Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR3361

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
28-07-2011
Zaaknummer
200.008.122
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijslast t.a.v. de vraag of verkoopopbrengst van een onderneming en een ontvangen erfenis nog tot de gemeenschap behoort. Waardebepaling onderneming van de vrouw: het is aan de vrouw, die over de relevante gegevens beschikt, duidelijkheid te verschaffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector familie

Zaaknummer : 200.008.122

Rolnummer rechtbank : HA ZA 06-83

arrest van de familiekamer d.d. 15 maart 2011

inzake

[de man],

wonende te [adres]

appellant, tevens incidenteel geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. E. Grabandt te ’s-Gravenhage,

tegen

[de vrouw],

wonende te [adres],

geïntimeerde, tevens incidenteel appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W.P. den Hertog te ’s-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 29 februari 2008 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis van 12 december 2007, door de rechtbank te ‘s-Gravenhage tussen de partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

Bij memorie van grieven (met producties) heeft de man vijf grieven aangevoerd. De man heeft gevorderd het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij arrest zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw in haar vorderingen in eerste instantie niet ontvankelijk te verklaren, althans haar deze te ontzeggen, althans deze af te wijzen, althans een andere verdeling vast te stellen als de rechtbank in eerste aanleg heeft vastgesteld.

Bij memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel (met producties) heeft de vrouw de grieven bestreden. Tevens heeft zij incidenteel hoger beroep ingesteld onder aanvoering van vijf grieven. De vrouw heeft in incidenteel beroep gevorderd het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen met inachtneming van de grieven van de vrouw en voor het overige voor zover er geen grieven tegen de vastgestelde verdeling zijn geformuleerd de verdeling van de boedelbestanddelen in stand te laten met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.

Bij antwoord op incidenteel appel heeft de man de grieven van de vrouw bestreden.

De partijen hebben hun procesdossier aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen de feiten zoals door de rechtbank vastgesteld onder 2 in het bestreden vonnis is niet opgekomen, zodat het hof in dit hoger beroep van die feiten uitgaat.

2. In eerste aanleg heeft de vrouw gevorderd conform artikel 3:185 BW de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank beslist dat een aantal schulden door de man zullen worden gedragen als eigen schuld onder vrijwaring van de vrouw en de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van € 23.424,40.

3. De grieven in principaal en incidenteel appel betreffen beslissingen van de rechtbank met betrekking tot de vraag of onderscheiden in het kader van de verdeling aan de orde gestelde activa en passiva tot de gemeenschap behoren. Grief 1 in het principaal beroep stelt voorts de verkoopprijs ter zake de inbreng van de eenmanszaak van de man in [de NV] aan de orde. Tussen partijen is niet in geschil de datum van inschrijving van de echtscheidings-beschikking, zodat als peildatum voor de samenstelling van de door de inschrijving ontbonden gemeenschap heeft te g[datum X]]

4. Partijen hebben zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de rechter verzocht de verdeling vast te stellen. Bij gelegenheid van een comparitie van partijen ter zitting van de rechtbank van 13 april 2007 zijn partijen een gedeeltelijke verdeling overeen gekomen, zoals neergelegd in de door hen beiden ondertekende overeenkomst gehecht aan het proces-verbaal van die comparitie. Deze gedeeltelijke verdeling betreft een aantal activa – onroerende zaken - en passiva – boetes en belastingaanslagen met betrekking tot onroerende zaken. Voor het overige is de ontbonden huwelijksgemeenschap onverdeeld gebleven en zijn mitsdien de verdelingswerkzaamheden – waaronder het vaststellen van de overbedelingschuld respectievelijk onderbedelingsvordering – niet afgerond. Partijen dienen het hof echter voldoende gegevens te verschaffen teneinde hun verzoek tot vaststelling van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap te kunnen beoordelen. Partijen hebben thans nog onvoldoende gegevens verschaft danwel verschillen van mening omtrent (de waarde van) nog onverdeelde gemeenschapsgoederen en/of de omvang van gemeenschapsschulden. De wel door partijen verschafte gegevens zijn evenwel niet zodanig onvoldoende dat het verzoek om vaststelling van de verdeling van de deels onverdeelde huwelijksgemeenschap zou moeten worden afgewezen. Partijen zullen gezien het vorenstaande door het hof in de gelegenheid worden gesteld aanvullende gegevens te verschaffen.

