Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR3459

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-05-2011
Datum publicatie
02-08-2011
Zaaknummer
200.082.090-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad betreffende echtelijke woning en verkoopopdracht toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 11 mei 2011

Zaaknummer : 200.082.090/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 10-7123 / FA RK 10-7952

[De vrouw],

wonende te [woonplaats], gemeente [naam gemeente],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.H.P.M. Verhagen te Breda,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. F.C. Frederiks te Zwijndrecht.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 11 februari 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 17 november 2010 van de rechtbank Dordrecht, bij het hof bekend onder zaaknummer 200.082.089/01, en heeft bij dat beroep tevens een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van die beschikking ingediend. Dat verzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.082.090/01.

De man heeft op 22 maart 2011 een verweerschrift tegen het schorsingsverzoek ingediend.

De zaak is op 31 maart 2011 mondeling behandeld, doch uitsluitend voor wat betreft het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking zijn, voor zover in de onderhavige schorsingsprocedure van belang, partijen gelast tot verkoop van de woning aan [adres] te [plaats] (hierna: de echtelijke woning). Tevens is bepaald dat beide partijen gerechtigd zijn tot de helft van de eventuele opbrengst respectievelijk dat ieder de helft van de eventuele restantschuld dient te dragen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de verkoopprijs van de echtelijke woning mag worden bepaald door de ingeschakelde makelaar indien de woning niet binnen drie maanden na de datum van de beschikking, 17 november 2010, is verkocht en dat de verkoopprijs door de man alleen mag worden bepaald als de woning op 1 juli 2011 nog niet is verkocht. De bestreden beschikking is in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE UITVOERBAAR BIJ VOORRAADVERKLARING VAN DE BESTREDEN BESCHIKKING

1. In geschil is de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van 17 november 2010 voor zover daarbij is bepaald dat de verkoopprijs van de echtelijke woning door alleen de man mag worden bepaald als de echtelijke woning op 1 juli 2011 nog niet is verkocht.

2. De vrouw verzoekt de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking ten aanzien van de door de rechtbank vastgestelde wijze van verkoop van de echtelijke woning te schorsen.

3. De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek dan wel het verzoek af te wijzen, en de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4. De vrouw stelt dat zij, net als de man, een spoedige verkoop van de echtelijke woning wenst maar dan wel tegen een redelijke prijs. De vrouw vindt een termijn van slechts drie maanden waarbinnen de echtelijke woning verkocht moet zijn, mede gezien de huidige situatie op de woningmarkt, niet redelijk. De man heeft aanvankelijk geweigerd om mee te werken aan het daadwerkelijk te koop zetten van de echtelijke woning en wil de woning volgens de vrouw voor een lage prijs verkopen. Indien de verwachting van de makelaar (een verkoopprijs van circa € 500.000,-) waarheid wordt dan kunnen beide partijen over een bedrag aan overwaarde beschikken van circa € 50.000,- à € 60.000,-. Aangezien woningen vaak langer dan voorheen te koop staan acht de vrouw het niet redelijk dat de man vanaf 1 juli 2011 alleen de vraagprijs kan bepalen. De vrouw stelt dat zij tijdens het huwelijk is blijven werken en zodoende heeft bijgedragen aan de vorming van het vermogen. Indien de verkoopprijs alleen door de man mag worden bepaald ontstaat er voor de vrouw een onherroepelijke financiële noodsituatie indien de woning overhaast voor een lage prijs wordt verkocht. Volgens de vrouw is er geen enkele reden om de echtelijke woning overhaast van de hand te doen en met voorbijgaan aan haar belangen de zeggenschap over de verkoop van die woning uitsluitend bij de man te leggen.

