Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2530

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
21-07-2011
Zaaknummer
200.062.249-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beroepsaansprakelijkheid, causaal verband

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.062.249/01

Zaaknummer rechtbank : 281148 / HAZA 07-380

arrest d.d. 14 juni 2011

inzake

[appellant],

wonende te [Woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J. van Weerden te Rotterdam,

tegen

[de advocaat],

wonende te [Woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [de advocaat],

advocaat: mr. S.A.G. Hoogeveen te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 16 februari 2010 is [appellant] in hoger beroep gekomen van twee door de rechtbank 's-Gravenhage tussen partijen gewezen vonnissen van 8 april 2009 en 25 november 2009. Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft [de advocaat] de grieven bestreden.

Vervolgens zijn de stukken overgelegd en is arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het vonnis van 8 april 2009 onder 2.1 tot en met 2.10 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende:

[de advocaat] heeft, in zijn hoedanigheid van advocaat, [appellant] en diens broer [de broer] bijgestaan in de tegen hen in 1996 aanhangig gemaakte strafzaken (wegens verdenking van deelneming aan een criminele organisatie die drugstransporten uitvoerde vanuit Marokko naar Nederland) en de daaraan gekoppelde ontnemingzaken.

3. In 1996 is onder [appellant] onder meer conservatoir beslag gelegd op een aantal vervoermiddelen. Voorts is in 1996 beslag gelegd op een geldbedrag van NLG 726.714,50, zijnde € 334.306,47, dat was aangetroffen bij een huiszoeking in de woning van de dochter van [appellant].

4. Beide broers zijn bij arrest van 25 januari 1998 strafrechtelijk veroordeeld. Bij arrest van 31 januari 2001 zijn zij ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel veroordeeld tot betaling aan de Staat van – ieder afzonderlijk – een bedrag van NLG 1.309.000,-, zijnde

€ 593.998,30, te vervangen door 64 maanden hechtenis bij niet betalen. Het tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad op 26 november 2002 verworpen.

5. [appellant] heeft zijn volledige schuld aan de Staat op grond van zijn hiervoor genoemde veroordeling in de ontnemingzaak betaald door verrekening met onder meer het onder 2 genoemde in beslag genomen geldbedrag en de daarover opgebouwde rente. [appellant] heeft daartoe op 24 juni 2003 een aantal formulieren, hem toegezonden door het Centraal Justitieel Incassobureau, ondertekend. In deze formulieren is onder meer opgenomen dat [appellant] verklaart akkoord te gaan met de aanwending van het onder 2 genoemde geldbedrag ter gedeeltelijke betaling van de aan hem opgelegde ontnemingmaatregel.

6. In de hoofdzaak van [de broer], die stelt eigenaar te zijn van het onder 2 genoemde geldbedrag, tegen [appellant], heeft [appellant] [de advocaat] in vrijwaring opgeroepen. Aan deze vrijwaring heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat [de advocaat] hem ondeugdelijk heeft geadviseerd voorafgaand aan de ondertekening van de verrekeningsverklaringen en hem ten onrechte niet heeft behoed voor de vordering van [de broer]. De rechtbank heeft de vordering in vrijwaring afgewezen.

7. [appellant] komt in hoger beroep op tegen deze afwijzing. Wat er zij van de aangevoerde grieven, deze kunnen niet tot vernietiging van het vonnis leiden. In hoger beroep en ook reeds in eerste aanleg heeft [de advocaat] immers aangevoerd dat van schade geen sprake is en dit verweer slaagt. Daartoe overweegt het hof het volgende.

8. Nu de rechtbank tussen [appellant] en [de broer] heeft vastgesteld dat [de broer] de eigenaar is van de in beslag genomen gelden, en [appellant] hiertegen niet is opgekomen, dient deze eigendom te worden aangenomen. [appellant] is gehouden om het aan [de broer] toebehorende en het ten onrechte bij [appellant] in de verrekening betrokken bedrag te vergoeden. Het is echter niet zo dat [appellant] daardoor schade leidt. Het bedrag dat voor verrekening is aangewend kwam hem niet toe, zodat hij na vergoeding van [de broer] van diens schade in dezelfde situatie komt te verkeren als waarin hij zou hebben verkeerd zonder dat de, volgens hem onterechte, verrekening had plaatsgevonden, namelijk met een schuld ter grootte van het verrekende bedrag.

9. Nu geen sprake is van schade aan de zijde van [appellant] kan van aansprakelijkheid van [de advocaat] voor enige schade evenmin sprake zijn. De vordering in vrijwaring is door de rechtbank derhalve terecht afgewezen, zodat het vonnis bekrachtigd dient te worden. Het bewijsaanbod wordt gepasseerd als niet ter zake dienend.

10. [appellant] zal in de proceskosten in hoger beroep worden veroordeeld, nu hij in het ongelijk wordt gesteld.

Beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de bestreden vonnissen en veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [de advocaat] begroot op € 1.100,- aan verschotten en € 3.263,- aan salaris advocaat, en verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, G. Dulek-Schermers en H.J.H. van Meegen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juni 2011 in aanwezigheid van de griffier.