Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR3342

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-03-2011
Datum publicatie
28-07-2011
Zaaknummer
200.072.330
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Straat- en contactverbod. Omvang van het gebied waarvoor dit verbod geldt, de duur van het verbod en de aan het verbod te verbinden dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector familie

Zaaknummer :200.072.330/01

Zaaknummer rechtbank :87535/KG ZA 10-155

arrest van de familiekamer d.d. 1 maart 2011

inzake

[de man],

wonende te [gemeente],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. drs. J.F.M. van Weegberg kantoorhoudend te s’-Gravenhage,

tegen

[de vrouw],

wonende te [gemeente],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. I. Wagenaar kantoorhoudend te Groningen.

Het geding

Bij exploot van 18 augustus 2010 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis van 22 juli 2010 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Dordrecht, tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de voorzieningenrechter daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

Bij de (spoed)appeldagvaarding, waarbij drie producties zijn gevoegd, heeft de man tien grieven aangevoerd.

De man vordert dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de ingestelde vorderingen inzake de verboden, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, alsnog volledig zal afwijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties, eveneens uitvoerbaar bij voorraad.

De man heeft ter rolzitting van 31 augustus 2010 voor eis in hoger beroep geconcludeerd overeenkomstig de eis als omschreven in de dagvaarding in hoger beroep.

Bij brief van 1 september 2010 heeft het hof partijen bericht dat het verzoek tot spoedappel is afgewezen.

Bij memorie van antwoord, waarbij zes producties zijn gevoegd, heeft de vrouw de gronden van het hoger beroep bestreden. De vrouw heeft geconcludeerd de vordering van de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van het geding in beide instanties.

De man heeft vervolgens nog een akte uitlaten producties genomen.

Partijen hebben ieder een procesdossier overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In het door de vrouw overgelegde procesdossier in hoger beroep bevinden zich stukken die betrekking hebben op andere tussen partijen lopende procedures. Die stukken zijn in eerste aanleg niet overgelegd. Nu die stukken ook niet als producties aan de memorie van antwoord zijn gehecht en in die memorie ook niet wordt verwezen naar die stukken, maken zij geen deel uit van de processtukken in onderhavige zaak. Het hof laat derhalve de door de vrouw op het bij haar procesdossier gevoegde H3 formulier genoemde stukken onder de punten één tot en met vijf, zeven en acht bij de beoordeling in deze zaak buiten beschouwing.

2. Tegen de feiten zoals door de voorzieningenrechter vastgesteld onder 2 in het bestreden vonnis is niet opgekomen, zodat het hof in dit hoger beroep van die feiten uitgaat.

3. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad:

1) de man verboden om met ingang van de dag van betekening van het bestreden vonnis gedurende de periode van één jaar:

- zich op te houden en/of zich te begeven binnen de gemeentegrenzen van [gemeente];

- op welke manier dan ook, zowel via de moderne media als fysiek als middels derden, contact op te nemen met de vrouw en de minderjarige kinderen [kind], geboren op [datum] te [gemeente], en [kind 1], geboren op [datum] te [gemeente], behalve waar het de uitvoering van de zorgregeling betreft, en zolang niet in de procedure bij de rechtbank Groningen naar aanleiding van het verzoek van de vrouw tot schorsing van de zorgregeling anders is (of zal worden) beslist;

op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere overtreding van bovenstaande verboden, met een maximum van € 50.000,-;

2) de man veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van de vrouw tot aan de datum van het bestreden vonnis begroot op € 1.118,93.

Het meer of anders verzochte is afgewezen.

4. In geschil is het opleggen aan de man van een straat- en contactverbod en in dat kader de omvang van het gebied waarvoor het verbod geldt, de duur van het verbod alsmede de aan de overtreding van het verbod te verbinden dwangsom.

