Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR3170

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-07-2011
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
200.077.244-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2010:BO0440, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Executiegeschil betreffende de uitleg over omvang van een erfdienstbaarheid, vastgesteld in eerdere arresten van het hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.077.244/01

Zaak-/rolnummer rechtbank: 376266/KG ZA 10-1170

arrest d.d. 26 juli 2011

inzake

1. [Naam],

wonende te [Woonplaats],

2. [Naam],

wonende te [Woonplaats],

3. [Naam],

wonende te [Woonplaats],

4. [Naam],

wonende te [Woonplaats],

5. a. [Naam],

wonende te [Woonplaats], gemeente […],

b. [Naam],

wonende te [Woonplaats],

c. [Naam],

wonende te [Woonplaats],

d. [Naam],

wonende te [Woonplaats],

tezamen handelende onder de naam […],

gevestigd te […],

6. [Naam],

wonende te [Woonplaats],

appellanten,

hierna tezamen noemen: [appellant 1] c.s.,

advocaat: mr. M. Koudstaal te Haarlem,

tegen

PRORAIL B.V.,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde,

hierna te noemen: NS of ProRail,

advocaat: mr. G.C.W. van der Feltz te ’s-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 9 november 2010 is [appellant 1] c.s. in hoger beroep gekomen van het vonnis van 4 oktober 2010, dat door de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage tussen partijen is gewezen. Bij memorie van grieven, tevens akte wijziging/aanvulling van eis (met producties) heeft [appellant 1] c.s. vijf grieven tegen dat vonnis opgeworpen en zijn eis in reconventie gewijzigd en aangevuld. ProRail heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden en tot afwijzing van de gewijzigde vorderingen geconcludeerd. Hierna hebben partijen kopiedossiers overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De rechtbank heeft onder het kopje “1. De feiten in conventie en reconventie ” een aantal feiten vastgesteld, waartegen niet is opgekomen. Ook het hof gaat van die feiten uit.

2. Met zijn eerste grief klaagt [appellant 1] c.s. erover, dat de voorzieningenrechter de feiten onvolledig heeft vastgesteld. Wat [appellant 1] c.s. met deze grief naar voren brengt, zal het hof in zijn overwegingen betrekken.

3. Met inachtneming van de vastgestelde feiten en van hetgeen overigens uit de stukken naar voren is gekomen, gaat het in deze zaak om het volgende.

3.1. Tussen partijen bestaat een langlopend geschil over het bestaan dan wel de omvang van een erfdienstbaarheid van weg ten laste van gronden die (onder meer) aan (toen NS en thans) ProRail toebehoren, en ten behoeve van bloembollenpercelen van [appellant 1] c.s.

Die bloembollenpercelen konden bereikt worden via een weg over het land van een zekere […] die geen partij in dit geding is, de “Rustenburgerlaan”, welke laan uitkomt op een brug, de “Rustenburgerbrug”, die op haar beurt leidt naar een overweg over het spoor van ProRail (traject Leiden-Haarlem). Brug en spoorwegovergang waren eigendom van NS.

3.2. In 1993 heeft NS zonder [appellant 1] c.s. te raadplegen en in strijd met de daarop rustende erfdienstbaarheid, de Rustenburgerbrug en de ter plaatse aanwezige spoorwegovergang verwijderd. [appellant 1] c.s. heeft daarop voor de rechtbank Utrecht een kort geding aangespannen tegen NS. Tijdens de behandeling van dat kort geding bereikten partijen (op 9 juli 1997) een regeling, die er op neerkwam, dat NS ervoor zorgde dat een pontonbrug, die in en over de Leidsevaart was neergelegd, gehandhaafd zou blijven totdat een definitieve ontsluiting van de aan [appellant 1] c.s. toebehorende percelen zou zijn gerealiseerd onder de verplichting van NS om de vergoedingen voor de bediening van de brug te voldoen.

3.3. [appellant 1] c.s. heeft een bodemprocedure tegen onder meer NS aangespannen, waarin in het kader van een erfdienstbaarheid van weg gevorderd werd wederaanleg en onderhoud van de Rustenburgerlaan, evenals van de brug en de spoorwegovergang ter hoogte van die laan, in volgens de eisen van de moderne tijd aangepaste uitvoering met onder andere de mogelijkheid van gebruik door werkverkeer tot een gewicht van 40 ton.

