Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2968

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-06-2011
Datum publicatie
26-07-2011
Zaaknummer
200.011.580/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opgewekte verwachtingen. Omvang van de schade. Risico-aanvaarding. Eindarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

Zaaknummer : 200.011.580/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : 277950 / HA ZA 07-338

Arrest van 7 juni 2011

inzake

[Naam],

wonende te [Plaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.J. Turenhout te Alphen aan den Rijn,

tegen

HET HOOGHEEMRAADSCHAP VAN SCHIELAND EN DE KRIMPENERWAARD,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: het Hoogheemraadschap,

advocaat: mr. M. Rus-van der Velde te 's-Gravenhage.

Het geding

Voor het verloop van het geding tot het tussenarrest van 15 december 2009 verwijst het hof naar dat arrest (LJN: BK9805). De bij deze uitspraak bepaalde comparitie van partijen heeft op 2 maart 2010 plaatsgevonden, nadat [appellant] bij brief van 29 januari 2010 stukken in het geding had doen brengen. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens is de zaak naar de rol verwezen en hebben beide partijen nog een memorie genomen, gevolgd door een akte tot rectificatie van de zijde van [appellant]. Tot slot hebben partijen hun procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd.

De verdere beoordeling van het hoger beroep

1 In zijn memorie na comparitie heeft [appellant] rechtsoverweging 3.4.10 van het tussenarrest ter discussie gesteld, naar het hof begrijpt met de bedoeling dat het hof daarop terugkomt.

1.1 Deze rechtsoverweging luidt als volgt:

Het hof is van oordeel dat het Hoogheemraadschap niet alle - nader vast te stellen - schade zal moeten vergoeden, omdat het duidelijk is dat [appellant] bij de aankoop van de woonark een aanmerkelijk risico heeft genomen dat als gevolg van de toen bekende slechte conditie van de Snelle Sluis het schutten van het schip op problemen zou kunnen stuiten. In zoverre is er grond de schade ten dele voor rekening van [appellant] te laten.

1.2 [appellant] heeft deze rechtsoverweging bestreden met het standpunt "dat het voor hem ten tijde van de aankoop van zijn woonschip niet voorzienbaar was dat het schutten van zijn woonschip via de Snelle Sluis in de toekomst niet meer mogelijk zou zijn. [appellant] is derhalve de mening toegedaan dat het onjuist is om de schade wegens voorzienbaarheid ten dele voor zijn rekening te laten."

1.3 In de geciteerde rechtsoverweging ligt echter als oordeel van het hof besloten dat de schade waarvan [appellant] in dit geding vergoeding vordert, voor hem niet voorzienbaar was. Was dat wel het geval geweest, dan zou de schade geheel voor zijn rekening moeten blijven. Het hof heeft daarentegen in de genoemde rechtsoverweging een ander vraagstuk onder ogen gezien, namelijk in hoeverre [appellant] het risico heeft genomen dat het schutten van zijn woonschip in de toekomst op problemen zou kunnen stuiten. Het hof ziet geen grond om op zijn oordeel dienaangaande terug te komen. [appellant] moest er immers, op grond van de informatie die hem van de zijde van het Hoogheemraadschap voorafgaand aan de aankoop van zijn woonschip had bereikt, rekening mee houden dat er op dat moment aanmerkelijke problemen met het functioneren van het sluizenstelsel waren en dat afgewacht moest worden of deze op een zodanige wijze zouden kunnen worden opgelost dat het schutten van het woonschip weer zonder problemen zou kunnen gaan plaatsvinden. In zoverre was er op dat moment onzekerheid, zodat [appellant] het risico heeft genomen dat de ontwikkelingen anders zouden uitpakken dan hij gehoopt of verwacht heeft.

1.4 Aan dit oordeel doet niet af hetgeen [appellant] ter onderbouwing van zijn standpunt verder nog heeft aangevoerd.

2 [appellant] heeft zijn vordering bij memorie na comparitie gewijzigd.

2.1 De achtergrond hiervan wordt gevormd door het volgende. In dit geding is er zowel door partijen als door het hof van uitgegaan dat het niet meer mogelijk is het woonschip via het sluizenstelsel te schutten omdat de lengte van het schip in verbinding met de zwakte van de benedensluis daaraan in de weg staat. Intussen, naar het hof begrijpt: na het tussenarrest en de comparitie van partijen, heeft in opdracht van het Hoogheemraadschap een onderzoek door de heer […], verbonden aan Lekstroom Transport B.V. (hierna: [E]), plaatsgevonden. Deze heeft een methode beschreven om het schutten toch uit te voeren. De daarbij uit te voeren stappen zijn door het Hoogheemraadschap uiteengezet in zijn memorie van antwoord na comparitie. Deze ontwikkeling werpt een nieuw licht op de zaak.

