Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2795

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
25-07-2011
Zaaknummer
105.006.657
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgemeenschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Zaaknummer: 105.006.657

arrest van de familiekamer d.d. 22 februari 2011

inzake

[de [gemeente]nende te [adres],

appellant, tevens incidenteel geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. V.K.S. Budhu Lall te ’s-Gravenhage,

tegen

[de vr[adres]nende te [adres],

geïntimeerde, tevens incidenteel appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat : mr. drs. I.D. Nelis te `s-Gravenhage .

Het geding

Bij exploot van 15 mei 2007 is de man in hoger beroep gekomen van de vonnissen door de rechtbank Middelburg op 28 november 2001, 30 januari 2002, 15 oktober 2003, 24 maart 2004 en 21 februari 2007 tussen de partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de bestreden vonnissen heeft vermeld.

Bij memorie van grieven heeft de man zijn bezwaren tegen de bestreden vonnissen geformuleerd.

Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven bestreden. Tevens heeft de vrouw incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij memorie van antwoord in het incidentele hoger beroep heeft de man de grieven bestreden.

De man heeft zijn procesdossier aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

De man

1. De man vordert dat het hof de vonnissen van de rechtbank Middelburg onder rolnummer 23/00 gewezen en zijnde de vonnissen van 28 november 2001, 15 oktober 2003 en 21 februari 2007 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de omvang van de te verdelen boedel vast te stellen op een netto bedrag van € 913.850,- en de verdeling van de boedel op de wijze zoals door de man aangegeven, althans omvang en verdeling van de boedel te bepalen zoals het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, alsmede de vrouw te veroordelen exclusief de p.m. posten van de man te betalen een bedrag ad € 14.878,- tenslotte met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

De vrouw

2. De vrouw vordert dat het dit hof moge behagen om bij arrest, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. in het principaal appel het beroep van de man te verwerpen, zo nodig onder aanvulling van feitelijke gronden of rechtsgronden;

2. in het incidentele appel de vonnissen waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van uw hof onderworpen, te vernietigen en – zo nodig – overeenkomstig het als productie 11 overgelegde overzicht te beslissen, alsmede de man te veroordelen aan de vrouw te betalen wegens overbedeling € 70.993,50,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2007, subsidiair de datum van het in deze te wijzen arrest van het hof, meer subsidiair een door uw hof te bepalen datum;

3. de man te veroordelen aan de vrouw te betalen de rente in artikel 22 van de tot 1 januari 1998 vigerende maatschapsovereenkomst tussen partijen, over een bedrag van € 166.980,- (zijnde het aandeel van de vrouw in het vermogen van de beëindigde maatschap), subsidiair een door uw hof vast te stellen aandeel van de vrouw in het vermogen van de maatschap, vanaf 1 januari 1998 tot de dag der algehele voldoening, althans – subsidiair – tot de dag der verdeling van de huwelijksgemeenschap op 21 februari 2007;

4. (meer) subsidiair op het incidentele appel de vonnissen waarvan beroep te vernietigen en de verdeling van de huwelijksgemeenschap zo nodig opnieuw vast te stellen tussen partijen met, overeenkomstig het onder 2 en 3 gevorderde in hoger beroep, bepaling van de vordering van de vrouw op de man uit hoofde van overbedeling van hem met de wettelijke rente hierover alsmede de rente over het aandeel van de vrouw in het vermogen van de beëindigde maatschap;

5. alles kosten rechtens, nu partijen gewezen echtlieden zijn.

Het hof

3. Het hof bespreekt het appel en het incidentele appel zoveel mogelijk gezamenlijk.

4. Conform art 3:185 BW kan het hof bij gebreke van overeenstemming van partijen de verdeling van de voormalige huwelijksgoederengmeenschap vast stellen of de wijze van verdeling daarvan gelasten.

5. Het hof begrijpt uit het petitum van de man en de vrouw dat de vonnissen van de rechtbank Middelburg moeten worden vernietigd. Voorts leest het hof in het petitum dat het hof de verdeling moet vaststellen in de zin van 3:185 BW.

