Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2902

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
25-07-2011
Zaaknummer
BK-10/00543
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgverzekeringswet. Belanghebbende is gehouden het hem verleende voorschot, voor zover dat het bij beschikking vastgestelde bedrag van de teveel betaalde bijdrage Zorgverzekeringswet te boven gaat, terug te betalen. Beroep op zowel het zorgvuldigheidsbeginsel als het vertrouwensbeginsel faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1947
V-N 2011/60.19 met annotatie van Redactie
FutD 2011-1870
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-10/00543

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer d.d. 29 juni 2011

in het geding tussen:

[X] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Rivierlanden, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: de rechtbank) van 2 juli 2010, nr. AWB 09/5612 ZVW, betreffende de hierna vermelde beschikking.

Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft voor het jaar 2006 met dagtekening 25 augustus 2006 een beschikking genomen op de voet van artikel 5.13 van de Regeling zorgverzekering (regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 september 2005, Stcrt.171, hierna: de Regeling) waarbij aan belanghebbende een voorschot van € 2.396 werd verleend op het bedrag van de te veel betaalde inkomensafhankelijke bijdrage ingevolge de Zorgverzekeringswet 2006 (hierna respectievelijk: bijdrage Zorgverzekeringswet en Zorgverzekeringswet). Tegen deze beschikking stond geen bezwaar open.

1.2. Met dagtekening 25 maart 2009 heeft de Inspecteur een beschikking genomen op grond van artikel 50, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, waarin het bedrag van de te veel betaalde bijdrage Zorgverzekering voor het jaar 2006 werd vastgesteld. Op grond van artikel 5.13, derde lid, van de Regeling leidde verrekening van het uitbetaalde voorschot tot een terug te betalen bedrag van € 2.319.

1.3. De Inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen voormelde beschikking ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 111. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van

18 mei 2011, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan.

3.1. Belanghebbende genoot in het onderhavige jaar een AOW-uitkering waarop onder meer een bedrag van € 1.006 bijdrage Zorgverzekeringswet werd ingehouden. Daarnaast genoot hij een tweetal pensioenen waarop in totaal € 596 bijdrage Zorgverzekeringswet werd ingehouden en een periodieke uitkering uit een levensverzekering waarop die inhouding € 108 bedroeg.

3.2. In de toelichting bij de voorschotbeschikking voor het onderhavige jaar was de volgende tekst opgenomen:

“In 2007 stelt de Belastingdienst het bedrag van uw teruggaaf definitief vast, op basis van de gegevens van uw inkomen in 2006. De uitkomst van de definitieve berekening kan gelijk zijn aan het voorschot, maar ook hoger of lager. In de loop van 2007 ontvangt u daarover automatisch bericht.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In hoger beroep is in geschil of belanghebbende gehouden is het hem verleende voorschot, voor zover dat het bij beschikking vastgestelde bedrag van de teveel betaalde bijdrage Zorgverzekeringswet te boven gaat, terug te betalen. Belanghebbende stelt daartoe niet gehouden te zijn, terwijl de Inspecteur stelt dat dit wel het geval is.

4.2. Belanghebbende stelt zich op de volgende standpunten:

- zowel het aan hem verleende voorschot als de aan hem opgelegde beschikking, houdende een door hem terug te geven bedrag, missen wettelijke grondslag,

- de Inspecteur heeft onzorgvuldig gehandeld bij de vaststelling van het aan hem verleende voorschot. Hij heeft immers niet de aan hem door belanghebbende verschafte gegevens gebruikt,

- hij mocht er van uit gaan dat een definitieve berekening van de verschuldigde bijdrage Zorgverzekeringswet tot stand zou komen in 2007, zodat bij het uitblijven daarvan hij mocht vertrouwen niet een bedrag terug te moeten betalen.

4.3. De Inspecteur bestrijdt voormelde standpunten van belanghebbende.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en van de beschikking ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak onder meer het volgende overwogen, waarbij voor eiser en verweerder gelezen dient te worden respectievelijk belanghebbende en de Inspecteur. Voorts wordt de Zorgverzekeringswet door de rechtbank aangeduid met Zvw.