Partijen zijn het er wel over eens dat de nog niet verdeelde huwelijksgemeenschap op de datum van ontbinding ([datum X]) in ieder geval de volgende schulden omvatte en welke schulden op die peildatum de bij die hierna omschreven bedragen groot waren:

Passiva:

schuld personenbelastingen € 23.579,01;

BTW schuld € 17.042,81;

schuld onroerende voorheffing € 2.829,68;

schuld in verband met kredieten € 17.409,94;

aanslag successie € 5.347,79;

mogelijk toekomstige kosten van ambtshalve optreden van de Vlaamse overheid aangaande een loods aan de [straat].

Aangezien een deel van de ontbonden huwelijksgemeenschap tot op heden onverdeeld is gebleven, zal voor de waarde van de nog in de verdeling te betrekken goederen en schulden moeten worden uitgegaan van de datum van verdeling. Het is noch gesteld noch gebleken dat partijen een andere waarderingspeildatum zijn overeengekomen of dat de redelijkheid en billijkheid een andere waarderingspeildatum zou mee brengen.

Teneinde de verdeling van de deels nog niet verdeelde huwelijksgemeenschap te kunnen vaststellen heeft het hof nadere informatie nodig. Partijen dienen daartoe een – bij voorkeur gezamenlijke – boedelbeschrijving over te leggen, die in de hierna te gelasten comparitie van partijen ten grondslag zal liggen aan de verdelingswerkzaamheden door het hof. De boedelbeschrijving zal bevatten een overzicht de thans nog onverdeelde gemeenschapsgoederen met de huidige waarden alsmede een omschrijving van de thans nog openstaande gemeenschapsschulden. Voorts zal de beschrijving bevatten een opgave van de vorderingen en/of schulden die partijen op elkaar stellen te hebben vanwege (i) eerdergenoemde partiële verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap en (ii) de betaling van gemeenschapsschulden, die niet in de meervermelde partiële verdeling zijn betrokken.

Met het oog op de door partijen op te stellen en over te leggen boedelbeschrijving(en) overweegt het hof in het principaal en incidenteel appel voorts nog als volgt, zodat partijen met inachtneming van die rechtsoverwegingen de beschrijving(en) kunnen opstellen.

Het principaal beroep

5. Grief 1 in het principaal beroep betreft vooreerst de omvang van door de man ontvangen koopsom van de verkoop van zijn eenmanszaak aan [de NV]. Partijen spreken afwisselend over inbreng van en verkoop van de eenmanszaak van de man aan [de NV]. Daar is een wezenlijk verschil tussen. Partijen lijken het er echter eens dat de man geen aandelen in [de NV] heeft verworven door inbreng,maar zijn onderneming door middel van een activa/passiva transactie heeft overgedragen aan deze NV. Het hof zal daar dan ook van uitgaan.

De rechtbank heeft de overnameprijs bepaald op Bfr. 1.900.000,-, Volgens de grief bedroeg de koopsom echter Bfr. 1.800.000,-. De vrouw erkent dit. In zoverre slaagt de grief. Het hof gaat uit van een koopsom van € 44.620,83.

