Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2181

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
19-07-2011
Zaaknummer
200.087.551.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Termijn gesloten plaatsing door het hof verkort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 6 juli 2011

Zaaknummer : 200.087.551/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 11-372

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. D. Akdemir te Rotterdam,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland Zuid,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

kantoorhoudende te Dordrecht,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Dordrecht,

locatie Dordrecht,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 19 mei 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 27 april 2011 van de kinderrechter in de rechtbank Dordrecht. Een aanvulling op het beroepschrift is op 20 juni 2011 per fax en op 21 juni 2011 per post ingekomen.

Jeugdzorg heeft op 15 juni 2011 per fax een verweerschrift ingediend. Dit is op 16 juni 2011 per post ingekomen.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 16 juni 2011 een faxbericht van 14 juni 2011 met bijlage;

- op 16 juni 2011 een faxbericht van 16 juni 2011 met bijlagen;

- op 21 juni 2011 een faxbericht van dezelfde datum met bijlagen;

De zaak is op 22 juni 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door mr. B.V. Rafaela en door mevrouw A.J. Feres-Jansen, tolk in de Portugese taal;

- mevrouw S. Straathof en mevrouw T. Philippart namens de raad;

- de heer M. Pouwels en mevrouw J. van de Waal namens Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de tussenbeschikking van 5 april 2011 van de rechtbank Dordrecht.

Bij de tussenbeschikking van 5 april 2011 heeft de kinderrechter een voorlopige machtiging verleend aan Jeugdzorg om de nader te noemen minderjarige uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29c lid 1 van de Wet op de jeugdzorg, met ingang van 5 april 2011 voor de duur van vier weken, dat wil zeggen tot 3 mei 2011.

Bij de bestreden beschikking is een machtiging verleend aan Jeugdzorg om de minderjarige te plaatsen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zoals bedoeld in artikel 29b lid 1 van de Wet op de jeugdzorg, met ingang van de datum van die beschikking en voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 12 januari 2012.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de uithuisplaatsing van de minderjarige [naam minderjarige], geboren [in 1996] te [geboorteplaats], in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29b lid 1 van de Wet op de jeugdzorg, voor de periode van 27 april 2011 tot 12 januari 2012.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen.

3. Jeugdzorg bestrijdt het beroep van de moeder en verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep en de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep, strekkende tot vernietiging van de bestreden beschikking af te wijzen.

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de machtiging tot plaatsing en doen verblijven van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29b lid 1 van de Wet op de jeugdzorg, voor de duur van de ondertoezichtstelling, heeft verleend. De moeder is van mening dat de minderjarige het meest gebaat is bij een situatie waarbij zij bij de moeder thuis intensieve hulp ontvangt. Ter zitting heeft de moeder verklaard veel te hebben nagedacht over de afgelopen jaren in relatie tot de huidige situatie en nu te begrijpen dat zij de minderjarige de aandacht die zij nodig had onvoldoende heeft gegeven. Zij vindt het belangrijk dat de band tussen haar en de minderjarige wordt versterkt en dat de band tussen de minderjarige en de rest van het gezin in stand blijft. De persoonlijke begeleider van de moeder, van thuiszorgorganisatie Saadazorg, kan ook de minderjarige begeleiden. Ook het andere minderjarige kind van de moeder ontvangt hulp in de thuissituatie. Deze hulpverlening verloopt goed, zodat het volgens de moeder ook voor de minderjarige mogelijk moet zijn de noodzakelijke hulp thuis te verkrijgen. De moeder heeft ter zitting voorgesteld dat de minderjarige aan het begin van het nieuwe schooljaar weer thuis wordt geplaatst zodat zij – met de aangeboden hulp – een nieuw leven kan gaan opbouwen.

5. Jeugdzorg stelt vanaf het moment dat de minderjarige onder toezicht werd gesteld en uit huis werd geplaatst, intensief met haar aan de slag te zijn gegaan. Vanwege de problematiek van de minderjarige en het feit dat de moeder haar niet kan begrenzen als gevolg waarvan zij volledig haar eigen gang gaat, was er geen andere mogelijkheid dan de minderjarige met een machtiging tot uithuisplaatsing op een behandelplek te plaatsen, aldus Jeugdzorg. Doordat de minderjarige steeds wegliep, ontrok zij zich aan de behandeling, waardoor deze stagneerde, als gevolg waarvan zij uiteindelijk gesloten geplaatst is op de Overberg. Sinds zij geplaatst is op de Overberg gaat het beter met de minderjarige omdat zij zich thans niet aan de hulpverlening kan onttrekken en zij baat heeft bij de geboden structuur. Jeugdzorg stelt dat de problematiek van de minderjarige te groot is voor intensieve hulpverlening in de thuissituatie. Ter zitting heeft Jeugdzorg verklaard dat het momenteel goed gaat en dat het de bedoeling is dat de minderjarige te zijner tijd naar een open groep gaat in Alphen aan den Rijn, waar zij haar moeder vaker kan zien. Het uiteindelijke doel is dat de minderjarige weer naar huis gaat. Momenteel wordt de minderjarige geobserveerd, waarna naar aanleiding van deze observatie een onderzoek zal worden opgestart. In augustus dit jaar zal er een evaluatie plaatsvinden waarna bekeken zal worden welke vervolgstap het beste bij (de problematiek van) de minderjarige aansluit. Jeugdzorg heeft ter zitting benadrukt dat het van belang is dat er voordat de minderjarige naar huis gaat een goede basis wordt gelegd, waarop zij kan voortborduren, en dat het in een te vroeg stadium weer thuis plaatsen van de minderjarige het risico in zich draagt dat al hetgeen tot op heden bereikt is, teniet wordt gedaan.