6. Uit de gewisselde stukken volgt dat:

1. partijen op 15 januari 1971 te [adres] in de wettelijke gemeenschap van goederen met elkaar zijn gehuwd;

2. de man/vrouw maatschap op 1 januari 1998 tussen partijen is ontbonden;

3. de echtscheiding op [datum] is uitgesproken;

4. de echtscheidingsbeschikking op [datum] is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

7. Uit de grieven volgt dat er tussen partijen een groot aantal geschillen bestaat, waaronder:

1. de omvang van de voormalige huwelijksgoederen gemeenschap;

2. de waardering van activa;

3. de schulden die betrekking hebben op de voormalige huwelijksgoederengemeenschap;

4. de wijze van verdeling van enkele activa;

5. vergoedingsrechten;

6. benadeling van de gemeenschap in de zin van 1:164 BW.

8. Uit de processtukken volgt dat er sprake is van een ernstig verstoorde verhouding tussen partijen hetgeen tot gevolg heeft dat partijen al twaalf jaar met elkaar procederen over de verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap.

9. Het hof acht het in belang van beide partijen dat er op korte termijn een einde komt aan de rechtsstrijd tussen partijen. Om tot een einde aan de rechtsstrijd tussen partijen te kunnen komen acht het hof het noodzakelijk:

1. dat een deskundige zijnde een notaris/mediator een boedelbeschrijving maakt van de goederen en schulden die op [datum] tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorden alsmede een voorstel voor de mogelijke verdeling daarvan doet door middel van het opstellen van een conceptakte van verdeling . Uit de enorme papiermassa van partijen kan het hof de omvang van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap niet voldoende vaststellen; laat staan de verdeling daarvan vast stellen.

2. de deskundige zal zijn werkzaamheden onder leiding van een raadsheer-commissaris van dit hof verrichten.

3. het hof zal een comparitie van partijen / regiezitting gelasten waarbij de deskundige, partijen en hun advocaten in persoon aanwezig dienen te zijn. Ter zitting worden dan de vragen voor de deskundige geformuleerd.

4. het hof beslist over de geschilpunten tussen partijen.

Geschilpunten / Grieven.

10. Het hof gaat thans in op de grieven voor zover die betrekking hebben op de tussen partijen bestaande geschilpunten.

Peildatum waardering

11. De man is het niet eens met de peildatum die de rechtbank heeft gehanteerd met betrekking tot de waardering van de voormalige echtelijke woning te [adres]. De rechtbank is in de visie van de man ten onrechte uitgegaan van de waarde per 1 februari 2002.

12. De man wenst dat voor de waardering wordt uitgegaan van het tijdstip van de verdeling. De verdeling heeft in de visie van de man nog niet plaatsgevonden.

13. De vrouw is van mening dat de man geen grief heeft gericht tegen het tussenvonnis van 28 november 2001 waarbij de rechtbank heeft overwogen dat voor wat betreft de peildatum uitgegaan dient te worden van de waarde van de echtelijke woning twee maanden na de datum van dat vonnis. Voorts stelt de vrouw – hetgeen het hof opvat als een grief – dat als de woning te [adres] opnieuw moet worden getaxeerd dit eveneens dient te gelden voor de woning te [gemeente]. Ten slotte is de vrouw van mening dat de verdeling al heeft plaatsgevonden.

14. Het hof overweegt als volgt. Het tijdstip voor de waardering van de boedelbestanddelen is het tijdstip van de feitelijke verdeling, tenzij partijen anders met elkaar zijn overeengekomen of de redelijkheid en de billijkheid zich daartegen verzet. Uit de gewisselde stukken volgt dat partijen niet een tijdstip van waardering met betrekking tot de boedelbestanddelen met elkaar zijn overeengekomen. Door partijen zijn over en weer geen feiten en omstandigheden gesteld die rechtvaardigen om voor wat betreft de waarderingspeildatum voor de boedelbestanddelen af te wijken van het tijdstip van de feitelijke verdeling.