6. Volgens grief 1 heeft de rechtbank tevens ten onrechte bepaald dat deze verkoopopbrengst ten tijde van de datum van inschrijving van de echtscheiding op [datum X] nog deel uitmaakte van de onverdeelde gemeenschap en dit bedrag in de verdeling betrokken. De man heeft zijn eenmanszaak verkocht aan [de NV] op 28 februari 1994. Op [datum X] is de echtscheiding tussen partijen een feit geworden. Gedurende die periode is de opbrengst opgegaan aan de aflossing van schulden waarbij ook van deze opbrengst is geleefd. Echter, niet de man dient te bewijzen dat deze opbrengst ten tijde van de peildatum verteerd was, maar de vrouw dient te bewijzen dat deze opbrengst op die datum nog aanwezig was. De rechtbank heeft hier ten onrechte de bewijslast omgedraaid. De vrouw stelt immers dat op [datum X] deze opbrengst nog volledig aanwezig was. Wie stelt moet bewijzen. In deze bewijslast is de vrouw niet geslaagd, aldus de man. Subsidiair stelt de man dat hij wel degelijk voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op de peildatum de verkoopopbrengst volledig verteerd was.

7. De vrouw handhaaft haar stelling dat op haar geen bewijslast rust. Nu de man stelt dat de opbrengst volledig is opgegaan aan de aflossing/inlossing van schulden, ligt het op zijn weg daarvan bewijs te leveren. Daarin is hij niet geslaagd. Ten overvloede geldt nog dat de eenmanszaak in 1992 is verkocht aan [de NV]. Uitschrijving van de eenmanszaak in het handelsregister vond plaats in 1994. Voor zover nodig, is de peildatum 1992 in plaats van 1994, aldus de vrouw.

8. Het hof overweegt als volgt. In het licht van artikel 150 Rv is uitgangspunt dat het aan de vrouw, die stelt dat genoemde koopsom nog steeds volledig deel uitmaakt van de onverdeelde gemeenschap per peildatum, is om haar stelling te bewijzen. Daaraan doet niet af dat partijen het erover eens zijn dat de man genoemde koopsom begin 1994 heeft ontvangen en evenmin dat de man ter betwisting van de stelling van de vrouw heeft betoogd dat de koopsom is opgegaan aan schulden en ook van deze opbrengst is geleefd. De man hoeft niet de feiten te bewijzen die hij stelt ter motivering van de betwisting. De rechtbank ziet er aan voorbij dat de betwisting van de man niet (ook) de vorm heeft van een bevrijdend verweer. Derhalve slaagt de grief van de man voor wat betreft het uitgangspunt van de rechtbank ten aanzien van de bewijslastverdeling.

9. Het is derhalve in beginsel aan de vrouw te bewijzen dat op [datum X] de verkoop-opbrengst van € 44.620,83 nog deel uitmaakte van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Dat is anders indien uit enige bijzondere regel of uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Dit laatste is naar het oordeel van het hof niet het geval. Het hof ziet in de enkele omstandigheid dat de verkoopopbrengst minder dan twee jaar voor de peildatum is ontvangen geen aanleiding tot een andere verdeling van de bewijslast te komen. Het hof betrekt daarbij de hoogte van het bedrag. Hetgeen de vrouw overigens stelt doet aan dit oordeel niet af. Nu de vrouw haar stelling dat de koopsom op [datum X] deel uitmaakte van de ontbonden gemeenschap in het geheel niet onderbouwd heeft en ter zake noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep concreet bewijs heeft aangeboden, gaat het hof er van uit dat de koopsom op de peildatum geen deel uitmaakte van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Grief 1 slaagt.

10. Volgens grief 2 van de man heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de erfenis die de man van zijn broer [H] heeft gekregen deel uitmaakte van de onverdeelde gemeenschap en heeft dit bedrag in de verdeling betrokken waarbij de rechtbank tevens is uitgegaan van een onjuist bedrag dat de man heeft ontvangen. Ook hier heeft de rechtbank ten onrechte de bewijslast omgedraaid. De vrouw dient de stelling dat deze erfenis, in 1992 ontvangen, op de ontbindingsdatum - [datum X]- nog volledig aanwezig was immers te bewijzen. De vrouw heeft dit bewijs niet geleverd. Voor omkering van de bewijslast bestaan ook hier geen gronden. Subsidiair stelt de man dat hij wel degelijk voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze erfenis, mede gelet op de omvang daarvan, in de loop van drie jaar volledig is verteerd en verwijst in dat kader naar het onder grief 1 ter zake gestelde ten aanzien van de financiële administratie van partijen.