6. De raad heeft ter zitting het volgende verklaard. De minderjarige is naar aanleiding van grote zorgen die er ten aanzien van haar waren onder toezicht gesteld. Hulpverlening in het vrijwillig kader bleek niet toereikend. De omstandigheid dat de moeder te kennen had gegeven de minderjarige niet meer aan te kunnen heeft er destijds toe geleid dat de minderjarige uit huis werd geplaatst, waarna de zaak door Jeugdzorg is overgenomen.

7. De minderjarige heeft ter zitting verklaard een zwaar jaar te hebben gehad, maar veel geleerd te hebben en nu steviger in haar schoenen te staan en graag terug te willen gaan naar haar moeder. Voorts heeft zij de wens geuit een nieuwe kans te krijgen, waarbij zij zichzelf en haar omgeving niet meer zal teleurstellen.

8. Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 29b lid 3 Wet op de jeugdzorg een machtiging tot opneming van een jeugdige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, ongeacht zijn instemming daarmee, slechts wordt verleend indien de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

9. Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de minderjarige ten tijde van het indienen van het inleidend verzoek door Jeugdzorg forse gedragsproblemen vertoonde die duidden op ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen. De minderjarige vertoonde reeds enige jaren gedragsproblemen en er waren reeds diverse vormen van hulpverlening ingezet. De minderjarige ging niet naar school, had agressieproblemen, politiecontacten en een sterke ‘wegloopproblematiek’, waarbij zij geen duidelijkheid verschafte over waar zij had verbleven en wat zij had gedaan op de momenten dat zij weg was.

10. Ter zitting is gebleken dat er momenteel een positieve ontwikkeling zichtbaar is bij de minderjarige. Ook heeft de moeder getoond (meer) inzicht te hebben in het ontstaan van de huidige situatie en heeft zij een concreet beeld geschetst van hoe zij de toekomst voor zich ziet indien de minderjarige weer thuis geplaatst zou worden.

11. Het hof is van oordeel dat, om deze positieve ontwikkeling niet te verstoren, het van belang is dat de minderjarige voldoende tijd krijgt sterker en weerbaar te worden in een beschermende en duidelijke opvoedomgeving, waarbij zij wordt begrensd waar nodig en vrijheid geniet wanneer dat kan en waarbij hulp direct voorhanden is. Het hof neemt daarbij de ernst van de situatie ten aanzien van de minderjarige ten tijde van het indienen van het inleidend verzoek door Jeugdzorg in aanmerking, alsmede de omstandigheid dat de huidige positieve ontwikkeling recentelijk op gang is gekomen, eerst nadat de minderjarige gesloten is geplaatst.

12. Gelet op het voorgaande en de omstandigheid dat momenteel nog onderzoek naar de minderjarige gaande is waarna pas duidelijkheid kan worden verschaft met betrekking tot de volgende stap in het behandeltraject van de minderjarige is het hof van oordeel dat de bestreden beschikking ten aanzien van de plaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg bekrachtigd dient te worden. Het hof is echter van oordeel dat, gelet op de huidige positieve ontwikkeling van de minderjarige, de periode waarvoor de machtiging tot het plaatsen van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg is afgegeven, te weten tot januari 2012, te lang is om te overzien of een gesloten plaatsing gedurende die hele periode noodzakelijk is. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat een kortere duur van de machtiging de motivatie van de minderjarige om mee te werken aan de hulpverlening ten goede kan komen. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de daarin vastgestelde termijn derhalve vernietigen en bepalen dat de machtiging tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zal eindigen op 1 november 2011.

13. Het hof beslist derhalve als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking wat betreft de daarin vastgestelde termijn;

bepaalt dat de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing eindigt op 1 november 2011;

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, de Haan-Boerdijk en van der Kuijl, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juli 2011.