorgestelde contactregeling bij een verhuizing naar [het buitenland] zal nakomen, nog afgezien van het feit dat de man een dergelijk contact voor de kinderen te belastend acht en de man daar niet de financiële middelen voor heeft. Om het contact met de kinderen in stand te kunnen houden zal de man naast behoorlijke reiskosten ook verblijfkosten moeten betalen.

13. Het hof verenigt zich ten aanzien van het verzoek tot vervangende toestemming met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Het hof weegt voorts het volgende mee. Naar het oordeel van het hof rust op de verzorgende ouder, na uiteen gaan, de plicht om ervoor te zorgen dat de minderjarigen in staat zijn een goede band met de andere, niet verzorgende ouder op te bouwen, mede met het oog op een goede en evenwichtige emotionele ontwikkeling. Een verhuizing naar [het buitenland] betekent niet alleen een minder frequent maar ook minder intensief contact tussen de man en de minderjarigen. Gelet op de jonge leeftijd van de minderjarigen acht het hof het in hun belang dat zij kunnen opgroeien in een voor hen vertrouwde omgeving waarbij zij een goed contact kunnen hebben met beide ouders. Voor behoud van een goed en intensief contact tussen de man en de minderjarigen bij een verhuizing naar een ander land is een goede communicatie vereist doch gebleken is dat de communicatie tussen partijen verre van optimaal verloopt. Nog afgezien daarvan acht het hof de door de vrouw voorgestelde contactregeling té belastend voor de kinderen. De kinderen zouden in dat geval regelmatig heen en weer moeten reizen. Beide partijen stellen dat het daarvoor aanschaffen van vliegtickets financieel niet haalbaar is, zodat de kinderen en de man in dat geval geconfronteerrd zouden worden met een lange reistijd die voor een weekendregeling, al dan niet eens in de maand, te belastend wordt geacht. Gelet op het vorenstaande zal het hof het verzoek van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen om naar [het buitenland] te mogen verhuizen afwijzen en de bestreden beschikking derhalve in zoverre bekrachtigen. Het vorenstaande brengt met zich dat de beslissing omtrent de schoolkeuze met betrekking tot [de minderjarige] thans geen bespreking meer behoeft, aangezien de vrouw die beslissing alleen onjuist acht in het geval zij naar [het buitenland] mag terugkeren.

Omdat de man geen bezwaar heeft tegen een verhuizing van de vrouw naar een andere wijk in [plaatsnaam] of omgeving, acht het hof het redelijk om de vrouw bij gebreke van toestemming van de man vervangende toestemming te verlenen om binnen een straal van 25 kilometer vanaf [plaatsnaam] te verhuizen. Zulks biedt de vrouw naar het oordeel van het hof ruimschoots de gelegenheid om voor haar en de kinderen een andere woonomgeving te zoeken en de man heeft alsdan de gelegenheid om een zo goed mogelijk contact met zijn kinderen te (blijven) onderhouden. Het hof zal dan ook hierover beslissen als na te melden.

Contactregeling

14. Beide partijen kunnen zich niet verenigen met de door de rechtbank vastgestelde contactregeling tussen de man en de minderjarigen. De vrouw heeft geen bezwaar tegen de contacten tussen de man en de kinderen maar vindt de door de rechtbank vastgestelde uitbreiding van de contacten en met name het contact met [de minderjarige sub 2] te ruim.

De man daarentegen stelt zeer verheugd te zijn dat de rechtbank de contactregeling tussen hem en de kinderen aanzienlijk heeft uitgebreid maar zou graag een verdere uitbreiding zien zoals door hem verzocht.

15. Ter zitting van het hof is gebleken dat het thans goed gaat met de kinderen. [de minderjarige] doet het goed op school en het staat vast dat de door de rechtbank vastgestelde contactregeling goed verloopt. Het hof ziet onder de huidige omstandigheden dan ook geen reden om de door de rechtbank vastgestelde contactregeling te verminderen dan wel verder uit te breiden. Partijen doen er in het belang van de minderjarigen verstandig aan om hun onderlinge communicatie te verbeteren. Pas dan is er naar het oordeel van het hof mogelijk ruimte om de contactregeling in goed onderling overleg verder uit te breiden. Het vorenstaande brengt met zich dat het hof de bestreden beschikking in zoverre zal bekrachtigen.

Partner- en kinderalimentatie

16. De man heeft bij brief van 10 maart 2011 onbetwist gesteld dat hij geen draagkracht heeft om partner- en kinderalimentatie te voldoen maar hij is desondanks bereid – in de situatie dat de kinderen in Nederland bij hun moeder blijven wonen en er geen co-ouderschapsregeling wordt vastgesteld, om de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie van € 300,- per maand per kind te blijven voldoen.

17. Het hof oordeelt als volgt. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat het verzoek van de vrouw, een kinderalimentatie van € 300,- per maand en per kind vast te stellen, als niet weersproken kon worden toegewezen, maar heeft dit, kennelijk per abuis, niet in het dictum opgenomen. Nu de man nog altijd bereid is tot het betalen van deze kinderalimentatie en hij heeft verklaard deze bijdrage ook steeds te hebben betaald na de zitting van 14 juli 2010, zal het hof beslissen dat de man met ingang van 3 december 2010 deze bijdrage zal voldoen. De vrouw heeft de door de man bij brief van 10 maart 2011 overgelegde draagkrachtberekening, waaruit blijkt dat de man geen draagkracht heeft voor het voldoen van partner- en kinderalimentatie, niet betwist. Aangezien de man echter bereid is om de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie te blijven voldoen en hij draagkracht ontbeert om daarnaast een bijdrage ten behoeve van de vrouw te voldoen, zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de partneralimentatie bekrachtigen.

18. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

voorts, in aanvulling op de bestreden beschikking:

verleent de vrouw, in het geval van ontbreken van toestemming van de man, vervangende toestemming tot verhuizing met de minderjarigen binnen een straal van 25 kilometer vanaf de woning van de man in [plaatsnaam] en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de man met ingang van 3 december 2010 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen zal betalen van € 300,- per maand en per kind, voor wat betreft de na heden te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, Mink en Van Veen, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 mei 2011.