11. Volgens de vrouw is het wederom niet aan haar te bewijzen dat de erfenisgelden er nog zijn, maar aan de man dat die gelden er niet meer zijn. De vrouw betwist voor zover nodig dat de gelden zouden zijn opgegaan aan de door de man gestelde kosten van inlossing/aflossing van schulden en kosten van levensonderhoud. Eveneens betwist de vrouw dat sprake zou zijn van een niet (goed) gevoerde financiële administratie van partijen. De vrouw merkt in deze wellicht ten overvloede op dat het al dan niet goed voeren van welke administratie dan ook, los staat van de verdeling van een erfenis, die in een huwelijksgemeenschap valt.

12. Het hof overweegt als volgt. De grief slaagt voor wat betreft de verdeling van de bewijslast op dezelfde gronden als grief 1. Het hof verwijst naar rechtsoverweging 8. Het is derhalve in beginsel aan de vrouw om te bewijzen dat de in 1992 als gevolg van genoemde erfenis verkregen gelden op [datum X] nog deel uitmaakten van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Dat is anders indien uit enige bijzondere regel of uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Dit is naar het oordeel van het hof niet het geval. Het hof ziet in de enkele omstandigheid dat de erfenis drie jaar voor de peildatum is ontvangen geen aanleiding tot een andere verdeling van de bewijslast te komen. Het hof betrekt daarbij de hoogte van het bedrag. Hetgeen de vrouw overigens stelt doet aan dit oordeel niet af. Nu de vrouw haar stelling dat meergenoemde erfenis deel uitmaakte van de ontbonden huwelijksgemeenschap verder niet onderbouwd heeft en ter zake noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep concreet bewijs heeft aangeboden, gaat het hof er van uit dat hetgeen de man had verkregen uit de nalatenschap van zijn broer op [datum X] geen deel uitmaakte van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Grief 2 slaagt in dit opzicht. De grief behoeft geen behandeling voor wat betreft de omvang van de erfenis van [H].

13. In grief 3 betoogt de man dat de rechtbank ten onrechte de waarde van de onderneming van de vrouw, [onderneming vrouw], in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap op nihil heeft bepaald. De rechtbank stelt deze waarde op nihil omdat de man heeft nagelaten te stellen welke waarde aan de onderneming moet worden toegekend. Partijen leven sinds 1987 gescheiden. De vrouw heeft deze onderneming sedert de verbreking van de samenwoning alleen buiten de man om gedreven. De man heeft vanaf de verbreking van de samenwoning in 1987 geen enkele inzage meer gehad in de stukken van de onderneming. Hij kan in redelijkheid dan ook geen reële waarde aan deze onderneming toekennen. Ook hier heeft de rechtbank ten onrechte de bewijslast ten aanzien van de waarde van de onderneming bij de man gelegd. Hier was juist wel aanleiding voor omkering van de bewijslast nu de man in de onmogelijke positie verkeert om deze waarde van de onderneming vast te stellen. De rechtbank had de vrouw moeten gelasten financiële bescheiden van deze onderneming in het geding te brengen zodat de waarde had kunnen worden vastgesteld, aldus de man. Subsidiair stelt hij de waarde op € 50.000,-.

14. De vrouw voert primair aan dat zij helemaal geen zelfstandige onderneming heeft gehad. Zij regelde enkel per telefoon de verkoop en transporten van de man alsmede de administratie. Er was dan ook geen inschrijving bij de Kamer van Koophandel of een BTW-registratie. Subsidiair geldt ook hier dat degene die stelt, moet bewijzen, aldus de vrouw. Het is de man die stelt dat de vrouw een onderneming zou hebben gehad. Hij wil de waarde van de door hem gestelde onderneming in de verdeling betrekken. Het is dan ook aan hem om die waarde te noemen, te specificeren en te onderbouwen. Daarin is de man niet geslaagd, aldus de vrouw.

