Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2927

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
25-07-2011
Zaaknummer
BK-10/00280
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2010:BM2674, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BU7956, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Nieuw feit. Kwade trouw. Geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten van de Inspecteur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1969
FutD 2011-1815
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-10/00280

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer d.d. 8 juni 2011

in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] Holding B.V. gevestigd te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Haaglanden, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 april 2010, AWB 09/4736 VPB, betreffende de hierna vermelde navorderingsaanslag.

Navorderingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting, met dagtekening 7 maart 2009, opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 44.751.

1.2. De aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 448. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidenteel ingestelde hoger beroep beantwoord en zij heeft in het principaal ingestelde hoger beroep een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 27 april 2011, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is een persoonlijke houdstermaatschappij. Zij bezit samen met een drietal andere persoonlijke houdstermaatschappijen, [A] Holding B.V., [B] Holding B.V. en [C] Holding B.V., de aandelen in [D] B.V..

3.2. Belanghebbende was voor eerdere jaren opgenomen in de zogeheten uitstelregeling voor belastingconsulenten. Om onduidelijke redenen was belanghebbende in het onderhavige jaar niet opgenomen in deze regeling.

3.3. Met dagtekening 16 augustus 2008 is belanghebbende door de Inspecteur schriftelijk gemaand tot het doen van aangifte voor de vennootschapsbelasting voor het jaar 2007. Belanghebbende heeft daarop een verzoek tot uitstel voor het doen van aangifte ingediend.

3.4. Bij brief van 7 oktober 2008 heeft de Inspecteur het verzoek om uitstel afgewezen.

3.5. Belanghebbende kon nog geen juiste aangifte indienen, omdat de jaarstukken nog niet gereed waren. Daarom heeft zij ervoor gekozen op 22 oktober 2008 een nihilaangifte in te dienen.

3.6. Belanghebbende heeft op 26 januari 2009, toen de jaarstukken gereed waren, op een aangiftebiljet alsnog de juiste cijfers aan de Belastingdienst verstrekt .

3.7. De primitieve aanslag is aan belanghebbende opgelegd met dagtekening 7 februari 2009.

3.8. Naar aanleiding van de op 26 januari 2009 ingediende herziene aangifte is een navorderingsaanslag opgelegd.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2007 terecht is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of er een nieuw feit of kwade trouw bij belanghebbende aanwezig is dat navordering rechtvaardigt. Gelet op het door de Inspecteur ingestelde incidenteel hoger beroep en de reactie daarop van belanghebbende is tevens in geschil of er aanleiding is om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten van de Inspecteur.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, en vernietiging van de navorderingsaanslag.

5.2. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, voor zover daarbij het verzoek van de Inspecteur om veroordeling van belanghebbende in de proceskosten van de Inspecteur is afgewezen.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen.

Daarbij dient onder “eiser” te worden verstaan: belanghebbende en onder “verweerder” de Inspecteur.

1. Eiseres heeft op 16 augustus 2008 een aanmaning ontvangen tot het doen van aangifte voor de vennootschapsbelasting voor het jaar 2007. Nadat het verzoek om uitstel daartoe door verweerder is afgewezen, heeft eiseres op 22 oktober 2008 een nihilaangifte ingediend.

Vervolgens heeft eiseres, nadat de cijfers over 2007 bekend waren, op 26 januari 2009 een aanvullende aangifte vennootschapsbelasting 2007 ingediend naar een belastbaar bedrag van € 44.751.

2. Met dagtekening 7 februari 2009 heeft verweerder aan eiseres overeenkomstig de oorspronkelijk ingediende aangifte een (definitieve) aanslag vennootschapsbelasting 2007 opgelegd naar een belastbaar bedrag van nihil, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 22.

3. Met dagtekening 7 maart 2009 heeft verweerder in verband met (en overeenkomstig) de aanvullende aangifte een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2007 aan eiseres opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 44.751.