5. De man stelt dat het in het belang van beide partijen is om de echtelijke woning binnen een redelijke termijn en tegen een zo gunstig mogelijke prijs te verkopen. Volgens de man heeft de vrouw een zo hoog mogelijke verkoopprijs voor ogen, ook als een verkoop daardoor nog jaren uitblijft. Met de vrouw viel niet te praten over het door de makelaar voorgestelde stappenplan om de verkoopprijs telkens na verloop van twee maanden met circa € 25.000,- te verminderen. Hierover is tussen partijen zelfs een kort geding gevoerd. De makelaar heeft in overleg met partijen voorgesteld te starten met een vraagprijs van € 559.000,- welke in de ogen van de man een irreëel hoge prijs is die de woning onverkoopbaar maakt. De man wil zich niet binden aan een voor hem zinloze verkoopopdracht voor een bedrag van € 559.000,- omdat zulks tot gevolg zal hebben dat de echtelijke woning de komende jaren niet verkocht zal worden, de vrouw in die woning zal willen blijven wonen en de man daarvoor moet blijven betalen. De man verwacht dat de woning maximaal € 485.000,- zal opbrengen bij een verkoop. De man stelt dat er geen sprake is van een juridische of feitelijke misslag. Evenmin is sprake van een noodtoestand. Bovendien heeft de vrouw niet gesteld en/of aannemelijk gemaakt dat haar belang bij schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking zwaarder dient te wegen dan het belang van de man bij uitvoering daarvan.

6. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft verkregen in beginsel bevoegd is deze te executeren, ook indien tegen de beschikking hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking dient te worden geschorst, dienen de navolgende maatstaven te worden aangelegd

(i) de verzoeker moet belang hebben bij de door hem verlangde schorsing van de

tenuitvoerlegging;

(ii) bij de in het licht van de omstandigheden van het geval te verrichten afweging van de belangen van partijen moet worden nagegaan of het belang van degene die schorsing verzoekt bij behoud van de bestaande toestand totdat op het rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de door hem verkregen veroordeling direct ten uitvoer te leggen, en

(iii) bij deze belangenafweging dient de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven.

Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing als hier bedoeld geldt ook, dat in beginsel moet worden uitgegaan van de beslissing van de vorige rechter en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen omtrent de uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Dit kan anders zijn indien de bestreden beschikking, waarvan de verzoeker beroep heeft ingesteld, klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag dan wel indien na de bestreden beslissing feiten of omstandigheden zijn voorgevallen of aan het licht gekomen, die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

7. Het hof oordeelt als volgt. Beide partijen hebben er belang bij om de echtelijke woning tegen een zo gunstig mogelijke prijs te verkopen. Tussen partijen vormde de vraagprijs van de echtelijke woning een punt van geschil maar de man heeft de verkoopopdracht, waarbij in overleg met de makelaar is afgesproken dat de echtelijke woning tegen een vraagprijs van € 559.000,- te koop wordt gezet, inmiddels ondertekend. De echtelijke woning staat sinds februari 2011 te koop. Aangezien de man akkoord is gegaan met een vraagprijs van € 559.000,-, het een feit van algemene bekendheid is dat woningen thans over het algemeen langer te koop staan dan voorheen en de echtelijke woning op 1 juli 2011 nog geen half jaar te koop staat, acht het hof het belang van de vrouw bij een niet overhaaste verkoop van de woning zwaarder te wegen dan het belang van de man om, zolang daarover nog niet in hoger beroep is beslist, alleen de vraagprijs te mogen vaststellen. Niet is weersproken dat de man, zolang de woning niet is verkocht en overgedragen, aan de vrouw geen partner- en kinderalimentatie hoeft te betalen. Daar komt nog bij dat het eigendomsrecht van de echtelijke woning aan beide partijen toekomt. Indien uitsluitend de man met ingang van 1 juli 2011 de verkoopprijs van de echtelijke woning zou mogen bepalen dan doet dat afbreuk aan het mede-eigendomsrecht van de vrouw.

8. Het vorenstaande brengt met zich dat het hof het verzoek van de vrouw tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking ten aanzien van de aan de man toegekende bevoegdheid om de vraagprijs na 1 juli 2011 alleen te mogen bepalen, zal toewijzen.

9. Het hof ziet geen reden, zoals door de man is verzocht, om de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding, en zal dat verzoek derhalve afwijzen.

BESLISSING OP HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE WERKING VAN DE UITVOERBAARVERKLARING BIJ VOORRAAD VAN DE BESTREDEN BESCHIKKING

Het hof:

schorst de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking ten aanzien van de aan de man toegekende bevoegdheid om de vraagprijs van de woning na 1 juli 2011 alleen te bepalen;

wijst het meer of anders verzochte af;

bepaalt dat de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep zal plaatsvinden op een nader te bepalen datum, waarvoor partijen nog een afzonderlijke oproep zullen ontvangen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Van Dijk en Van Veen, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 mei 2011.