5. Het hof zal de eerste twee grieven van de man gezamenlijk bespreken. In de eerste grief voert de man aan dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door een beslissing te nemen zonder hem in de gelegenheid te hebben gesteld mondeling dan wel schriftelijk te reageren op het na de mondelinge behandeling bij de voorzieningenrechter door de vrouw in het geding gebrachte faxbericht van 20 juli 2010 met als bijlage het proces-verbaal van aangifte door de vrouw van 16 juli 2010. Dit klemt volgens de tweede grief temeer nu de voorzieningenrechter die de zitting van 6 juli 2010 heeft voorgezeten niet de voorzieningenrechter is geweest die het bestreden vonnis heeft gewezen. Deze laatste voorzieningenrechter heeft zich slechts kunnen baseren op de schriftelijke bescheiden en geen kennis kunnen nemen van hetgeen ter zitting is besproken.

6. Het hof oordeelt ten aanzien van de eerste en tweede grief als volgt. De man is in hoger beroep gekomen en heeft in de procedure in hoger beroep de gelegenheid zijn standpunt ten aanzien van genoemd faxbericht en de bijlage daarbij als ook ten aanzien van hetgeen ter zitting bij de voorzieningenrechter is besproken toe te lichten. Enig verzuim in eerste aanleg wordt op deze wijze in hoger beroep hersteld, zodat de man geen belang meer heeft bij deze grieven, die dan ook falen.

7. In zijn derde grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte in rechtsoverweging 5.1 aangeeft dat de zaak ter zitting van 6 juli 2010 pro forma is aangehouden tot 8 januari 2011, met de afspraak dat partijen in ieder geval tot die tijd over en weer geen contact met elkaar zullen zoeken en in het geval één van partijen dat toch doet, de andere partij dit aan de voorzieningenrechter mee kan delen en schriftelijk om vonnis kan vragen. De man voert in de toelichting aan dat hij nooit heeft bedoeld deze afspraak te maken, omdat hij een zorg- en opvoedingsregeling met zijn kinderen heeft en contact met de vrouw hierbij noodzakelijk is, mede gelet op het feit dat de vrouw dient zorg te dragen voor het halen en brengen van de kinderen.

8. Het hof overweegt als volgt. In het bestreden vonnis wordt vermeld, zoals ook de vrouw in hoger beroep stelt, dat tijdens de mondelinge behandeling bij de voorzieningenrechter op 6 juli 2010 is besproken dat er van wordt uitgegaan dat de raadslieden van partijen afspraken zullen maken over de vastgestelde zorgregeling, zodat aan de zorgregeling in enigerlei vorm uitvoering kan worden gegeven op een manier die geen contact tussen partijen en geen bezoek van de man aan [gemeente] met zich brengt. De advocaten is daarbij in overweging gegeven om te zoeken naar een neutrale derde, die een rol kan spelen in het tot stand brengen van het contact tussen de man en de kinderen. De man heeft tegen deze overweging geen grief gericht. Het hof gaat er daarom van uit dat de zorgregeling in de door de voorzieningenrechter bedoelde zin deel uitmaakte van de op 6 juli 2010 gemaakte afspraken. Daarmee heeft de voorzieningenrechter naar het oordeel van het hof in het kader van de gemaakte afspraak de uitvoering van de zorgregeling willen waarborgen zonder dat daarbij enig contact tussen de man en de vrouw en een bezoek van de man aan [gemeente] zou moeten plaatsvinden. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de in rechtsoverweging 5.1 van het bestreden vonnis opgenomen afspraak op de daartoe door de man in appel aangevoerde grond als ten onrechte in het vonnis opgenomen moet worden aangemerkt. De derde grief van de man faalt derhalve.

9. De man stelt vervolgens dat de rechtbank hem ten onrechte een straat- en contactverbod heeft opgelegd omdat er van enige stalking of contact van zijn zijde na de zitting van 6 juli 2010 geen sprake is geweest, en voorts de vrouw niet heeft aangetoond dat zij belang heeft bij rust en derhalve bij het door haar gevorderde verbod. In de grieven vier en vijf voert hij ter onderbouwing het volgende aan.