3.4. Toen NS tijdens deze (langlopende) procedure de huurovereenkomst ten aanzien van de pontonbrug dreigde op te zeggen, heeft [appellant 1] c.s. opnieuw een kort geding tegen NS aangespannen voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht. NS werd bij vonnis van 13 januari 2005 veroordeeld de huidige pontonbrug te handhaven (met vergoeding voor de bediening), totdat een definitieve ontsluiting van de percelen zal zijn gerealiseerd.

3.5. De bodemprocedure mondde in hoger beroep, waarin een aantal tussenarresten is geslagen en getuigen zijn gehoord, uit in een eindarrest van dit hof van 22 november 2007, waarin de vordering van [appellant 1] c.s., voorzover strekkende tot het bestaan van een erfdienstbaarheid tot gebruik door [appellant 1] c.s. van de (voormalige) Rustenburgerbrug en de daarachter gelegen (voormalige) spoorwegovergang om hun (aan de westzijde van de spoorweg gelegen) landbouwgronden te bereiken werd toegewezen. (Onder meer) NS werd veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding op te maken bij staat en in 2008 heeft [appellant 1] c.s. een schadestaatprocedure aanhangig gemaakt.

3.6. ProRail heeft in 2009 de Rustenburgerbrug heraangelegd, volgens ProRail in dezelfde dimensies en met hetzelfde draagvermogen als zij hadden in de periode vanaf de Tweede Wereldoorlog tot de amovering begin jaren negentig.

ProRail heeft de huur van de pontonbrug opgezegd en voldoet sedert 1 januari 2010 de vergoeding voor de bediening niet meer.

3.7. Volgens [appellant 1] c.s. is met de aanleg van deze nieuwe brug geen definitieve ontsluiting van de percelen gerealiseerd. Hij heeft executie van het vonnis van 13 januari 2005 van de voorzieningenrechter Utrecht aangezegd en maakt aanspraak op verbeurde dwangsommen.

4. In dit kort geding vordert ProRail, kort gezegd, primair een verbod tot verdere executie van het vonnis van 13 januari 2005, subsidiair een verbod tot executie totdat in een onherroepelijk vonnis in de bodemprocedure is vastgesteld dat ProRail onvoldoende uitvoering aan het vonnis heeft gegeven en meer subsidiair matiging van de dwangsommen, met veroordeling van [appellant 1] c.s. in de proceskosten.

In reconventie vordert [appellant 1] c.s., na eiswijziging in hoger beroep, kort gezegd:

- dat het hof ProRail een nieuwe dwangsom oplegt van € 10.000 per dag voor elke dag dat ProRail niet voldoet aan het vonnis van 13 januari 2005 onder handhaving van de reeds verbeurde dwangsommen;

- dat ProRail haar verplichtingen nakomt en binnen twee maanden na betekening van het vonnis een brug/overweg bouwt van tenminste 4 meter breed en met een draagvermogen van tenminste 30-45 ton en de spoorwegovergang conform de geldende normen beveiligt, een en ander op straffe van een dwangsom van € 10.000 per dag, althans ProRail veroordeelt om met [appellant 1] c.s. te onderhandelen teneinde tot een goede ontsluiting van de percelen te komen;

en

voor het geval het hof meent dat het vonnis van 13 januari 2005 niet meer kan worden geëxecuteerd,

- dat ProRail wordt veroordeeld de pontonbrug te handhaven en de bediening ervan te vergoeden totdat een definitieve ontsluiting zal zijn gerealiseerd in de zin dat een brug wordt gebouwd of er een uitweg komt zodat [appellant 1] c.s. de afgesloten percelen op normale wijze kunnen bereiken met hun materieel, op straffe van een dwangsom.

5. De voorzieningenrechter heeft de vordering van ProRail toegewezen en de vorderingen van [appellant 1] c.s. afgewezen. Samengevat heeft de voorzieningenrechter overwogen, dat voorshands uit het tussenarrest van dit hof van 29 december 2005 in samenhang met het rechtbankvonnis van 28 april 1999, dient te worden afgeleid dat ProRail slechts gehouden is de Rustenburgerbrug terug te brengen in de staat waarin deze zich bevond op het moment van de afbraak in 1993. ProRail heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter met de aanleg van de nieuwe brug, een brug met een draagverrmogen van 3 à 4 ton, daaraan voldaan. Daarmee heeft zij voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een definitieve ontsluiting van de percelen heeft gerealiseerd, zodat de voorlopige voorzieningen die de voorzieningenrechter in het vonnis van 13 januari 2005 heeft getroffen hun werking hebben verloren.