15. Eerst bij het vonnis van 21 februari 2007 is de woning te [adres] aan de vrouw toegedeeld en de woning te [gemeente] aan de man. Van dit vonnis zijn beide partijen in appel gegaan. Nu de verdeling van deze boedelbestanddelen niet vast staat, staat hiermee eveneens niet vast het tijdstip van waardering.

16. De grief van de man en de vrouw treffen doel. De hiervoor vermelde onroerende zaken dienen opnieuw te worden gewaardeerd.

17. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen behoeft grief 2 van de man geen verdere bespreking aangezien hij daarbij geen belang meer heeft.

Inboedel

18. Uit grief 3 en de daarop gegeven toelichting volgt dat partijen de inboedel hebben verdeeld. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte niet aan hem heeft toegekend een vordering op de vrouw van € 5.192,- ter zake overbedeling (het hof begrijpt ; wegens onderbedeling) inboedel.

19. Door de vrouw wordt deze vordering niet ontkend.

20. De grief van de man treft doel.

Poppenkwestie

21. De man is van mening dat aan de 100 poppen een waarde moet worden toegekend van

€ [x]-. De man is van mening dat het aandeel van de vrouw in de waarde van de poppen vervallen moet worden verklaard omdat de vrouw blijft ontkennen dat de poppen tot de gemeenschap behoren.

22. Uit het incidentele appel volgt dat de vrouw het er niet mee eens is dat de rechtbank is uitgegaan van de aanwezigheid van 100 poppen met een waarde van € [y]- per stuk. Door de vrouw is een aantal verklaringen in het geding gebracht over het aantal poppen. Het aantal poppen zoals vermeld in de verklaringen is aanzienlijk minder dan het aantal dat de man stelt. De vrouw gaat uit van 25 poppen met een waarde van € [z]- of € [z1],- per pop. Door de vrouw is gesteld dat de poppen replica`s zijn van oude poppen.

23. Het hof overweegt als volgt. Voor de vaststelling van de omvang van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap is relevant het aantal poppen dat op datum van de ontbinding tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort. De datum ontbinding is [datum]. De door de man naar voren gebrachte getuigen hebben niet verklaard dat op de peildatum de poppen tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorden. De dochter heeft verklaard dat er in maart / april 1997 100 poppen waren. De getuige Maenhout heeft verklaard dat er tientallen poppen in het huis aanwezig waren. De getuige mevrouw De Vleeshouwer heeft verklaard in 1995 in het huis een poppenverzameling te hebben gezien. De man heeft als partijgetuige verklaard dat toen hij het huis verliet er wel honderd poppen waren.

24. De man heeft naar het oordeel van het hof niet bewezen dat er op de peildatum 100 poppen tot de voormalige huwelijksgoederengemeenschap behoorden.

25. Het hof gaat voor het aantal poppen uit van 25 en zal daaraan op basis van redelijkheid en billijkheid een waarde toekennen van € [z1],- per pop nu niet is bewezen danwel anderszins is komen vast te staan dat er sprake is van antieke poppen.

Man/ vrouw maatschap tevens verzoek 22 RV

26. Uit de gewisselde stukken volgt dat de man/vrouwmaatschap tussen partijen is ontbonden op 1 januari 1998.

27. Uit het bestreden vonnis volgt dat de rechtbank de waarde van de praktijk aan de man heeft toegedeeld voor een bedrag van € [a]-.

28. In grief 4 (het hof leest grief 5) stelt de man de waarde van het praktijkpand aan de orde. De man is van mening dat de waarde van het praktijkpand gesteld dient te worden op een bedrag van € [b],-.

29. In de visie van de vrouw is de rechtbank bij de waardering van het praktijkpand van een juiste waarde uitgegaan.

30. De vrouw stelt in punt 31 van haar memorie van antwoord tevens incidenteel appel dat de rechtbank aan haar ten onrechte geen rente heeft toegekend over haar aandeel in het maatschapvermogen.

31. De vrouw stelt voorts dat de rechtbank in haar tussenvonnis van 28 november 2001 heeft beslist dat zij recht had op rente ingaande 1 januari 1998 en dat zulks zal worden toegewezen bij het eindvonnis.