“4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de beschikkingen een wettelijke grondslag ontberen omdat deze hadden moeten worden afgegeven aan de inhoudingsplichtige(n) en niet aan eiser. Verder is eiser van mening dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door de voorschotbeschikkingen op een veel te hoog bedrag vast te stellen terwijl het niet mogelijk is tegen die voorschotbeschikkingen bezwaar te maken. Eiser stelt dat de beschikkingen, volgens mededeling van de verweerder, uiterlijk in het jaar 2007 respectievelijk 2008 zouden worden afgegeven. Nu dat niet is gebeurd, mocht hij erop vertrouwen dat er geen definitieve beschikking meer zou volgen. Eiser verbindt hieraan de conclusie dat het bij de beschikkingen terug te betalen bedrag moet worden verminderd tot nihil. Eiser beroept zich in dit verband op de toelichting bij de voorschotbeschikkingen. In die toelichting is voor het jaar 2006 de volgende tekst opgenomen:

“In 2007 stelt de Belastingdienst het bedrag van uw teruggaaf definitief vast, op basis van de gegevens van uw inkomen in 2006. De uitkomst van de definitieve berekening kan gelijk zijn aan het voorschot, maar ook hoger of lager. In de loop van 2007 ontvangt u daarover automatisch bericht.”

De tekst in de toelichting voor het jaar 2007 is gelijk aan die van 2006 met dien verstande dat voor 2007 moet worden gelezen 2008 en voor 2006 moet worden gelezen 2007.

5. Het standpunt van eiser dat de beschikkingen hadden moeten worden afgegeven aan de inhoudingsplichtige(n) vindt geen steun in de wettelijke regelingen. Uit artikel 50 Zvw in samenhang met artikel 46 Zvw en de artikelen 5.4 en 5.13 van de Regeling volgt dat van de inkomensafhankelijke bijdrage, de teruggaaf wordt toegekend aan de verzekeringsplichtige. Niet in geschil is dat eiser voor de jaren 2006 en 2007 alleen pensioeninkomsten en AOW heeft genoten en derhalve geen recht heeft op vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage door de inhoudingsplichtige(n). Verweerder heeft de beschikkingen dan ook terecht afgegeven aan eiser.

6. Verweerder heeft verklaard dat de voorschotbeschikkingen zijn gebaseerd op de inkomensgegevens voor het jaar 2005 zoals die in zijn administratie zijn verwerkt en die afkomstig zijn van werkgevers en uitkeringsinstanties. Daarmee is verweerder naar het oordeel van de rechtbank zorgvuldig geweest. Dat de voorschotbeschikkingen achteraf te hoog blijken te zijn geweest, zonder dat verweerder hiervoor een goede verklaring kan geven, maakt niet dat die onjuiste voorschotbeschikkingen niet mochten worden herzien door middel van de beschikkingen. Evenmin leidt de omstandigheid dat tegen de voorschotbeschikkingen geen bezwaar kan worden gemaakt tot die conclusie. De rechtbank hecht in dat verband mede betekenis aan het feit dat bij terugvordering van aanvankelijk te hoog vastgestelde voorschotbeschikkingen op de voet van artikel 5.13 van de Regeling, aan belanghebbende geen heffingsrente in rekening wordt gebracht.

7. Voor wat betreft het beroep op het vertrouwensbeginsel oordeelt de rechtbank dat eiser aan de hiervoor aangehaalde toelichtingen niet het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat verweerder van hem na afloop van het jaar 2007 respectievelijk 2008 geen terugbetaling van de voorschotten zou vorderen. De mededeling in de toelichting op de voorschotbeschikkingen is naar haar aard geen toezegging, maar een verstrekking van algemene informatie over de voorgenomen werkwijze van verweerder bij de vaststelling van de bijdrage Zvw. Het belang dat belanghebbenden, dus ook eiser, erbij hebben dat verweerder zijn voorlichtende taak onbelemmerd kan vervullen, noopt ertoe te aanvaarden dat het risico van een gebrek in die voorlichting, zo daarvan al sprake is, in de regel voor rekening van de betrokkene blijft.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.1. Belanghebbende stelt dat uit de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen, in het bijzonder artikel 50 Zorgverzekeringswet juncto de artikelen 5.4 en 5.13 van de Regeling, volgt dat aan hem geen voorschot had moeten worden uitbetaald en dat een uitbetaald voorschot niet van hem kan worden teruggevorderd. Daarbij voert hij aan dat belanghebbende als pensioengerechtigde op grond van artikel 46 Zorgverzekeringswet recht heeft op volledige vergoeding van de bijdrage Zorgverzekeringswet door de inhoudingsplichtige. Dan volgt uit artikel 50, vijfde lid, van de Zorgverzekeringswet dat de Inspecteur een teruggave van een ingehouden bedrag aan bijdrage Zorgverzekeringswet verleent aan de inhoudingsplichtige.