2.2 [appellant] heeft in verband hiermee zijn vordering gewijzigd, en wel in die zin dat hij thans - zakelijk weergegeven - vordert:

primair: de veroordeling van het Hoogheemraadschap om eraan mee te werken dat, met gebruikmaking van de door [E] beschreven methode van schutten of door het treffen van een noodvoorziening, periodiek het woonschip de Ringvaart kan verlaten en daar weer kan terugkeren voor het door [appellant] of een opvolgend eigenaar uit te voeren onderhoud,

subsidiair: de veroordeling van het Hoogheemraadschap om eenmalig medewerking te verlenen aan het schutten van het woonschip op de beschreven wijze en om voorts als schadevergoeding aan [appellant] te voldoen een bedrag van € 416.876,20, althans een door het hof ex aequo et bono te betalen bedrag,

meer subsidiair: de veroordeling van het Hoogheemraadschap om het genoemde bedrag als schadevergoeding uit te keren,

telkens met veroordeling van het Hoogheemraadschap om de werkelijk door [appellant] gemaakte proceskosten te vergoeden.

2.3 Het Hoogheemraadschap heeft er op zich geen bezwaar tegen gemaakt dat [appellant] zijn vordering wijzigt. Het heeft de vordering wel op inhoudelijke gronden bestreden.

2.4 De zogenaamde twee-conclusie-regel (zie HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21) beperkt de aan de oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van zijn eis in hoger beroep, in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in de memorie van grieven of van antwoord mag veranderen of vermeerderen. Op deze in beginsel strakke regel heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 19 juni 2009 (NJ 2010, 154) uitzonderingen aanvaard, onder meer in het geval dat de verandering van eis in een later stadium van de procedure wordt opgebracht met de bedoeling de vordering aan te passen aan en te baseren op inmiddels voorgevallen of gebleken feiten. Ook in dat geval geldt echter onverkort het vereiste dat de eisverandering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde.

2.5 Het hof is van oordeel dat zich in dit geval deze uitzondering voordoet en dat, nu partijen over de gewijzigde vordering een voldoende debat hebben kunnen voeren, van strijd met de eisen van een goede procesorde geen sprake is.

2.6 Het hof zal bij de verdere beoordeling van het hoger beroep dan ook uitgaan van de gewijzigde vordering.

3 Aan zowel het primair als het subsidiair gevorderde ligt ten grondslag dat het Hoogheemraadschap het op zijn kosten mogelijk moet maken dat het woonschip (verder ook wel: de Amandi) de Ringvaart kan verlaten.

3.1 Het hof begrijpt hetgeen het Hoogheemraadschap dienaangaande aangevoerd heeft aldus, dat het er geen bezwaar tegen heeft om medewerking te verlenen aan het eenmalig schutten van de Amandi volgens de door [E] beschreven methode en dat tegen die methode als zodanig, hoewel complex, evenmin doorslaggevende bezwaren bestaan. Het Hoogheemraadschap heeft uiteengezet dat het niet mogelijk zal zijn de Amandi op zijn plek te laten terugkeren. Ook een periodieke herhaling van de 'exercitie' acht het Hoogheemraadschap niet mogelijk. Bovendien behoren de met de eenmalig uit te voeren 'exercitie' samenhangende kosten voor rekening van [appellant] te blijven, aldus het Hoogheemraadschap. Tot slot trekt het Hoogheemraadschap in dit verband nog in twijfel of het onderhoud aan de Amandi al op korte termijn dient plaats te vinden.

3.2 In het tussenarrest is uiteengezet waarom het Hoogheemraadschap jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld. Het wegnemen van het nadeel door het verlenen van hulp in natura is daar toen nog voor onmogelijk gehouden, maar dat is nu anders geworden. [appellant] vordert thans in feite een schade-vergoeding in natura. Het hof is van oordeel dat dat nu inderdaad de het meest in de rede liggende vorm van schadevergoeding is. Daarmee wordt [appellant] in de positie gebracht die het Hoogheemraadschap op het oog had ten tijde van de brieven die zijn geciteerd in de rechtsoverwegingen 3.4.3 en 3.4.4 van het tussenarrest, en die waarin hij verkeerd zou hebben wanneer het Hoogheem-raadschap hem in 1992 ervoor had gewaarschuwd dat hij na het verlaten van de Ringvaart daar niet zou kunnen terugkeren. Daartoe moet het Hoogheemraad-schap dan ook gehouden geacht worden.