32. Het aandeel in de maatschap heeft de vrouw begroot op een bedrag van € [c]. De vrouw begroot de samengestelde rente op ruim € 90.000,- per 1 januari 2009.

33. De man is van mening dat hij geen rente aan de vrouw verschuldigd is. Door de verdeling bij vonnis van 21 februari 2007 ontstaat er een betalingsverplichting. Alleen de man kon de onderneming voortzetten aangezien hij tandarts was en niet de vrouw.

34. Het hof overweegt als volgt. Uit de gewisselde stukken volgt dat partijen de man/vrouw- maatschap voor de datum ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap hebben ontbonden. Na datum ontbinding van de overeenkomst van de maatschap worden de activa die behoorden tot het maatschapvermogen qua bestuur weer geregeld door art 1:97 BW. De activa met betrekking tot de “onderneming” vallen in de huwelijksgoederengemeenschap. De activa dienen derhalve in de verdeling te worden betrokken. De schulden met betrekking tot de onderneming zijn gemeenschapsschulden en voor deze schulden zijn partijen in beginsel voor een gelijk aandeel draagplichtig.

35. Naar het oordeel van het hof is waarde geen goed in de zin van boek 3 BW en kan derhalve niet worden toegedeeld. Het hof begrijpt dat de waarde van de “onderneming” is gebaseerd op de waarde van de activa minus passiva.

36. Het hof verzoekt partijen conform art 22 Rv bij akte toe te lichten welke activa op [datum] tot het “ondernemingsvermogen” behoorden en welke schulden als “ondernemingschulden” werden gekwalificeerd.

37.Het is ter beoordeling van de partijen om voor de waardering van het “ondernemingsvermogen” uit te gaan van 1 januari 1998.

38. Voorts wenst het hof door partijen te worden geïnformeerd of de mogelijkheid nog bestaat dat de fiscale claim in het kader van de staking van de man / vrouwmaatschap geruisloos wordt doorgeschoven aan de man en dat de fiscale claim in de verdeling wordt betrokken.

Schulden 1

39. In grief VII leest het hof dat de man het niet eens is met de hoogte van de hypothecaire geldleningen met nummers [leningA] en [leningB] waarvoor deze in de verdeling zijn betrokken.

40. Het hof leest in punt 16 van de memorie van antwoord tevens incidenteel appel dat de vrouw zich kan vinden in het oordeel van de rechtbank.

41. Met betrekking tot de lening met nummer [leningB] heeft de man gesteld dat deze betrekking heeft op de voormalige echtelijke woning. Met betrekking tot deze lening is volgens de man een recht van hypotheek verstrekt op de echtelijke woning te [adres].

42. Het hof leest in het betoog van de man dat de man van mening is dat de vrouw de rente met betrekking tot de geldleningen die zijn aangegaan voor de financiering van de echtelijke woning als een eigen schuld moet voldoen aangezien zij het genot had en heeft met betrekking tot de woning [adres].

43. De vrouw bestrijdt dat de lening [leningB] betrekking heeft op de echtelijke woning. Als komt vast te staan dat de lening betrekking heeft op de echtelijke woning is de vrouw van mening dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid indien de vrouw alsnog moet meebetalen aan de lening. Als de vrouw had moeten meebetalen was haar behoefte aan alimentatie hoger geweest.

44. Het hof overweegt als volgt. Uit het bestreden vonnis volgt dat de rechtbank schulden aan partijen heeft toegedeeld. Het hof wijst partijen erop dat schulden niet kunnen worden toegedeeld. Voorts wijst het hof partijen op art 1:102 BW. Het hof leest het vonnis van de rechtbank aldus dat de rechtbank heeft beslist dat de partijen de betreffende schuld als een eigen schuld dienen te voldoen. Het vorenstaande heeft slechts interne werking tussen partijen.