15. Het hof overweegt als volgt. Weliswaar betwist de vrouw in hoger beroep dat zij een “zelfstandige onderneming” heeft gehad, maar het hof passeert die betwisting, nu zij in het geheel niet onderbouwd is, terwijl in de echtscheidingsbeschikking het bestaan van de onderneming wordt vastgesteld en de vrouw dit in eerste aanleg ook niet heeft betwist. Uitgangspunt is derhalve dat de (waarde van de) onderneming, in geval van een eenmanszaak de activa en de passiva, in de verdeling dient te worden betrokken. Nu de man verder geen gegevens heeft omtrent de onderneming van de vrouw kan van hem niet verwacht worden dat hij zich nader uitlaat omtrent de (waarde en omschrijving van de) activa en passiva. Het is aan de vrouw ter zake duidelijkheid te verschaffen. Mitsdien slaagt grief 3 van de man. Mede gezien hetgeen in rechtsoverweging 4 is en in 33 wordt overwogen, zal het hof een comparitie van partijen gelasten ter gelegenheid waarvan partijen zich dienen uit te laten als hiervoor over-wogen en de vrouw zich dient uit te laten ten aanzien de activa en passiva van genoemde eenmanszaak.

16. Volgens grief 4 heeft de rechtbank ten onrechte bepaald dat het saldo van de op naam van de vrouw staande Duitse bankrekeningen ten tijde van de echtscheiding, [datum X], niet meer bestonden. Volgens de man had, gelet op het feit dat de vrouw in 1992 de beschikking had over een vermogen van in totaal DM 282.478,66 de bewijslast ten aanzien van het saldo per [datum X] van deze rekeningen hier wel degelijk moeten worden omgedraaid. De man is immers niet bij machte om aan te tonen dat die saldi nog aanwezig waren.

17. Volgens de vrouw heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld als gedaan. Ten eerste geldt dat sprake is geweest van één rekening, bankrekeningnummer [nummer]. Noch de rechtbank ’s-Gravenhage, noch appellant noemt het rekeningnummer van de gestelde andere rekening. Primair is de man degene die stelt. Het is dan ook aan hem om bewijs van zijn stellingen te leveren. Ten overvloede geldt dat door de vrouw deze rekening is aangewend om schulden van de man te voldoen ter afwending van dreigende rechtsmaatregelen. Een van die schuldeisers van de man was [A GMBH], aldus de vrouw.

18. Het hof overweegt als volgt. In het licht van artikel 150 Rv is uitgangspunt dat het aan de man, die stelt dat genoemde bankrekening ten tijde van de echtscheiding/ontbinding huwelijksgemeenschap nog steeds bestond en het saldo daarvan deel uitmaakt van die ontbonden gemeenschap, is om zijn stelling te bewijzen. Het is derhalve niet aan de vrouw de feiten te bewijzen die zij stelt ter motivering van haar betwisting. Dat zou anders kunnen zijn indien uit enige bijzondere regel of uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Het hof ziet in hetgeen de man opwerpt echter geen aanleiding de bewijslast anders te verdelen. Nu de man zijn stelling verder onvoldoende heeft onderbouwd en ter zake noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep een voldoende concreet bewijsaanbod heeft gedaan, faalt grief 4.

19. In grief 5 betoogt de man tot slot dat de rechtbank ten onrechte geen waarde heeft toegekend aan de auto Mercedes 190D uit 1992 die reeds feitelijk aan de vrouw is toegedeeld. De rechtbank heeft aan deze auto geen waarde toegekend omdat de man heeft nagelaten te stellen wat de waarde van deze auto op [datum X] was. De man schat de waarde van deze auto alsnog op € 5.000,-.

