Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR3517

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-05-2011
Datum publicatie
29-07-2011
Zaaknummer
22-005766-10
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BX4288, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BX4288
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De minderjarige verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van aanranding, door op straat opzettelijk de billen van een voorbij lopende vrouw aan te raken. werkstraf 25 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005766-10

Parketnummers: 10-652133-10 en 10-742372-10

Datum uitspraak: 24 mei 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 8 november 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

[adres],

door de verdachte ter terechtzitting opgegeven adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek

op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 10 mei 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 25 uren subsidiair 12 dagen jeugddetentie.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 04 januari 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld of door bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [slachtoffer], heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), namelijk het knijpen in en/of betasten/aanraken van de billen van die [slachtoffer], het geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het onverhoeds knijpen in en/of betasten/aanraken van de billen van die [slachtoffer].

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Getuigenverzoek

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht [slachtoffer] als getuige te horen, indien het hof mocht twijfelen aan de plaats waar de verdachte [slachtoffer] zou hebben aangeraakt.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Nu op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep voldoende duidelijk is op welke plaats het slachtoffer onverhoeds is aangeraakt door de verdachte en zijn mededader, acht het hof het horen van [slachtoffer] als getuige niet noodzakelijk. Het hof wijst het verzoek daarom af.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 04 januari 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander door andere feitelijkheden

[slachtoffer], heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, namelijk het aanraken van de billen van die [slachtoffer], de andere feitelijkheden hebben bestaan uit het onverhoeds aanraken van de billen van die [slachtoffer].

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen

Het ontuchtige karakter van het handelen

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd. De verdachte erkent één keer op de billen van [slachtoffer] te hebben geslagen. Dit tikje werd gegeven nadat er met sneeuwballen was gegooid, binnen een speelse althans kwajongensachtige context. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan op geen enkele manier worden afgeleid dat er een seksuele bedoeling zat achter het handelen van de verdachte. Billen zijn bovendien geen geslachtsorganen. Er is derhalve geen sprake van een seksueel beladen incident. Wegens het ontbreken van enige seksuele intentie dient de verdachte – in de lijn van de uitspraken van de rechtbanken Den Bosch (LJN: BH7579) en Haarlem (LJN: BM9120) – te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. De verdachte heeft op straat opzettelijk de billen aangeraakt van een onbekende passerende vrouw. Deze vrouw was ten tijde van het feit 24 jaar oud en dus geen leeftijdgenoot van de verdachte. Het was voor de verdachte duidelijk dat de vrouw hier niet van was gediend. Uit de verklaring van de medeverdachte kan worden afgeleid dat het aanraken van de billen van de aangeefster een welbewuste, gerichte en gezamenlijke actie was van de verdachte en de medeverdachte. Hoewel de billen niet worden aangemerkt als geslachtsorganen, heeft het aanraken van de billen – in onderhavige omstandigheden – naar uiterlijke verschijningsvorm wel degelijk het karakter van een ontuchtige handeling. Dit is ook zo ervaren door de aangeefster. Dat de seksuele intentie wellicht ontbrak bij de verdachte, doet hieraan niet af. Het hof verwerpt het verweer.

Medeplegen

Subsidiair is door de raadsman bepleit dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat hij niet kan worden aangemerkt als medepleger.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk geworden dat de verdachte zo nauw en bewust met zijn mededader heeft samengewerkt dat sprake is van medeplegen in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 25 uren subsidiair 12 dagen jeugddetentie.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van aanranding, door op straat opzettelijk de billen van een voorbij lopende vrouw aan te raken. Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn mededader inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Voorts brengt dergelijk handelen gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg in de samenleving, nu dit heeft plaatsgevonden in het openbaar.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof tevens in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 april 2011 niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

Het hof heeft mede acht geslagen op het rapport van Raad voor de Kinderbescherming d.d. 10 september 2010, inhoudende – zakelijk weergegeven – dat het delictgedrag van de verdachte met name lijkt te kunnen worden verklaard door factoren als:

- geen tot weinig inzicht hebben in zijn handelen en de gevolgen van zijn gedrag,

- niet kunnen omgaan met seksuele gevoelens op dat moment,

- niet weten hoe hij zich moet gedragen ten opzichte van meisjes/vrouwen,

- verdachte niet begrijpt/wil begrijpen dat ‘nee’ ook echt ‘nee’ betekent.

Met betrekking tot het strafadvies heeft de Raad overwogen om de verdachte een leerstraf Seksualiteit MLK individueel te laten volgen. De verdachte heeft echter een IQ van 65 en er zijn vraagtekens bij de bereidwilligheid van de verdachte om de leerstraf positief af te ronden. Derhalve adviseert de Raad, indien de feiten worden bewezen, om de verdachte een werkstraf op te leggen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77gg en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor overwogen.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 25 (vijfentwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 12 (twaalf) dagen jeugddetentie.

Dit arrest is gewezen door mr. T.W.H.E. Schmitz,

mr. J.A.C. Bartels en mr. N.C. van Bellen, in bijzijn van de griffier mr. N. van der Velden.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 mei 2011.

Mr. N.C. van Bellen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.