45. Voor de bepaling van de omvang van de schulden is relevant de schulden die op [datum] aanwezig waren.

46. Na de ontbinding van de wettelijke gemeenschap van goederen wordt de ontbonden gemeenschap beheerst door titel 7 van boek 3 BW. Zolang de ontbonden huwelijksgemeenschap nog niet is verdeeld , zijn beide partijen in beginsel voor gelijke delen tot het genot en het gebruik van de gemeenschapsgoederen gerechtigd.

47. Uit artikel 3:172 BW volgt:

”Tenzij een regeling anders bepaalt, delen de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijke goed oplevert, en moeten zij in dezelfde evenredigheid bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht.”

48. Daarbij is van belang dat de rechtsrelatie tussen deelgenoten in een onverdeelde boedel mede wordt beheerst door de redelijkheid en de billijkheid. Wat redelijk en billijk is, is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden van het betreffende geval. Het feit dat een deelgenoot het feitelijk gebruik heeft van een goed kan onder omstandigheden met zich mede brengen dat diegene dan de lasten met betrekking tot dat goed voor zijn of haar rekening dient te nemen.

49. Vastgesteld dient derhalve te worden op welk gemeenschapsgoed de lening met nummer [leningB] en de lening met nummer [leningA] betrekking hebben.

50. Nu partijen verschillen van mening acht het hof het noodzakelijk dat de te benoemen deskundige dit gaat onderzoeken. Daarna zal het hof oordelen wie de lasten van de betreffende lening dient te dragen, de man of de vrouw of beide partijen.

Schulden 2

52. In grief IX (het hof leest grief X) stelt de man dat de schulden die in de verdeling moeten worden betrokken een bedrag van € [e]- bedragen en niet zoals de rechtbank heeft overwogen een bedrag van € [f].

53. De stelling van de man wordt door de vrouw niet weersproken. Derhalve treft de grief doel.

Rentebetaling over schulden 2

54. De man stelt in grief XI (het hof leest grief XII) dat de rechtbank ten onrechte de rentevordering met betrekking tot de schulden aan moeder en dochter heeft weggelaten.

55. De man stelt dat hij jaarlijks aan rente aan zijn moeder betaalt de somma van € [g],- en aan de dochter c.q. haar erfgenamen € [h]-.

56. De vrouw stelt dat de schulden aan de moeder en de dochter altijd renteloos zijn geweest. Voorts vindt de vrouw de door de man gestelde rente aan zijn moeder van 30% per jaar erg hoog.

57. Het hof overweegt als volgt. Gezien het door de vrouw gevoerde verweer rust op de man de bewijslast om aan te tonen op welke voorwaarden de gelden door zijn moeder en de dochter aan hem ter beschikking zijn gesteld.

58. Het hof verzoekt de man conform artikel 22 Rv nader te worden geïnformeerd over de voorwaarden van de geldleningen.

Belastingschulden

59. Door de man wordt gesteld dat rechtbank ten onrechte niet in de verdeling heeft betrokken de belastingschulden met betrekking tot 1997 en 1998. De belastingschuld over 1997 bedraagt € 11.143,- en over 1998 € 57.755,-.

60. Door de vrouw wordt erkend dat de rechtbank geen verder oordeel heeft gegeven over de gemeenschap regarderende belastingschulden. Volgens de vrouw zijn tot aan de datum van inschrijving van de echtscheiding geen voorlopige voorzieningen gewezen. Kosten van huishouding, belastingen werden gedelgd ten laste van de daartoe bestemde bankrekeningen.

61. Het hof overweegt als volgt. De belastingschulden van partijen die betrekking hebben op de periode van voor [datum] dienen in beginsel in de verdeling te worden betrokken. De grief treft van de man in zoverre doel.

62. De te benoemen deskundige dient vast te stellen wat de hoogte is van de verschuldigde belasting.

De voorbedeling

63. Het hof begrijpt uit grief XIII (het hof leest grief XIV) dat de vrouw in de jaren 1997 en 1998 grote bedragen heeft opgenomen en dat zij deze bedragen alsnog in de ontbonden gemeenschap moet inbrengen. Het gaat over een bedrag van fl 331.802,- en fl 3.435,03. De man wenst zichzelf en zijn accountant als getuigen te horen.