10. De man betwist in grief 4 vooreerst de inhoud van het faxbericht van 19 juli 2010. Het door de vrouw gestelde bezoek van hem aan [gemeente] is niet in de aangifte van de vrouw bij de politie van 16 juli 2010 te lezen en ongeloofwaardig is dat de vrouw ook namens de politie [gemeente] verzoekt om zo spoedig mogelijk vonnis te wijzen. De man betwist ook de inhoud van het bij brief van 20 juli 2010 aan de voorzieningenrechter overgelegde proces-verbaal van aangifte van de vrouw van 16 juli 2010. De aangifte is, met uitzondering van het daarin genoemde telefoontje dat een ambulancebroeder op verzoek van de man met de vrouw heeft gevoerd, geheel gelogen. De aangifte is ook ongeloofwaardig, omdat de door de vrouw gestelde poging van de man de kinderen in [gemeente] mee te nemen niet in de aangifte is gemeld. Een dergelijk belangrijk punt kan de vrouw niet eenvoudigweg vergeten zijn. De man merkt voorts op dat hij het geheime telefoonnummer van de vrouw, althans haar nieuwe telefoonnummers vanaf de dag na de zitting bij de voorzieningenrechter, niet kent. De handgeschreven brief waarover de vrouw en de verbalisant in het proces-verbaal van aangifte spreken is, anders dan wordt vermeld in dit proces-verbaal, niet bij het proces-verbaal gevoegd. De rechtbank had volgens de man meer moeten doen om het waarheidsgehalte van de aangifte te onderzoeken. De man betwist voorts dat hij direct na de mondelinge behandeling in het gebouw van de rechtbank of daarna een bedreigend gebaar naar de vrouw heeft gemaakt.

11. De vrouw handhaaft haar standpunt. Zij stelt in het bijzonder dat de man onverminderd op een ontoelaatbare en bedreigende wijze het leven van haar en de kinderen terroriseert. De kinderen zijn, vooral na het voorval op 17 juli 2010 waarbij de vader hen zomaar van straat heeft meegenomen, erg angstig. De vrouw heeft op 22 juli 2010 aangifte gedaan van dit voorval, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. De kinderen durven niet meer buiten te spelen en naar school te gaan, en zij slapen slecht. De vrouw heeft een intensief contact met Jeugdzorg, het maatschappelijk werk, de politie en het steunpunt huiselijk geweld. Deze instanties zijn van mening dat rust en veiligheid dringend geboden zijn. De handgeschreven brief van de man was wel in het bezit van de advocaat van de vrouw, doch abusievelijk niet (eerder) overgelegd.

12. Het hof overweegt als volgt. Een straat- en contactverbod maakt inbreuk op het grondrecht van de bewegingsvrijheid. Voor toewijzing van een dergelijke maatregel moet in hoge mate aannemelijk zijn dat er sprake is van feiten en omstandigheden die een inbreuk op dit recht kunnen rechtvaardigen. De uitoefening van dit recht mag aan geen andere beperkingen worden gebonden dan die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale of openbare veiligheid, voor de handhaving van de openbare orde, voor de voorkoming van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of van de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