6. Volgens de tweede grief moet het begrip “definitieve ontsluiting” niet alleen worden bepaald aan de hand van de uitspraken in de bodemprocedure maar mede aan de hand van de afspraken die partijen hebben gemaakt in het kort geding van 1997, waarop het vonnis van 13 januari 2005 voortborduurt. De voorzieningenrechter heeft in dat vonnis overwogen dat [appellant 1] c.s. geen onredelijke eisen stelde door in dat kort geding een ontsluiting te verlangen die voor zwaarder materieel geschikt is dan destijds de Rustenburgerlaan en Rustenburgerbrug waren. Volgens [appellant 1] c.s. betekent dit dat de definitieve ontsluiting in redelijkheid mogelijkheden moet bieden om daar met zwaarder materieel over te gaan. [appellant 1] c.s. wijst ook op de overweging van de rechtbank in het vonnis van 20 oktober 2010, gewezen in de schadestaatprocedure, inhoudende dat zij het ermee eens is dat het nieuwe bruggetje van 2,10 meter breed en met een maximale last van 4 ton in de huidige moderne tijd geen zinvolle ontsluiting meer vormt voor de door [appellant 1] c.s. geëxploiteerde bollenpercelen.

7. Het hof overweegt als volgt.

8. In het vonnis van 13 januari 2005 is een voorlopige voorziening getroffen in afwachting van de beslissing in de bodemprocedure omtrent het bestaan en de omvang van de erfdienstbaarheid.

9. Het oordeel van (uiteindelijk) dit hof in de bodemprocedure is geweest, dat er sprake is van een erfdienstbaarheid inhoudende dat [appellant 1] c.s. via de voormalige brug en de spoorwegovergang de percelen kon bereiken. [appellant 1] c.s. kon volgens dit hof aan de bestaande erfdienstbaarheid evenwel geen aanspraak ontlenen op wederaanleg van de “Rustenburgsituatie” die is aangepast aan de moderne tijd en geschikt is gemaakt voor gebruik door werkverkeer van en naar de percelen tot 40 ton gewicht (rechtsoverweging 21 van het arrest van 29 december 2005).

10. Met betrekking tot de constructie van de voormalige brug heeft het hof overwogen (zie rechtsoverweging 3 van het arrest van 29 december 2005) dat uit de getuigenverhoren is gebleken dat de brug ongeveer twee meter breed en licht van constructie was, dat de brug tijdens de hongerwinter is afgebroken en enkele jaren na de oorlog is vervangen door een nieuwe brug van soortgelijke constructie. Voorts heeft het hof in rechtsoverweging 20 van dat arrest, op grond van de getuigenverhoren, onder meer overwogen, dat de brug hooguit en min of meer regelmatig werd gebruikt door betrekkelijk licht vracht- en werkverkeer. Daarbij verwijst het hof naar verklaringen waarin wordt gesproken van vrachtauto's met een laadvermogen van 3,5 tot 4 ton.

Aangezien voorts het hof in rechtsoverweging 15 van het tussenarrest van 8 januari 2003 overwoog dat het resultaat van de bewijslevering bepalend zou zijn voor het antwoord op de vraag naar de omvang van de erfdienstbaarheid omdat eerst dan de vraag kon worden beantwoord welk gebruik [appellant 1] c.s. laatstelijk van de erfdienstbaarheid heeft gemaakt, kan uit een en ander geen andere conclusie worden getrokken dan dat het hof omtrent de omvang van de erfdienstbaarheid van oordeel is geweest, dat de brug een brug van ongeveer twee meter breed met een draagvermogen van circa 4 ton moest zijn.

11. Op grond van de op de overgelegde foto’s zichtbare verkeersborden neemt het hof voorshands aan dat ProRail in 2009 een brug heeft neergelegd van 2,10 meter breed met een draagvermogen van 4 ton. Daarmee voldoet deze brug aan de omvang van de erfdienstbaarheid. De opmerkingen en overwegingen van de voorzieningenrechter in het vonnis van 13 januari 2005 en die van de rechtbank ’s-Gravenhage in het vonnis van 20 oktober 2010 omtrent ontsluiting voor zwaarder materieel ten spijt, is het hof van oordeel dat ProRail met de aanleg van deze brug voldaan heeft aan haar verplichting.

12. Het betoog van [appellant 1] c.s. dat uit de notariële akte uit 1842 zou volgen dat de brug vijf ellen breed (zijnde 3.44 meter) moet zijn, kan [appellant 1] c.s. niet baten, nu de omvang van de erfdienstbaarheid is vastgesteld in vorengenoemde zin.