3.3 In evengenoemde brieven heeft het Hoogheemraadschap wel een marge van beslissingsvrijheid voorbehouden in de bepaling van de mate, vorm en frequentie waarin van zijn zijde medewerking kon worden verwacht. Dat acht het hof niet onredelijk. Het standpunt van het Hoogheemraadschap dat het niet zal meewerken aan terugkeer van de Amandi naar de Ringvaart, blijft binnen die marge. Dat betekent dat [appellant] thans niet méér kan verlangen dan dat het hem mogelijk wordt gemaakt om volgens de door [E] beschreven methode met het woonschip de Ringvaart te verlaten. Daarmee is tevens het achterwege laten van de waarschuwing in 1992 geredresseerd. Terzijde merkt het hof op dat alleen [appellant] zelf deze medewerking kan verlangen, niet zijn eventuele rechtsopvolgers, aangezien het Hoogheemraadschap jegens hen niet onrechtmatig heeft gehandeld.

3.4 Aan het voldoen van schadevergoeding in natura is inherent dat de daarmee gemoeide kosten voor rekening komen van degeen die tot het verschaffen daarvan gehouden is. Dat heeft ook in dit geval te gelden, te meer omdat het Hoogheemraadschap niet gesteld heeft dat in het verleden aan dergelijke medewerking de eis verbonden is om de kosten geheel of ten dele voor rekening te laten van degeen die de medewerking behoefde. Het Hoogheemraadschap heeft verder ook niet gesteld dat het schutten van de Amandi volgens de methode-[E] tot hogere kosten leidt dan het verwijderen van het woonschip door het uit de Ringvaart te lichten en over de weg te vervoeren. De door het hof aangenomen beperkte risico-aanvaarding vertaalt zich er aldus niet in dat [appellant] de kosten van de stappen, die in § 3.4 van de memorie van antwoord na comparitie zijn opgesomd, al dan niet ten dele voor zijn rekening moet nemen.

3.5 Het Hoogheemraadschap stelt dat [appellant] niet (voldoende) duidelijk heeft gemaakt dat het voor de inspectie en reparatie noodzakelijk is om de Amandi af te voeren. [appellant] heeft verwezen naar een door hem in het geding gebracht (taxatie)rapport d.d. 4 januari 2010 van Drijvend Wonen Advies en bemiddeling inzake woonboten en andere drijvende woningen. Dit rapport vermeldt onder meer:

"Dit schip is gedurende 17 jaar niet uit het water geweest. Voor dergelijke schepen met een dergelijke leeftijd is het raadzaam een periode tussen twee werfbezoeken op maximaal 5 jaar te stellen. [...] Bij een dergelijk schip is het niet mogelijk een correcte meting te verrichten van de dikte van het staal, terwijl het in het water ligt. Het is niet bekend in welke staat het onderwaterdeel van de romp zich thans bevindt. Waarschijnlijk is dit (na een overschrijding van drie keer de wenselijke of vereiste periode) in slechte tot zeer slechte staat.".

Op deze bevinding sluit aan een door het Hoogheemraadschap in het geding gebracht (taxatie)rapport d.d. 3 juni 2010 van Hans Kok Woonbotenmakelaar, waarin onder meer wordt vermeld:

"Volgende hellingbeurt: Zeer spoedig!

Inspectieluiken: Geen

Inspectiemogelijkheid: Geen [...]

Gezien de laatste werfbeurt in 1994 moet er rekening gehouden worden met aanzienlijke reparatiekosten aan het onderwaterschip.".

Deze gegevens, gevoegd bij het van algemene bekendheid zijnde feit dat een (woon)schip met een stalen romp periodiek gehellingd moet worden om dit onder de waterlijn aan inspectie en onderhoud te onderwerpen, laten geen twijfel over het feit dat de Amandi zeer spoedig tot dat doel de Ringvaart zal moeten verlaten. Het hier besproken verweer van het Hoogheemraadschap snijdt dan ook geen hout.

4 [appellant] heeft zijn subsidiaire vordering tot medewerking gepaard doen gaan met een vordering tot het vergoeden van schade. Hij verwijst daartoe naar de brief d.d. 29 januari 2010 van zijn advocaat aan het hof.

4.1 In die brief wordt nog uitgegaan van kosten van afvoer door Mammoet, maar dat uitgangspunt is nu niet meer actueel.

4.2 Verder meent [appellant] dat de Amandi zal moeten worden gesloopt en dat hij tegen een prijs van € 286.000,- een geheel nieuw woonschip zal moeten aankopen. [appellant] heeft dat onderbouwd door erop te wijzen dat de Amandi, zo begrijpt het hof, een incourant object is, dat bij verkoop weinig zal kunnen opbrengen. Daarom zou het woonschip slooprijp zijn. Bovendien zal, stelt hij, een vervangend, tweedehands gekocht, schip noodzakelijkerwijs niet een vergelijkbaar wooncomfort verschaffen.

