Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2035

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-04-2011
Datum publicatie
18-07-2011
Zaaknummer
22-004770-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de uitvoer van een grote hoeveelheid heroïne en hennep.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 56 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004770-10

Parketnummer: 10-750029-08

Datum uitspraak: 5 april 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 september 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1957,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 22 maart 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte bevolen, met ingang van 6 september 2010.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 februari 2008 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 45.000 gram (45 kilogram), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk die heroïne aangeboden en/of overgedragen aan (transport)bedrijf [bedrijf A] voor (verder) vervoer met bestemming naar het buitenland, te weten Groot-Brittanië;

2.

hij op of omstreeks 14 februari 2008 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 200.000 gram (200 kilogram), in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte opzettelijk

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk die hennep aangeboden en/of overgedragen aan (transport)bedrijf [bedrijf A] voor (verder) vervoer met bestemming naar het buitenland, te weten Groot-Brittanië.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Het bewijs

Het hof heeft bij de beoordeling van de tenlastelegging acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Op 14 februari 2008 waren door het bedrijf [bedrijf B], gevestigd te Rotterdam, 6 pallets met frikadellen aangeleverd bij het bedrijf [bedrijf A], gevestigd te Rotterdam. De pallets waren bestemd voor Engeland. Verbalisanten zagen dat van één pallet een doos kapot was. Zij zagen voorts dat zich in deze doos een plastic zak gevuld met vermoedelijk hennep bevond.1

Door verbalisanten zijn de zes pallets uitgepakt. Op pallet 1 bevonden zich dozen met daarin telkens een plastic zak, inhoudende groene droge plantendelen, vermoedelijk hennep. De zakken wogen in totaal 48.5 kilogram.

Op pallet 2 bevonden zich dozen met daarin telkens een plastic zak, inhoudende groene droge plantendelen, vermoedelijk hennep. De zakken wogen in totaal 48.15 kilogram.

Op pallet 3 bevonden zich dozen met daarin telkens een plastic zak, inhoudende groene droge plantendelen, vermoedelijk hennep. De zakken wogen in totaal 59.95 kilogram.

Op pallet 4 bevonden zich dozen met daarin telkens een plastic zak, inhoudende groene droge plantendelen, vermoedelijk hennep. De zakken wogen in totaal 59.80 kilogram.

Op pallet 5 bevonden zich pakketten met daarin telkens een lichtbruine droge stof, vermoedelijk verdovende middelen. De pakketten wogen in totaal 43.75 kilogram.

Op pallet 6 bevonden zich dozen met daarin telkens een plastic zak, inhoudende groene droge plantendelen, vermoedelijk hennep. De zakken wogen in totaal 49 kilogram.

Van de vermoedelijke hennep en vermoedelijke verdovende middelen zijn monsters genomen.2

Uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut blijkt uit monsters genomen van het groen plantaardig materiaal zoals aangetroffen op pallet 1, 2, 3, 4 en 6, dat het materiaal hennep betreft. Voorts blijkt uit monsters genomen van het beige poeder zoals aangetroffen op pallet 5, dat dit materiaal heroïne bevat.3

De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij door [medeverdachte 2] is benaderd of hij in dienst wilde komen bij [bedrijf B]. Zijn werkzaamheden zouden bestaan uit het doen van boodschappen en het overpakken van frikadellen uit doosjes van [merk A] in andere dozen. De hoeveelheid dozen die hij moest overpakken kreeg hij altijd door van [medeverdachte 2] of van [verdachte], meestal van [verdachte]. Het geld voor de bodschappen kreeg hij van [verdachte]. Deze [verdachte] zat ook bij het sollicitatiegesprek met [medeverdachte 2]. Ook heeft hij pallets gekocht en gehaald en contant betaald met geld dat hij van [verdachte] kreeg.4

Voorts heeft [medeverdachte 1] verklaard dat [medeverdachte 2] en [verdachte] hem in januari 2008 hebben benaderd om bij de frikadellen die geëxporteerd zouden gaan worden naar Engeland tevens softdrugs te pakken. Met softdrugs bedoelt hij wiet en pollum (hasjiesj). Het ompakken van de dozen vond plaats aan de [adres A] te Rotterdam. Aan de buitenzijde van een pallet pakte hij dozen met daarin frikadellen en middenin kwamen dozen met daarin verstopt de pollum. Tevens voorzag hij de met folie ingepakte pallets van adresstickers en EU-stickers. Al deze stickers kreeg hij van [medeverdachte 2] of [verdachte]. De reden dat hij aannam dat er pollum in de ingetapete pakketten zat, was dat dit door [verdachte] aan hem verteld was. [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben hem voor zijn werkzaamheden in verband met het ompakken van de frikadellen met daarin verborgen de pollum het volgende voorgehouden: Het salaris dat hij zou gaan verdienen bij [bedrijf B] was € 1.850,- per maand. Daarnaast zou hij een bedrag van € 750,- per week contant krijgen.5 Dat was voor het verpakken van de hasj.6 Hij heeft in totaal een bedrag van € 3.000,- contant ontvangen van [verdachte].

Hij heeft voorts een achterstallige betaling voor de loodshuur aan de [adres A] te Rotterdam verricht in opdracht van [verdachte]. [verdachte] heeft hem daarvoor een bedrag van ongeveer twee maanden huur meegegeven.