4. In geschil is of verweerder de navorderingsaanslag aan eiseres heeft mogen opleggen. Meer specifiek is in geschil of er sprake is van een nieuw feit of van kwade trouw als bedoeld in artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) op grond waarvan verweerder kan navorderen. Het bedrag van de navorderingsaanslag is verder niet in geschil.

5. Eiseres stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat er geen sprake is van een nieuw feit of van kwade trouw. Met betrekking tot (de afwezigheid van) het nieuwe feit stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder ten tijde van het vaststellen van de aanslag – zeker na ontvangst van de aanvullende aangifte – gerede twijfel had moeten hebben met betrekking tot de juistheid van de eerste ingediende aangifte en dat hij daarom de aanslag niet zonder een nader onderzoek had mogen vaststellen.

6. Verweerder meent dat wel sprake is van een nieuw feit of van kwade trouw.

7. Ingevolge artikel 16, eerste lid, AWR kan een feit, dat verweerder bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Met betrekking tot de onderzoeksplicht van verweerder bij het vaststellen van de primitieve aanslag is het uitgangspunt dat hij als regel met vertrouwen mag afgaan op de aangifte van een belastingplichtige. Verweerder is slechts gehouden een onderzoek in te stellen indien er bijzondere omstandigheden zijn die hem reden geven aan de juistheid van een ingediende aangifte te twijfelen.

8. De definitieve aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2007, gedagtekend 7 februari 2009, is conform het oorspronkelijk aangegeven belastbare bedrag opgelegd. Uit de verklaring van verweerder in samenhang met de tot de gedingstukken behorende schermprint is aannemelijk dat de aangifte die elektronisch is ingediend, op 13 januari 2007 is bekeken op de vraag of nader onderzoek nodig is danwel deze geschikt is voor doorzending naar Apeldoorn. Op 26 januari heeft die doorzending plaatsgevonden, terwijl de aanvullende aangifte van eiseres eveneens op 26 januari 2009 bij de belastingdienst is ingekomen. Hierdoor acht de rechtbank aannemelijk dat verweerder op het aanslagmoment redelijkerwijs nog geen kennis kon hebben van de aanvullende aangifte van eiseres. Mitsdien kan, anders dan eiseres bepleit, verweerder niet worden aangerekend dat hij bij het opleggen van de primitieve aanslag geen rekening heeft gehouden met de aanvullende aangifte. Dat die aanslag is gedagtekend 9 werkdagen nadat de aanvullende aangifte is ingediend, en dat tussen het aanslagmoment en de dagtekening van de aanslag 19 werkdagen zitten, maakt dit niet anders. Daarbij overweegt de rechtbank dat de belastingdienst enerzijds enige tijd moet worden gegund om na het aanslagmoment de feitelijk vastgestelde elementen van de aanslag om te zetten naar een aanslag, die te dateren en naar eiseres te verzenden, terwijl anderzijds ook een redelijke termijn moet worden gegund om een ingediende aangifte, nadat die is ontvangen, te verwerken (vergelijk o.a. HR 17 februari 1999, nr. 34 445, LJN: AA2664 en HR 27 mei 1992, nr. 28 101, BNB 1992/303). Naar het oordeel van de rechtbank kan in het onderhavige geval ook niet worden gezegd dat verweerder de aanvullende aangifte niet binnen een redelijke termijn heeft verwerkt.

9. Vervolgens is van belang of er op het aanslagmoment bijzondere omstandigheden waren die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om een nader onderzoek in te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord. Anders dan eiseres stelt, vormt het feit dat aan verweerder schriftelijk om uitstel voor het indienen van de aangifte was verzocht niet een zodanige bijzondere omstandigheid, ook niet in samenhang bezien met het feit dat nadat dit verzoek is afgewezen door eiseres een nihilaangifte was ingediend. Ook het enkele feit dat de aangifte een belastbaar bedrag van nihil toont, behoeft – anders dan eiseres stelt – als zodanig nog geen omstandigheid te zijn op grond waarvan verweerder gehouden is een nader onderzoek in te stellen. Dit geldt temeer nu de aangifte was verzorgd door een professioneel gemachtigde.

