Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2851

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
25-07-2011
Zaaknummer
200.033.622
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is voldaan aan een veroordeling in kort geding en is dientngevolge een dwangsom verbeurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector familie

Zaaknummer : 200.033.622/01

Rolnummer rechtbank : KG ZA 09-201

arrest van de familiekamer, d.d. 1 februari 2011

inzake

[de vrouw],

wonende te [adres],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. N.D. ’t Zand te Amsterdam,

tegen

[de man],

wonende te [adres],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. E.J.W.F. Deen te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 11 mei 2009 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 22 april 2009 door de voorzieningenrechter in de rechtbank te ’s-Gravenhage tussen de partijen gewezen (hierna: het bestreden vonnis).

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de voorzieningenrechter daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

Bij memorie van grieven, tevens houdende akte vermeerdering van eis (met producties) heeft [appellante] twee grieven aangevoerd en de eis vermeerderd, in die zin dat de in eerste aanleg voorwaardelijke reconventionele vordering thans onvoorwaardelijk wordt ingesteld.

Bij memorie van antwoord tevens antwoordakte vermeerdering eis (met producties) heeft [geïntimeerde] de grieven, alsmede de vermeerdering van de eis bestreden.

[geïntimeerde] heeft zijn procesdossier aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de feiten zoals vastgesteld onder 1 van het bestreden vonnis.

2. Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter in conventie, uitvoerbaar bij voorraad:

-het op 14 juli 2006 door [appellante] ten laste van [geïntimeerde] gelegde beslag op het registergoed gelegen aan de [straat], kadastraal bekend gemeente ’s-[kadastraal nummer], alsmede op het registergoed gelegen aan de [straat] te [adres], kadastraal bekend gemeente ’[kadastraal nummer], groot 2 are en 92 centiare, opgeheven;

-[appellante] verboden om nadere executiemaatregelen te treffen wegens beweerde verbeurde dwangsommen uit hoofde van het vonnis van [datum], zolang over de aanspraak op de betreffende dwangsommen nog geen nader rechterlijk oordeel is verkregen;

-bepaald dat [appellante] een dwangsom verbeurt van € 1.000,-- voor iedere keer dat zij dit verbod overtreedt, met een maximum van € 30.000,--;

-bepaald dat bovenstaande dwangsom voor matiging vatbaar is op de wijze zoals onder 3.5. van het bestreden vonnis is vermeld;

-[appellante] veroordeeld in de proceskosten.

De voorzieningenrechter heeft de overige vorderingen, zowel in conventie als in (voorwaardelijke) reconventie, afgewezen.

3. [appellante] vordert in hoger beroep het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende,

A. [geïntimeerde] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren dan wel hem deze integraal te ontzeggen,

B. [geïntimeerde] te veroordelen aan [appellante] ter beschikking te stellen:

a. alle met betrekking tot de registergoederen als genoemd in productie B-9 in opdracht dan wel ten behoeve van [geïntimeerde] in de jaren 2005 tot en met 2009 opgestelde taxatierapporten;

b. alle met betrekking tot de [geïntimeerde] in eigendom toebehorende registergoederen gelegen aan de [straat], van de zijde van de gemeente ’s-Gravenhage, afdeling Belastingen, opgestelde Waardebeschikkingen en bijbehorende taxatieverslagen weergevende de WOZ-waarde;

c. alle met betrekking tot de [geïntimeerde] in eigendom toebehorende registergoederen gelegen aan de [straat], van de zijde van de gemeente ’s-Gravenhage, afdeling Belastingen, opgestelde waardebeschikkingen en bijbehorende taxatieverslagen weergevende de WOZ-waarde;

d. de jaaropgaven betreffende de kalenderjaren 2005 tot en met 2008, zoals aan [geïntimeerde] door de ABN-AMRO Bank met betrekking tot de door deze bank aan [geïntimeerde] verstrekte zogenaamde hypothecaire geldleningen toegezonden;

e. de jaaropgaven betreffende de kalenderjaren 2005 tot en met 2008, zoals aan [geïntimeerde] door de Postbank N.V. met betrekking tot de door deze bank aan [geïntimeerde] verstrekte zogenaamde hypothecaire geldleningen toegezonden;

f. de aangifte Inkomstenbelasting/PVV met betrekking tot de jaren 2005 tot en met 2008, zoals door [geïntimeerde] ingediend en de voorlopige en definitieve aanslagen van de belastingdienst met betrekking tot deze aangiften;

g. de door c.q. namens de ABN-AMRO Bank aan [geïntimeerde] toegezonden correspondentie betreffende de opzegging en beëindiging van de met deze bank tot stand gekomen geldleningovereenkomsten en met name de brieven waaruit is op te maken op welke bedragen door c.q. namens deze bank vandaag de dag, althans in het jaar 2009, aanspraak wordt gemaakt;

h. de door c.q. namens de Postbank N.V. aan [geïntimeerde] toegezonden correspondentie betreffende de opzegging en beëindiging van de met deze bank tot stand gekomen geldleningovereenkomsten en met name de brieven waaruit is op te maken op welke bedragen door c.q. namens deze bank vandaag de dag, althans in het jaar 2009, aanspraak wordt gemaakt

ten behoeve van [appellante] af te geven op het kantoor van de raadsman van [appellante], oftewel bij Smits Advocaten, Keizersgracht 745-747 te Amsterdam;

en

[geïntimeerde] te veroordelen aan [appellante] te betalen:

-een dwangsom groot € 10.000,-- voor het geval [geïntimeerde] niet tijdig voldoet aan een veroordeling als hiervoor sub A bedoeld;

-een dwangsom groot € 100,-- voor iedere dag dat [geïntimeerde] verder nalatig blijft met het tijdig voldoen aan een veroordeling als hiervoor sub A bedoeld;

C. [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten in beide instanties;

D. het arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. [geïntimeerde] voert verweer tegen de (vermeerderde) vordering van [appellante] en concludeert tot (naar het hof begrijpt) bekrachtiging van het bestreden vonnis, zo nodig onder verbetering van gronden.