20. De vrouw stelt dat te dezen wederom geldt dat het aan de man is om onderbouwd de waarde van deze auto aan te tonen. De door de man opgevoerde schatting is op niets gebaseerd. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld om aan de auto geen waarde toe te kennen.

21. Het hof oordeelt als volgt. De vrouw heeft niet betwist dat aan haar in het kader van de scheiding in 1995 een auto, Mercedes 190D, uit 1992 is toebedeeld. Het hof begrijpt de stellingen van partijen aldus dat die auto op [datum X] nog aanwezig was en derhalve deel uitmaakte van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Het is het hof echter niet duidelijk wat de waarde van de auto was op het tijdstip van de feitelijke verdeling daarvan. Het hof verzoekt partijen zich ook daaromtrent ter gelegenheid van de te gelasten comparitie uit te laten.

Het incidenteel beroep

22. De vrouw betoogt in haar incidentele grief 1 dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de voorraad, machines, gereedschappen en voertuigen niet tot de onverdeelde gemeenschap behoren. De rechtbank heeft overwogen dat de man heeft gesteld dat genoemde zaken nodig waren om zijn eenmanszaak te drijven en zijn mee verkocht bij de inbreng van de eenmanszaak in [de NV]. Nu de vrouw deze stellingen van de man onvoldoende heeft betwist, is de rechtbank uitgegaan van de juistheid daarvan en heeft de zaken niet in de verdeling betrokken. Volgens de vrouw is de voorraad van machines en plaatmateriaal in 2006 en 2007 verkocht aan Stelimet NV. te Genk. Volgens de man blijkt echter op geen enkele wijze dat er metalen ten tijde van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap tot de onverdeelde gemeenschap be-horen. Dat de man metalen zou hebben verkocht in 2006/2007, hetgeen de man ontkent, bewijst ook niet dat deze metalen er ten tijde van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap al waren. De stelling van de vrouw wordt verder ook niet met enig bewijs gestaafd, aldus de man.

23. Het hof oordeelt als volgt. De vrouw onderbouwt de stelling dat ten tijde van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap een enorme voorraad van machines en plaatmateriaal ten bedrage van € 170.000,- deel uitmaakte van de onverdeelde gemeenschap onvoldoende. Grief 1 faalt.

24. In haar incidentele grief 2 stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte ten aanzien van de paarden heeft overwogen dat de waarde van de paarden buiten beschouwing wordt gelaten.

De man heeft aangevoerd dat er weliswaar paarden zijn geweest, maar dat deze ten tijde van de echtscheiding niet meer aanwezig waren. Volgens de man rust op de vrouw dus wel degelijk de bewijslast aan te tonen welke paarden ten tijde van de echtscheiding aanwezig waren. De vrouw heeft hiervan geen enkel bewijs overgelegd. De overgelegd stukken dateren van ver voor de echtscheiding. De man merkt daarbij op dat hij als intermediair optreedt voor de verkoop van paarden. Hij is niet de eigenaar. Hierop heeft de door de vrouw overgelegde webside betrekking.

24. Naar het oordeel van het hof biedt hetgeen de vrouw thans naar voren brengt omtrent de paarden geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel dan de rechtbank te komen. Ook hier miskent de vrouw dat het, gezien het bepaalde in artikel 150 Rv, op haar weg ligt om haar stelling te bewijzen. De man hoeft niet de feiten te bewijzen die hij stelt ter motivering van zijn betwisting. Het hof ziet in hetgeen de vrouw opwerpt geen aanleiding de bewijslast anders te verdelen. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw in dit kader onvoldoende gesteld om tot bewijs te worden toegelaten. Ook de tweede grief van de vrouw faalt.

26. Volgens de derde incidentele grief heeft de rechtbank ten aanzien van de levens-verzekeringen ten onrechte overwogen dat deze bij de verdeling buiten beschouwing blijven.