10. Nu eiseres niet heeft gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat er overigens contact tussen enerzijds (de gemachtigde van) eiseres en anderzijds (een medewerker van) verweerder is geweest, op grond waarvan verweerder op het aanslagmoment gehouden was een nader onderzoek naar de juistheid van de aangifte in te stellen, oordeelt de rechtbank dat verweerder bij het opleggen van de primitieve aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2007 geen ambtelijk verzuim heeft begaan. Dat eiseres behoudens in het jaar 2007, steeds opgenomen is geweest in de uitstelregeling van de belastingdienst, maakt dit niet anders. Anders dan eiseres kennelijk bepleit, is het feit dat zij in afwijking van eerdere jaren voor het jaar 2007 niet is opgenomen in die regeling niet een omstandigheid op grond waarvan verweerder gehouden was onderzoek naar de aangifte te doen. Het feit dat een verzoek om uitstel door verweerder was afgewezen, maakt dat niet anders.

11. In hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd, onder meer over de keuzes van de belastingdienst om niet langer te wachten met het geautomatiseerd opleggen van de primitieve aanslag en om niet eerst een voorlopige aanslag op te leggen, ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Anders dan eiseres stelt, zijn dit geen keuzes die aan de mogelijkheid tot navorderen in de weg staan.

12. Nu naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een ambtelijk verzuim, vormde de aanvullende aangifte vennootschapsbelasting 2007 een nieuw feit op grond waarvan verweerder kon navorderen. Derhalve behoeft het standpunt van verweerder dat sprake is van kwade trouw als bedoeld in artikel 16 van de AWR dan ook geen behandeling.

13. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

14. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Met betrekking tot het door verweerder ter zitting gedane verzoek om eiseres te veroordelen in de door verweerder gemaakte proceskosten, overweegt de rechtbank dat zij ook daartoe geen aanleiding ziet. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door eiseres. Alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat het eiseres en haar professionele gemachtigde duidelijk moet zijn geweest dat hun beroep volstrekt kansloos was. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiseres – naar zij zelf ook stelt – weliswaar een (kennelijk) onjuiste aangifte heeft gedaan, maar dat zij enige tijd vóórdat zij de definitieve aanslag ontving reeds een aanvullende (juiste) aangifte had gedaan.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, kan de Inspecteur, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de Inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

De Inspecteur mag in beginsel met vertrouwen op de juistheid van de aangifte afgaan. Indien de Inspecteur twijfel koestert of moet koesteren aan de juistheid van de aangifte is hij gehouden een onderzoek in te stellen.

7.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een nieuw feit. Zij voert ter ondersteuning van haar standpunt aan dat een aanvullende aangifte is gedaan, voordat de aanslag werd opgelegd. Zij begrijpt dat tijdens het verwerkingsproces tussen het vaststellen van de aanslag en de dagtekening van het aanslagbiljet geen nieuwe gegevens kunnen worden meegenomen. Bij de huidige stand van de automatiseringstechniek kan dat verwerkingsproces echter zo kort zijn, dat de kans dat bij de Belastingdienst binnengekomen nieuwe gegevens niet worden meegenomen minimaal is.

De verwerkingstijd tussen de vaststelling van de aanslag en de dagtekening ervan was echter dusdanig lang, dat de Belastingdienst daarmee bewust het risico heeft aanvaard dat niet alle gegevens die ten tijde de dagtekening beschikbaar waren, daadwerkelijk zouden worden verwerkt. De omstandigheid dat het automatiseringsysteem van de Belastingdienst geen signaal afgeeft als een aanvullende aangifte is gedaan, dient voor rekening van de Belastingdienst te komen.

Ook voert belanghebbende aan dat een duidelijk kenbaar onjuiste aangifte werd ingediend en dat dit reden had moeten zijn voor de Inspecteur om een nader onderzoek in te stellen.