13. De man heeft naar het oordeel van het hof de inhoud van de door de vrouw overgelegde processen-verbaal van 16 juli 2010 en 22 juli 2010 onvoldoende gemotiveerd betwist. In deze processen-verbaal maakt de vrouw melding van fysieke en verbale bedreigingen door de man en het telefonisch lastigvallen door de man. . De man voert slechts aan dat de vrouw de processen-verbaal bij elkaar gelogen heeft. De man ontkent niet dat hij, zoals is vermeld in het proces-verbaal van 22 juli 2010, de kinderen op 17 juli 2010 in [gemeente Y] heeft meegenomen. Niet gebleken is echter dat dit, zoals de man stelt, een contact betrof in het kader van de zorg- en opvoedingsregeling. Het hof acht dat ook onwaarschijnlijk, nu blijkens de beslissing van de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht van 8 oktober 2009 uitgangspunt bij de tussen partijen geldende verdeling van de zorgtaken is dat de vrouw de minderjarigen voor de omgang haalt en brengt in [gemeente]. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 8 is overwogen, is het hof van oordeel dat het gezien genoemde beslissing in kort geding en de op 6 juli 2010 gemaakte afspraken voor de man duidelijk had moeten zijn dat hij de kinderen slechts mocht zien nadat hierover via derden een afspraak was gemaakt. De man heeft niet gesteld noch is het hof gebleken dat een dergelijke afspraak was gemaakt voor 17 juli 2010. Dat het contact plaatsvond in [gemeente Y] en derhalve buiten het gebied waarvoor het straatverbod geldt, doet hieraan niet af. Het hof merkt voorts op dat de man niet betwist dat de kinderen van hetgeen zich op 17 juli 2010 heeft voorgedaan erg zijn geschrokken en daar angstgevoelens aan hebben overgehouden. Hij merkt hierover slechts op dat hij blij is dat hij in ieder geval weer een keer wat omgang met de kinderen heeft gehad, en dat de kinderen blij waren hem te zien.

14. In hetgeen hiervoor is overwogen ziet het hof bij een afweging van het belang van de man, om zich vrijelijk te kunnen bewegen tegen het belang van de vrouw en de kinderen, om zich veilig te voelen en zich ongestoord en veilig te kunnen bewegen, reeds voldoende grond voor een straat- en contactverbod. De stellingen van de man omtrent de (nieuwe) telefoonnummers van de vrouw, de door de vrouw overgelegde handgeschreven brief en de gestelde bedreiging in het rechtsgebouw, vervat in de grieven vier en vijf, behoeven derhalve geen bespreking meer, zodat het hof ook niet toekomt aan het bewijsaanbod te dien aanzien van de vrouw. Het hof acht voldoende aannemelijk dat het in het belang van de vrouw – en van de bij haar inwonende kinderen – is dat er enige tijd rust komt. Voor zover de zekerheid dat de man op afstand zal blijven bijdraagt aan het tot stand komen daarvan, heeft de vrouw een (spoedeisend) belang bij het gevorderde straat – en contactverbod. Daaraan doet de nog altijd lopende zorg- en opvoedingsregeling niet af. Ook grief zes faalt.

15. In de grieven zeven tot en met negen betoogt de man dat het opgelegde straat- en contactverbod disproportioneel is in toepassingsgebied, duur en hoogte van de (maximale) dwangsom. Het hof ziet geen aanleiding om het verbod te beperken tot een kleiner gebied dan de gemeente [gemeente]. Deze beperking van de man in zijn bewegingsvrijheid is redelijk te achten, nu de man niet heeft gesteld dat hij enige economische band met [gemeente] heeft dan wel voor andere persoonlijke redenen (regelmatig) in [gemeente] dient te zijn. Het enkele argument dat niet valt uit te sluiten dat hij in het komende jaar bijvoorbeeld vrienden of kennissen moet bezoeken of een bijeenkomst moet bijwonen is daartoe onvoldoende. Grief zeven faalt derhalve. In hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 13 is overwogen, ziet het hof geen aanleiding af te wijken van de door de voorzieningenrechter gehanteerde termijn van één jaar en de dwangsom van € 500,- voor iedere overtreding van de verboden tot een maximum bedrag van € 50.000,-. De grieven acht en negen falen ook.

16. Grief tien van de man ziet op de proceskostenveroordeling. Nu het hof de bestreden beslissing zal bekrachtigen ziet het hof geen aanleiding voor een ander oordeel ten aanzien van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. De grief faalt. Het hof ziet in de omstandigheid dat de man in eerste aanleg ten onrechte niet heeft kunnen reageren op het door de vrouw overgelegde proces-verbaal van 16 juli 2010, en deze reactie eerst in hoger beroep heeft kunnen geven, aanleiding de proceskosten in hoger beroep te compenseren als na te melden.

17. De conclusie is dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten

draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Kamminga, Mink en Van Dijk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 maart 2011 in aanwezigheid van de griffier.