13. De tweede grief faalt dan ook.

14. Met de eerste en de derde grief betoogt [appellant 1] c.s. dat hij feitelijk geen toegang heeft tot de bloembollenpercelen, omdat ProRail de brug met hekken heeft afgesloten en van een slot heeft voorzien en de sleutels eerst aan [appellant 1] c.s. ter beschikking wil stellen, als hij een zogenaamde sleutelverklaring ondertekent. Door die sleutelverklaring te eisen ontzegt ProRail, volgens [appellant 1] c.s. aan hem zijn recht op een uitweg, welk recht hij heeft op grond van art. 34 van de Spoorwegwet 1875.8. Volgens dat artikel heeft degene wiens landen door een spoorweg wordt gescheiden een recht van uitweg.

15. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

16. De betreffende spoorovergang is onbewaakt. Om te voorkomen dat anderen dan de zakelijk gerechtigden gebruik (kunnen) maken van de brug heeft ProRail een hek geplaatst, dat hek van een slot voorzien en alvorens de sleutel aan [appellant 1] c.s. te willen overhandigen wenst ProRail dat deze een sleutelverklaring ondertekent. Die verklaring houdt, zakelijk weergegeven, het volgende in:

De ontvanger van de sleutel bevestigt dat hij de sleutel alleen zelf zal gebruiken of door een medewerker van zijn bedrijf zal laten gebruiken, bevestigt dat hij ervan op de hoogte is dat de spoorovergang niet beveiligd is en dat daarom bij gebruik van de spoorovergang een aantal maatregelen wordt genomen (ter beveiliging van degenen die gebruik maken van de overgang) en dat hij geen kopieën van de sleutel zal laten maken.

17. Het hof acht deze eisen voorshands niet onredelijk. De sleutelverklaring die nodig is ter verkrijging van de sleutel kan dan ook niet worden gezien als een belemmering om gebruik te maken van de erfdienstbaarheid, welke [appellant 1] c.s. een uitweg geeft.

18. Ook deze beide grieven falen.

19. Met de vierde grief brengt [appellant 1] c.s. een aantal argumenten naar voren, waarom de neergelegde brug en de aangelegde Rustenburgerlaan niet voldoen aan de erfdienstbaarheid.

20. Voor wat betreft de bezwaren tegen de Rustenburgerlaan overweegt het hof dat die in deze procedure niet aan de orde kunnen komen, omdat de Rustenburgerlaan niet toebehoort aan ProRail maar deel uitmaakt van een ander dienend erf, dat toebehoort aan zekere [...], die geen partij is in deze procedure.

21. [appellant 1] c.s. voert ten aanzien van de brug aan dat de oprijtaluds naar de brug te steil zijn. Uit het vonnis van de voorzieningenrechter in deze zaak volgt, dat de advocaat van ProRail naar voren heeft gebracht dat ProRail bereid is om in overleg met [appellant 1] c.s. dit punt aan te passen. Dit punt is dan ook onvoldoende om aan te nemen dat geen sprake is van een definitieve ontsluiting. Dat de brug onveilig is, is niet onderbouwd en wordt betwist, zodat ook aan die stelling voorbijgegaan wordt.

Ook aan de stelling van [appellant 1] c.s. dat de brug op een verkeerde locatie ligt, wordt voorbijgegaan. Voor de vaststelling of ProRail met de huidige brug een definitieve ontsluiting heeft gerealiseerd, lijkt dat niet relevant en voor het overige gaat de beantwoording van die vraag het kader van dit kort geding te buiten.

22. Al wat [appellant 1] c.s. voorts betoogt omtrent de brug komt erop neer dat hij opnieuw aanvoert dat de omvang van de erfdienstbaarheid tot aanleg van een grotere brug had moeten leiden, maar dat betoog stuit af op hetgeen hiervoor ten aanzien van de eerste en derde grief is overwogen.

23. Ook deze grief strandt.

24. De vijfde grief heeft geen zelfstandige betekenis en deelt het lot van de overige grieven.

25. De slotsom is dat alle grieven falen. De gewijzigde vorderingen, die alle ervan uitgaan dat geen sprake is van een definitieve ontsluiting, worden afgewezen en het vonnis zal worden bekrachtigd.

Beslissing

Het hof:

- wijst alle gewijzigde vorderingen af;

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellant 1] c.s. in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van ProRail bepaald op € 640 aan griffierecht en op € 894 aan salaris voor de advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, A.V. van den Berg en J. Kramer en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juli 2011 in aanwezigheid van de griffier.