4.3 Het hof kan [appellant] in deze gedachtegang niet volgen. Deze schade - wat daarvan zij - komt niet voor vergoeding in aanmerking omdat zij, gegeven de aard van de aansprakelijkheid en de schade, niet aan het Hoogheemraadschap kan worden toegerekend als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijk-heid van het Hoogheemraadschap berust.

Ten overvloede overweegt het hof daarnaast nog het volgende.

Uit de gedingstukken valt op te maken dat de (markt)waarde van een woonschip met de daaraan verbonden ligplaats wordt bepaald door twee elementen, te weten de handelswaarde van het schip zelf en de waarde van ligplaats.

Tijdens de comparitie van partijen is namens het Hoogheemraadschap mede-gedeeld dat [appellant] met een andere woonark op de ligplaats kan terugkeren. Het element 'ligplaats' blijft dus door [appellant] ook na de verwijdering van de Amandi behouden.

Het schip zelf kan door [appellant] ten verkoop aangeboden worden. Sloop ligt niet in de rede, aangezien de hierboven onder 3.5 genoemde taxatierapporten aan het schip een verkoopwaarde zonder ligplaats toekennen die uiteenloopt van "Tussen € 0,-- en € 25.000,--" (Drijvend Wonen) tot € 65.000,- (Hans Kok). Omdat het schip evenwel vooral voor een liefhebber interessant lijkt te zijn en niet eenvoudig een ligplaats lijkt te kunnen innemen, zal de verkoop met behoedzaamheid en geduld tot stand gebracht moeten worden, zoals dat ook met bijzondere woonhuizen het geval is. Op deze manier zal [appellant] de actuele marktwaarde van zijn schip kunnen realiseren.

Met de aldus verkregen koopsom kan hij zich op dezelfde tweedehands markt, wellicht ook met enig geduld, een zoveel mogelijk gelijkwaardig woonschip verschaffen. Dat zal allicht niet de emotionele waarde hebben die de Amandi voor hem heeft en wellicht ook niet hetzelfde wooncomfort bieden, maar die verschillen kunnen niet beschouwd worden als een gevolg van een onrechtmatig toedoen of nalaten van het Hoogheemraadschap. Zij vinden hun oorzaak in de, aan het primair en subsidiair gevorderde ten grondslag liggende, beslissing van [appellant] om de Amandi uit de Ringvaart te verwijderen en in de eigenschap van het schip dat de marktwaarde ervan beperkt is.

4.4 [appellant] heeft niet onderbouwd dat hij als gevolg van de verwijdering van de Amandi uit de Ringvaart nog verdere schade lijdt. Het hof ziet geen grond om de vordering tot het toekennen van (additionele) schadevergoeding in enigerlei mate toe te wijzen.

5 [appellant] heeft voorts nog de veroordeling van het Hoogheemraadschap gevorderd om de werkelijk door hem gemaakte proceskosten te vergoeden. [appellant] legt daaraan ten grondslag dat, indien het onderzoek van [E] al in een vroeg stadium door het Hoogheemraadschap was geïnitieerd, een gerechtelijke procedure " - zeer waarschijnlijk - overbodig zou zijn geweest". Het hof vindt in deze omstandigheid onvoldoende aanleiding af te wijken van het forfaitaire liquidatietarief.

6 Deze overwegingen voeren het hof tot de slotsom dat het primair gevorderde niet en het subsidiair gevorderde ten dele voor toewijzing in aanmerking komt, en wel in voege als in het dictum te vermelden. Het meer subsidiair gevorderde behoeft geen bespreking. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De toewijzing van het subsidiair gevorderde zal worden gebonden aan een termijn die het hof geraden acht voor beraad aan de zijde van [appellant] over de uitkomst van dit geding. Als overwegend in het ongelijk gesteld zal het Hoogheemraadschap worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw recht doende:

- veroordeelt het Hoogheemraadschap binnen drie maanden nadat [appellant] schriftelijk te kennen heeft gegeven tot verwijdering van het woonschip Amandi uit de Ringvaart te willen overgaan, op kosten van het Hoogheemraadschap daaraan medewerking te verlenen door het schutten van het woonschip door de Snelle Sluis heen op de wijze als beschreven in § 3.4 van de namens het Hoogheemraadschap genomen memorie van antwoord na comparitie;

- veroordeelt het Hoogheemraadschap in de proceskosten in beide instanties, aan de zijde van [appellant] begroot op:

in eerste aanleg € 335,31 voor verschotten en € 904,- voor salaris advocaat,

in hoger beroep € 388,44 voor verschotten en € 2.235,- voor salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, A.V. van den Berg en J.C.N.B. Kaal en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juni 2011 in aanwezigheid van de griffier.