64. Door de vrouw wordt bestreden dat zij grote bedragen heeft opgenomen. In confesso is dat tussen partijen nimmer voorlopige voorzieningen tot de datum van ontbinding van het huwelijk zijn gewezen. De vrouw voorzag door middel van huishoudgeld in haar levensonderhoud. Daarnaast werden tot aan mei 1998 kasopnames van de bankrekening van partijen in de kas van de tandartsenpraktijk gestort om daaruit zakelijke kosten te voldoen.

65. Het hof overweegt als volgt. Voor de bepaling van de omvang van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap zijn in beginsel slechts relevant de activa die op [datum] aanwezig waren. Indien de man wil betogen dat de vrouw conform art 1:164 BW de huwelijksgoederengemeenschap heeft benadeeld heeft de man naar het oordeel van het hof niet voldaan aan zijn stelplicht.

66. De grief treft geen doel.

Opbrengst bouwmaterialen

67. De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte niet de opbrengst van bouwmaterialen in de verdeling heeft betrokken.

68. Door de vrouw wordt erkend dat de rechtbank de opbrengst niet in de verdeling heeft betrokken.

69. De grief treft derhalve doel.

Grieven A tot en met D van de vrouw

70. De man heeft het standpunt van de vrouw erkend. De grieven A tot en met D treffen doel.

Onverteerde inkomsten

71. De vrouw heeft onder punt 30 een voorwaardelijke grief ingesteld. Aangezien het hof van oordeel is dat de belastingschulden die aan de zijde van de man in de gemeenschap zijn gevallen in de verdeling moeten worden betrokken dient de onderhavige grief te worden besproken.

72. Het hof begrijpt uit de toelichting dat de vrouw van mening is dat als gevolg van onverteerde inkomsten een bedrag van € 100.544,36 in de verdeling dient te worden betrokken.

73. De man heeft gesteld dat de vrouw in de periode van 1 januari 1998 tot [datum] een bedrag van fl. 129.312,- heeft opgenomen van de bank c.q. de giro, hetgeen hoger is dan haar winstaandeel c.q de alimentatie welke de man eind 1998 is gaan betalen (fl 8.500,- per maand). Volgens de man zijn er geen overgespaarde inkomsten.

74. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1: 99 BW juncto 1:163 BW wordt de wettelijke gemeenschap van goederen ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Tot [datum] vallen de goederen die partijen verwerven in de huwelijksgoederengemeenschap en zijn de schulden die aan de zijde van partijen zijn opgekomen verhaalbaar op de huwelijksgoederengemeenschap. Partijen kunnen echter verbintenisrechtelijk in hun onderlinge verhouding een andere datum overeenkomen met betrekking tot de bepaling van de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap.

75. Het hof heeft uit de omvangrijke processtukken niet kunnen vaststellen dat partijen in onderling overleg van het wettelijk systeem zijn afgeweken. Voor de bepaling van de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap dient derhalve te worden uitgegaan van de goederen die op [datum] aanwezig waren.

Kosten zeiljacht

76. De vrouw is het er niet mee eens dat de rechtbank heeft overwogen dat de kosten van instandhouding van het zeiljacht drukken op de gemeenschap. Het hof leest in de toelichting op de grief dat de man bij het feitelijk uiteengaan van partijen de zeilboot heeft gekocht. Alleen de man maakte gebruik van de zeilboot.

77. De man is van mening dat de kosten van instandhouding van het zeiljacht wel in de gemeenschap vallen.

78. Het hof overweegt als volgt. Het zeiljacht valt in de huwelijksgoederengemeenschap van partijen. De hoofdregel is dat de kosten van dit gemeenschapsgoed eveneens als gemeenschapskosten dienen te worden aangemerkt. Het enkele feit dat alleen de man van de zeilboot gebruik maakte doet daaraan in beginsel niet af. De grief treft geen doel.