7.1.2. Het Hof overweegt dienaangaande dat belanghebbende ten onrechte stelt dat belanghebbende als pensioengerechtigde recht heeft op vergoeding van de bijdrage Zorgverzekeringswet. De (pensioen)uitkeringen die belanghebbende in het onderhavige jaar genoot zijn niet ingevolge artikel 46, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet in de Regeling aangewezen als loon waarvoor de verzekeringsplichtige vergoeding van de bijdrage Zorgverzekeringswet geniet (vgl. artikel 5.4 van de Regeling).

7.1.3. Als regel is de verzekeringnemer/ verzekeringsplichtige de schuldenaar van de nominale premie en de bijdrage Zorgverzekeringswet (artikel 1, aanhef en letters c en e in verbinding met de artikelen 2, 16 en 41 van de Zorgverzekeringswet). Mocht hem te veel zijn berekend dan komt het teveel betaalde hem dan ook toe.

Voor bepaalde typen loon wordt de bijdrage Zorgverzekeringswet bij wijze van inhouding geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de loonbelasting geldende regels en krijgt de verzekeringnemer/verzekeringsplichtige die bijdrage volledig vergoed door de inhoudingsplichtige (artikelen 41, 42, 43, eerste lid onderdeel a, 46, eerste lid, en 49, eerste lid in verbinding met artikel 1, aanhef en letter l van de Zorgverzekeringswet).

Is de laatste situatie aan de orde dan komt het teveel betaalde, als uitzondering op de hoofdregel, toe aan die inhoudingsplichtige (artikel 50, vijfde lid, van de Zorgverzekeringswet).

Nu sprake is van teveel betaalde bijdrage Zorgverzekeringswet en teruggaaf van die bijdrage is verleend tot een te hoog bedrag, brengt voormelde systematiek mee dat belanghebbende aan wie de teruggaaf is verleend het te veel teruggegevene dient te restitueren. Een en ander is dienovereenkomstig uitgewerkt in artikel 5.13 van de Regeling.

Onjuist is belanghebbendes kennelijke rechtsopvatting dat uit artikel 50 van de Zorgverzekeringswet volgt dat teveel betaalde bijdrage Zorgverzekeringswet in alle gevallen wordt teruggegeven aan de inhoudingsplichtige.

7.2. De Inspecteur heeft de voorschotteruggave gebaseerd op de inkomensgegevens voor het jaar 2005, zoals die in een speciaal voor de uitvoering van de Zorgverzekeringswet opgezette geautomatiseerde administratie werden verwerkt. Die inkomensgegevens waren afkomstig van werkgevers en uitkeringsinstanties. Kennelijk waren deze gegevens incompleet, maar niet is gebleken dat dit aan de Inspecteur kan worden toegerekend.

Het Hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet kan worden gezegd dat de Inspecteur tegenover belanghebbende onzorgvuldig heeft gehandeld. Het beroep van belanghebbende op het zorgvuldigheidsbeginsel faalt derhalve.

7.3. Het Hof verwerpt het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel.

Uit de tekst als opgenomen onder 3.2 hiervoor kon belanghebbende opmaken dat een definitieve vaststelling van de teruggave zou volgen op grond van zijn inkomensgegevens over 2006. Deze vaststelling zou in 2007 geschieden en daarvan zou hij in de loop van 2007 automatisch bericht ontvangen. Belanghebbende heeft niet gesteld dat hij in 2007 een bericht heeft ontvangen. Naar ’s Hofs oordeel kon belanghebbende na ommekomst van 2007 uit een en ander niet anders begrijpen dan dat de Inspecteur, in strijd met het meegedeelde, geen definitieve vaststelling van de teruggave had gedaan. Deze perceptie levert geen in rechte te beschermen vertrouwen op dat de Inspecteur heeft afgezien van definitieve vaststelling van de teruggave en de voorlopig – als voorschot - verleende teruggave dus definitief is.

7.4. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het beroep ongegrond is en beslist dient te worden als volgt.

Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, Th. Groeneveld en O.C.R. Marres, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 29 juni 2011 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.