7.3. Het Hof hecht geloof aan de verklaring van de Inspecteur dat op 13 januari 2009 de aanslag is vastgesteld. Het Hof is van oordeel dat bij het verwerken van grote hoeveelheden aangiften de Belastingdienst een redelijke verwerkingstijd nodig heeft tussen de feitelijke vaststelling van de aanslag en de dagtekening ervan. Tijdens dat verwerkingsproces kunnen nieuw ter beschikking gekomen gegevens niet worden meegenomen. Een verwerkingstijd in voormelde zin van negentien werkdagen is naar het oordeel van het Hof redelijk.

Kennelijk verlangt belanghebbende van de Belastingdienst dat hij zijn geautomatiseerde systeem zo heeft ingericht dat bij binnenkomst van aanvullende gegevens na de feitelijke vaststelling van de primitieve aanslag, de verzending van die aanslag wordt tegengehouden. Het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst beschikt (nog) niet over een dergelijke functionaliteit. Het voert het Hof te ver om de Inspecteur dat aan te rekenen als een ambtelijk verzuim dat aan navordering in de weg staat.

Ook was de Inspecteur in het onderhavige geval niet gehouden een nader onderzoek in te stellen omdat het een nihilaangifte betrof of omdat er eerder uitstel voor het doen van aangifte was gevraagd. De winst van een vennootschap kan van jaar tot jaar verschillen. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt waaruit het Hof zou kunnen afleiden dat het doen van een nihilaangifte zo opvallend was voor deze vennootschap dat dit de Inspecteur noopte tot nader onderzoek.

7.4. Het Hof is met inachtneming van het voorgaande van oordeel dat sprake is van een nieuw feit. De rechtbank heeft op goede gronden de juiste beslissing genomen. Het hoger beroep is ongegrond.

7.5. De Inspecteur heeft bij incidenteel hoger beroep het Gerechtshof verzocht om belanghebbende in de proceskosten te veroordelen. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende.

Op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een natuurlijke persoon slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. In het onderhavige geval gaat het om een rechtspersoon. Het Hof ziet geen aanleiding om in het geval van een rechtspersoon een andere maatstaf aan te leggen dan in het geval de procespartij een natuurlijke persoon is, zodat ook in het onderhavige geval kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht aan de orde moet zijn, wil belanghebbende veroordeeld kunnen worden in de proceskosten.

De Inspecteur is van mening dat belanghebbende geprocedeerd heeft tegen beter weten in en dat daarom een veroordeling van belanghebbende in de proceskosten van de Inspecteur op zijn plaats is. Volgens de Inspecteur had het de professionele gemachtigde van belanghebbende duidelijk moeten zijn dat het beroep en hoger beroep volstrekt kansloos zijn, omdat sprake was van kwade trouw bij belanghebbende. De Inspecteur verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar het arrest van de Hoge Raad van 11 juni 1997, BNB 1997/384.

Het Gerechtshof is van oordeel dat inderdaad sprake is van kwade trouw bij belanghebbende. Belanghebbende heeft immers toegegeven opzettelijk een foutieve aangifte in te hebben ingediend en daarmee opzettelijk de juiste inlichtingen aan de Inspecteur te hebben onthouden. Anders dan belanghebbende meent, wordt die kwade trouw niet opgeheven door het later alsnog indienen van een aangiftebiljet met de juiste gegevens.

Gelet op voornoemd arrest had het de professionele gemachtigde van belanghebbende duidelijk kunnen zijn dat de Inspecteur mocht navorderen, omdat kwade trouw aanwezig was. Echter het op deze wijze onjuist interpreteren van het begrip ‘kwade trouw’ en het gaan procederen vanuit die onjuiste vooronderstelling brengt naar het oordeel van het Hof geen misbruik van procesrecht mee.

Het incidenteel hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Th. Groeneveld, J.J.J. Engel en O.C.R. Marres, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.H.R. Massmann. De beslissing is op 8 juni 2011 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.