Lichtvaardig maken van schulden

79. De vrouw stelt dat zij in april 1996 met haar broer is overeengekomen dat zij de monumentale boerderij zou afbreken. Ter zake deze afspraak wenst zij als getuigen te horen: de heer C.A. ’t Westeinde en zichzelf.

80. De medewerkers van het notariskantoor Verhaegen & Verhaegen zijn op [datum] begonnen met het concipïeren van de notariële akte d.d. [datum]. Op 20 mei 1997 heeft de vrouw een sloopvergunning aangevraagd welke aan haar op 2 juni 1997 is verstrekt. De door de vrouw aan aannemer De Baar verstrekte opdracht vloeide rechtstreeks voort uit de afspraak die zij heeft gemaakt met haar broer tot sloop van de boerderij. De rechter past ten onrechte een onjuist aangrijpingsmoment toe in het kader van artikel 1: 164 BW. De boerderij van de ouders van de vrouw was een rijksmonument. Haar vader heeft tot [datum] in de boerderij gewoond. De vrouw wilde het monument handhaven door deze op een andere locatie te herbouwen. De vrouw en haar broer hebben na het overlijden van hun vader hierover overleg gevoerd en enkele maanden later, in april 1996, afgesproken dat de vrouw tot – handmatige – afbraak van de boerderij over zou gaan om daartoe de materialen voor herbouw te behouden en overeenkomstig de afspraken met haar broer te verkrijgen. De overeenkomst werd gedurende het huwelijk van partijen gesloten en de vrouw had geen aanwijzing dat de man van echt wilde scheiden. De man wist volgens haar van voormelde afspraken. Gezien de omvang van het vermogen van partijen kunnen de kosten van afbraak van € 60.579,65 niet aangemerkt worden als het lichtzinnig schulden maken. De vrouw heeft de aannemer betaald uit de verkoopopbrengst van de obligaties.

81. De man is van mening dat de vrouw niet gevolgd kan worden in haar aanbod om alsnog bewijs aan te bieden dat zij reeds in april 1996 had afgesproken met haar broer om de boerderij af te breken. Dat de vrouw met het slopen van de boerderij lichtvaardig schulden heeft gemaakt is evident. De vrouw besteedt een bedrag van fl 136.000,- voor sloopkosten zonder dat daar ook maar iets tegen over staat, behoudens een bedrag van € 3.290,- aan waarde van materialen. Voorts heeft de man gesteld dat de vrouw hem niet heeft gekend in het handmatig slopen van de boerderij. De man heeft zich met betrekking tot de sloopkosten op het standpunt gesteld dat de vrouw de gemeenschap heeft benadeeld conform art 1:164 BW.

82. Het hof overweegt als volgt. De rechtsrelatie tussen echtgenoten en ex-echtgenoten wordt mede beheerst door de redelijkheid en de billijkheid. Uit de door de vrouw zelf gestelde feiten en omstandigheden volgt dat de vrouw om persoonlijke redenen de boerderij op een andere plaats wenste te herbouwen. Om tot een herbouw te komen was handmatige afbraak noodzakelijk. Uit de door de vrouw gestelde feiten volgt dat zij met haar broer was overeengekomen om te komen tot afbraak van de boerderij. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat hiermee is bedoeld een handmatige afbraak. Het was de vrouw die de bouwmaterialen wenste te verkrijgen voor herbouw en niet haar broer. Onbestreden is dat de vrouw in de periode van 6 maanden voor datum indiening verzoekschrift tot echtscheiding aan de aannemer opdracht heeft gegeven om over te gaan tot een handmatige afbraak van de boerderij van haar ouders. Onduidelijk is of het erfdeel van de vrouw in de huwelijksgemeenschap viel. Vast staat dat met de handmatige afbraak zeer aanzienlijke kosten waren gemoeid. Het hof wenst door partijen tijdens te houden comparitie van partijen nader te worden geïnformeerd omtrent de gang van zaken met betrekking tot de afbraak van de boederij.