Uit de door de vrouw overlegde stukken blijkt volgens haar dat de levensverzekeringen wel degelijk op naam van de man zijn afgesloten. De waarde van deze verzekeringen dient wel bij de verdeling te worden betrokken. Vanaf november 1977 t/m juli 1995 is een bedrag van

€ 16.772,- (het hof leest: € 26.772,50) opgebouwd, derhalve komt in het kader van de verdeling ieder € 13.386,25 toe, aldus de vrouw. Volgens de man blijven de polissen die op naam van [de NV]. staan buiten de verdeling. De polissen die op naam van de man staan zijn reeds ruim voor de echtscheiding door de man afgekocht. De opbrengst is aangewend voor de betaling van schulden en ten tijde van de echtscheiding was er van deze opbrengt niets meer over. De man verwijst naar de door hem overgelegde verklaring van de tussenpersoon van de man.

27. Het hof oordeelt als volgt. Uit de door de vrouw overgelegde “Belastingen aanslagjaar 1996” blijkt duidelijk dat er in 1995 in ieder geval twee levensverzekeringen ten name van de man – en dus niet ten name van [de NV]. waren, met de polisnummers: L-31/0255.098 en L-31/0255.099. Volgens de man zijn de polissen die op naam van de man staan reeds ruim voor de echtscheiding door de man afgekocht. Hij verwijst in dat verband naar de door hem overlegde verklaring van de tussenpersoon (productie 4 bij antwoord op incidenteel appel.

Uit die verklaring blijkt naar het oordeel van het hof echter niet meer dan dat er op 7 april 2009 geen lopende polissen op naam van de man zijn bij de maatschappij DVV of het kantoor van de tussenpersoon, zodat genoemde brief geen steun biedt voor de door de man gestelde afkoop.

De man stelt voorts dat de tussenpersoon DVV heeft benaderd met de vraag of zij nog stukken in hun archief hebben over deze afkoop en de datum van deze afkoop en dat DVV die verzoek in behandeling heeft genomen, maar hierop verder nog geen reactie is gevolgd. De man zal zich bij gelegenheid van de door het hof te gelasten comparitie ter zake nader dienen uit te laten.

28. Ten onrechte heeft de rechtbank ten aanzien van de [straat] overwogen dat huur-inkomsten bij de verdeling buiten beschouwing blijven, aldus grief 4 van de vrouw. Uit productie 25 blijkt dat de man de woning verhuurt. Hij is ook de ontvanger van de huur-penningen. De vrouw verkeert in bewijsnood om de concrete hoogte van de huurpenningen aan te tonen. De rechtbank had dat moeten onderkennen en aan de man opdracht moeten geven om bewijs van de hoogte van de huurpenningen te leveren nu evident is dat hij verhuurt en int. Volgens de vrouw gaat het over de periode juli 1995 t/m november 2008 in totaal om € 19.250,-.

29. Volgens de man draagt de vrouw ter zake de gestelde huuropbrengsten geen nieuwe bewijzen aan en heeft de rechtbank juist beslist. Er zijn door de man nimmer huuropbrengsten van de [straat] ontvangen. Het pand was geheel onderkomen en voor bewoning niet geschikt. Sedert 12 januari 2008 wordt het verhuurd aan een derde, waarbij is overeengekomen dat deze derde geen huur verschuldigd is maar als tegenprestatie opknapwerkzaamheden aan de woning verricht. In het verleden is de woning op dezelfde wijze voor korte tijd verhuurd geweest waarbij de woning echter tot 2008 grotendeels onbewoond is gebleven.