5. [appellante] stelt in haar eerste grief, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld zij onvoldoende heeft weersproken dat [geïntimeerde] heeft voldaan aan zijn veroordeling bij kort geding van [datum], dat [geïntimeerde] geen dwangsommen heeft verbeurd, dat [appellante] ten onrechte op grond van die vermeende dwangsommen executoriaal beslag heeft gelegd. Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [geïntimeerde] tot opheffing van de executoriale beslagen en tot verbod aan [appellante] om nadere executiemaatregelen uit hoofde van dat kort geding vonnis van [datum] te treffen toegewezen. Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter de executoriale beslagen opgeheven en [appellante] verboden om nadere executiemaatregelen te treffen wegens beweerde verbeurde dwangsommen uit hoofde van het kort geding vonnis van [datum].

6. [appellante] voert daartoe aan dat zij in eerste aanleg wel degelijk heeft weersproken dat [geïntimeerde] alle bescheiden en het Rosenthal-servies, dat hij volgens het vonnis van [datum] ten behoeve van haar aan het kantoor van haar advocaat moest afgeven, ook daadwerkelijk aan haar (advocaat) ter beschikking heeft gesteld. Zij verwijst daarbij naar een brief van haar advocaat van 6 maart 2009. Zij heeft slechts een gedeelte van de desbetreffende bescheiden ontvangen en weet niet of zij het volledige servies heeft ontvangen. Derhalve heeft [geïntimeerde] niet voldaan aan hetgeen waartoe hij is veroordeeld en heeft hij dwangsommen verbeurd.

7. Het hof overweegt als volgt. Hoewel [geïntimeerde] stelt dat hij volledig heeft voldaan aan zijn veroordeling bij kort geding vonnis van [datum] en dat hij dus geen dwangsommen heeft verbeurd, blijkt dat niet zonder meer uit de overgelegde stukken. Blijkens de door [geïntimeerde] in eerste aanleg overgelegde pakbon is slechts een gedeelte van de in het vonnis van [datum] genoemde bescheiden op 2 maart 2006 bij het kantoor van de advocaat van [appellante] afgeleverd. Dit strookt met de brief van 6 maart 2006 van de advocaat van [appellante] aan [geïntimeerde], waarin wordt aangegeven dat er diverse bescheiden, die genoemd zijn in het vonnis van [datum], ontbreken. Gelet op de aldus gemotiveerde betwisting van [appellante] is de stelling van [geïntimeerde], dat hij geheel voldaan heeft aan hetgeen waartoe hij is veroordeeld bij vonnis van [datum], naar het voorlopig oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. Het hof houdt het er dan ook voor, anders dan de voorzieningenrechter, dat [geïntimeerde] niet (volledig) heeft voldaan aan de veroordeling en dat hij dwangsommen heeft verbeurd.

8. Nu gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] de dwangsommen heeft voldaan op het moment dat [appellante] executoriaal beslag legde onder de registergoederen van [geïntimeerde], is deze beslaglegging niet onrechtmatig te achten. Voor een verbod om nadere executiemaatregelen te treffen bestaat naar het voorlopig oordeel van het hof geen rechtsgrond. De eerste grief van [appellante] slaagt derhalve.

9. [appellante] heeft haar vordering vermeerderd in die zin dat zij thans onvoorwaardelijk de overlegging vordert van de door haar genoemde stukken. Deze vordering had zij in eerste aanleg voorwaardelijk ingesteld, voor het geval de vorderingen van [geïntimeerde] geheel of gedeeltelijk zouden worden afgewezen.

10. [appellante] heeft in eerste aanleg als grondslag voor deze vordering aangevoerd dat een schuldenaar die beoogt opeisbare vorderingen slechts ten dele te betalen gehouden is om alle informatie te verstrekken die voor de schuldeiser van belang is om zich een oordeel te kunnen vormen omtrent de vermogens- en inkomenspositie van de debiteur. In hoger beroep is daartoe nog aangevoerd dat [appellante] inmiddels is gebleken dat ABN-AMRO niet tot veiling overgaat van alle ten name van [geïntimeerde] geregistreerde registergoederen.

11. [geïntimeerde] is bereid aan deze vordering te voldoen, voor zover de overlegging van deze bescheiden relevant is. Volgens [geïntimeerde] zijn de gevraagde bescheiden slechts relevant voor de bodemzaak, niet voor een procedure in kort geding.

12. Het hof zal deze vordering van [appellante] afwijzen, nu zij onvoldoende heeft onderbouwd dat zij op dit moment een rechtmatig belang heeft bij het overleggen van de bedoelde bescheiden door [geïntimeerde] aan haar.

13. In haar tweede grief voert [appellante] aan dat de voorzieningenrechter haar ten onrechte heeft veroordeeld in de kosten van het geding. Als haar eerste grief slaagt, treft volgens [appellante] haar tweede grief ook doel.

14. In de omstandigheid dat partijen in een familierechtelijke relatie tot elkaar staan, en in de omstandigheid dat ook [appellante] gedeeltelijk in het ongelijk wordt gesteld ziet het hof aanleiding de proceskosten te compenseren.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende:

wijst af de vorderingen van [geïntimeerde];

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin dat de partijen ieder de eigen kosten dragen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. van Nievelt, van Dijk en van de Poll en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 februari 2011 in aanwezigheid van de griffier.