Taxatie zeiljacht

83. De vrouw is het niet eens met de waarde waarvoor het zeiljacht in de verdeling is betrokken.

84. De vrouw stelt dat het zeiljacht per 1 maart 1998 verzekerd was voor een bedrag van

fl 125.000,-. De vrouw is van mening dat het zeiljacht voor een bedrag van € 56.722,- in de verdeling dient te worden betrokken. Indien het zeiljacht niet voor voormeld bedrag in de verdeling dient te worden betrokken is de vrouw van mening dat het zeiljacht moet worden gewaardeerd door een onafhankelijke deskundige per datum ontbinding huwelijk.

85. De man is van mening dat de waarde van het zeiljacht volgens de gangbare normen is gewaardeerd.

86. Het hof overweegt als volgt. Nu partijen geen overeenstemming hebben weten te bereiken over de waardering van het zeiljacht, dient de waarde daarvan door een deskundige te worden vastgesteld.

87. De vrouw wenst voor de waardering van het zeiljacht uit te gaan van datum [datum].

88. Het hof verzoekt de man zich bij akte uit te laten over het tijdstip van de waardering alsmede of het zeiljacht door 1 of 3 taxateurs moet worden vastgesteld.

89. Het hof verzoekt de vrouw zich bij akte uit te laten of het zeiljacht door 1 of 3 taxateurs moet worden vastgesteld.

Waarde aandeel De Jachthaven [gemeente] B.V.

90. De vrouw is van mening dat de waarde van de aandelen in De Jachthaven [gemeente] B.V. voor een bedrag van € 9.439 in de verdeling moeten worden betrokken.

91. De man is van mening dat de aandelen moeilijk overdraagbaar zijn en dat aan de aandelen een waarde kan worden toegekend van € 3.738,-.

92. Het hof overweegt als volgt. Het hof kan op basis van de door partijen gestelde gegevens niet vaststellen wat de waarde is van de aandelen in De Jachthaven [gemeente] B.V. Het hof acht het noodzakelijk dat een deskundige de waarde vaststelt.

93. Het hof verzoekt beide partijen zich bij akte uit te laten over:

• het aantal deskundigen dat moeten worden benoemd: 1 of 3;

• het tijdstip van waardering;

• de waarderingsgrondslagen voor de aandelen;

• met welke fiscale claims rekening moet worden gehouden.

De verdere procesgang

94. Partijen dienen binnen zes weken na datum van dit arrest een akte te nemen;

• na deze akte zal het hof binnen zes weken overgaan tot benoeming van een deskundige zijnde een notaris/mediator; partijen dienen zich bij akte uit te laten of zij een voorkeur hebben voor de persoon van de te benoemen deskundige;

• de overige deskundigen zullen worden benoemd door de notaris/mediator;

• binnen vijf maanden na datum van dit arrest vindt er een comparitie van partijen plaats in aanwezigheid van de deskundige, de advocaten van partijen en partijen; partijen dienen in persoon aanwezig te zijn bij de comparitie;

• het hof zal een raadsheer-commissaris benoemen ten overstaan van wie de comparitie plaatsvindt en onder wiens leiding het deskundigenonderzoek plaatsvindt.

• de advocaten dienen binnen 12 weken na datum van dit arrest telefonisch contact op te nemen met mevrouw A.W.M. Verheijen (telefoonnummer 070- 381 1500), griffier bij dit hof, ter bepaling van de datum van de te houden comparitie.

95. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

Beslissing

bepaalt dat partijen binnen zes weken na datum van dit arrest een akte nemen met betrekking tot de onderwerpen zoals overwogen in de rechtsoverwegingen 36,38,58, 88, 89, 93;

benoemt tot raadsheer-commissaris prof mr.dr. A.H.N. Stollenwerck, raadsheer in dit hof, en bij diens afwezigheid mr. A.N. Labohm, eveneens raadsheer in dit hof;

bepaalt op een nog nader te bepalen tijdstip een comparitie van partijen;

gelast dat partijen in persoon bij de comparitie aanwezig zijn;

houdt iedere verdere beslissing aan;

Dit arrest is gewezen door mrs. Labohm, van Dijk en Stollenwerck en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 februari 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.