30. Het hof oordeelt als volgt. Vast staat dat genoemde woning in de ontbonden huwelijksgemeenschap valt, en derhalve ook de huuropbrengsten. De vrouw heeft in eerste aanleg (als productie 25) een stuk in het geding gebracht van de gemeente Bocholt, gedateerd 02-05-2007, waarop staan vermeld de “achtereenvolgende bewoners” van het pand aan de [straat]. Daaruit blijkt dat gedurende vrijwel de gehele door de vrouw genoemde periode onderscheiden personen in de administratie van de gemeente Bocholt ingeschreven hebben staan op het adres [straat] 81. De raadsman van de vrouw heeft in een begeleidend schrijven de door enkele van deze bewoners betaalde huur opgesomd in de akte overlegging producties 7 juni 2007. Tegen die achtergrond kon de rechtbank de huurovereenkomsten niet buiten beschouwing laten omdat de hoogte van de huur niet met bescheiden is onderbouwd en evenmin duidelijk is aan wie deze huur is betaald. De man kon in hoger beroep ook niet volstaan met de enkele stelling dat het pand geheel onderkomen was en voor bewoning niet geschikt was. In zoverre slaagt de grief van de vrouw. Het hof gaat er voorshands vanuit dat de woning tot november 2008 verhuurd is geweest en wel tegen de door de vrouw genoemde opbrengt van in totaal € 119.250,-. Het hof merkt in dat verband echter wel op dat ter gelegenheid van de in rechtsoverweging 4 bedoelde overeenkomst van partiële verdeling van 13 april 2007 het pand aan de [straat] aan de man is toegedeeld en eventuele huuropbrengsten nadien derhalve niet meer gemeenschappelijk zijn. Het hof zal de man in de gelegenheid stellen om tegenbewijs te leveren, zowel voor wat betreft de verhuur als voor wat betreft de opbrengst. De man zal zich bij gelegenheid van de te gelasten dienen uit te laten ten aanzien van de vraag of, en zo ja op welke wijze hij tegenbewijs wil leveren.

31. Tot slot betoogt de vrouw in haar vijfde grief dat de rechtbank ten onrechte ten aanzien van de man heeft overwogen dat de gebruikersvergoeding bij de verdeling buiten beschouwing blijft. De man had en heeft zijn vaste woon- en verblijfplaats op de [adres 1]. Dit was tevens het kantooradres en/of vestigingsadres van [de NV]. Uit het als productie 39 overgelegde overzicht blijk de achterstand van het huurdeel van de man een bedrag van

€ 73.796,75 te bedragen. De vrouw is van mening dat met dit bedrag alsnog bij de verdeling rekening moet worden gehouden. Volgens de man brengt de vrouw ten aanzien van deze stelling geen nieuw bewijs bij noch geeft zij enige juridische onderbouwing voor deze vordering. De rechtbank heeft juist beslist, aldus het verweer van de man.

32. Het hof is van oordeel dat de rechtbank juist heeft beslist en maakt deze beslissing en de daarvoor door de rechtbank gegeven motivering tot de zijne. Ook deze grief faalt.

33. Het hof zal zoals reeds hiervoor overwogen een comparitie van partijen gelasten teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten ten aanzien van hetgeen in de rechtsover-wegingen 4, 15, 21, 27 en 30 is overwogen.

De comparitie zal tevens worden aangewend voor het beproeven van een minnelijke regeling.

Beslissing

Het hof:

beveelt partijen danwel ieder van partijen een boedelbeschrijving als omschreven in rechtsoverweging 4 over te leggen en wanneer het geen gezamenlijke boedelbeschrijving betreft tevens met afschrift aan de wederpartij, uiterlijk op 30 april 2011;

beveelt partijen in persoon, vergezeld van hun raadslieden, in het kader van hetgeen hierboven in rechtsoverweging 33 is overwogen en voor het beproeven van een minnelijke regeling te verschijnen voor de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. P.B. Kamminga in een der zalen van het Paleis van Justitie, Prins Clauslaan 60 te ’s-Gravenhage op dinsdag 17 mei 2011 om 10.00 uur;

houdt ieder verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dusamos, Kamminga en Stollenwerck en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 maart 2011 in aanwezigheid van de griffier.