Op zaterdag 16 februari 2008 werd hij door [verdachte] gebeld. [verdachte] gaf hem op dat er iets niet goed was. Op de maandag daarop gaf [verdachte] hem middels de telefoon opdracht om de loods aan de [adres A] leeg te halen en alles weg te gooien. Hij heeft de loods leeggehaald. Daarna moest hij naar [bar A] komen in Rotterdam. [verdachte] gaf hem daar zijn laatste geld en deelde hem mede dat hij de huurauto in moest leveren en vertelde voorts dat [medeverdachte 2] was aangehouden in Engeland.7

[medeverdachte 1] kan zich nog herinneren dat eenmaal een soort witte klei-achtige substantie werd aangeleverd bij de [adres A] te Rotterdam. Het betrof zo'n 50 à 60 pakketten. Hij is toen naar het kantoor van [bedrijf B] aan de [adres B] te Rotterdam gegaan en heeft aan [verdachte] gevraagd wat dit voor substantie was. [verdachte] vertelde hem dat het pure THC was dat opgelost was in een natte waspoederachtige substantie. [verdachte] vertelde aan hem dat deze THC in Engeland er weer zou worden uitgeraffineerd.8

Ter terechtzitting in hoger beroep van 22 maart 2011 heeft [medeverdachte 1], toen hij als getuige werd gehoord over de genoemde onderwerpen, bevestigd dat hij over het bovenstaande bij de politie naar waarheid heeft verklaard.

De medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij aan het pand aan de [adres B] was gekomen op aanraden van zijn zakenpartner [verdachte] . Aan [medeverdachte 2] wordt door verbalisanten de verklaring van [medeverdachte 1] voorgehouden, inhoudende dat een klei-achtige substantie werd aangeleverd, en dat [verdachte] hierover tegen [medeverdachte 1] had gezegd dat dit pure THC was hetgeen er in Engeland weer uit zou worden geraffineerd. [medeverdachte 2] verklaarde dat het klopte wat [medeverdachte 1] had verklaard. Voorts verklaarde [medeverdachte 2] dat hij het vond tegenvallen dat [verdachte] [betrokkene A] niet had vrijgepleit, en dat hij wilde bevestigen dat [medeverdachte 1] de waarheid had gesproken. Dit laatste zei hij, nadat hem onder andere de hiervoor opgenomen verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] was voorgehouden, dat hij ([medeverdachte 1]) van [medeverdachte 2] en [verdachte] het verzoek had gekregen om frikadellen om te pakken en er softdrugs tussen te stoppen.9

De medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat zij wist dat [verdachte] aan [medeverdachte 1] had gevraagd om te helpen frikadellen over te pakken. Het idee om de frikadellen over te pakken kwam bij [verdachte] en [medeverdachte 2] vandaan. Zij waren ervan op de hoogte dat er hashish of hennep bij verpakt werd. Zij wist van [medeverdachte 1] dat [verdachte] zich bezig houdt met duistere praktijken. [medeverdachte 1] kreeg van [verdachte] opdrachten om dit soort dingen te doen. [medeverdachte 1] kreeg ook contant betaald van [verdachte]. [verdachte] heeft opdracht gegeven om de loods leeg te ruimen.10

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft - overeenkomstig haar aan het hof overgelegde requisitoir - geconcludeerd tot een veroordeling ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. In de kern weergegeven heeft zij daartoe ten aanzien van feit 2 aangevoerd dat de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1] betrouwbaar zijn, en dat deze verklaringen worden ondersteund door de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 2]. Op basis van de verklaring van [medeverdachte 1] dat de verdachte aanwezig was toen [medeverdachte 1] werd gevraagd werkzaamheden te verrichten voor de uitvoer van softdrugs, kan de verdachte als medepleger worden aangemerkt. Ten aanzien van feit 1 heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de verdachte heeft geconfronteerd met de aanlevering van een witte substantie. De verdachte had zich er in ieder geval van dienen te vergewissen of zich harddrugs in de lading bevonden, en heeft aldus bewust het risico genomen dat er niet alleen soft- maar ook harddrugs geëxporteerd zouden worden.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte - overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde pleitnota - vrijspraak ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde bepleit. In de kern weergegeven heeft hij daartoe aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 1] onvoldoende betrouwbaar zijn om te bezigen voor het bewijs. De verdachte is nooit betrokken geweest bij de export van frikadellen. Hij heeft slechts op de momenten dat [medeverdachte 2] in Engeland verbleef als vriendendienst diens zaken waargenomen, door op verzoek van [medeverdachte 2] enveloppen aan [medeverdachte 1] te overhandigen.

Beoordeling van de tenlastelegging

Het hof is op grond van voornoemde bewijsmiddelen van oordeel dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen.

Ter zake van het onder 2 tenlastegelegde overweegt het hof als volgt. Het hof is - anders dan de verdediging - van oordeel dat de verklaringen die door de medeverdachte [medeverdachte 1] zijn afgelegd consistent en betrouwbaar zijn. De op pagina 4 van de pleitnota geciteerde passage uit het verhoor van [medeverdachte 1] op 12 maart 2008 waarin [medeverdachte 1] aan de politie openheid toezegt als hij naar huis kan gaan, doet daar niet aan af nu niet aannemelijk is geworden dat er tijdens het desbetreffende verhoor ontoelaatbare druk op [medeverdachte 1] is uitgeoefend. Het hof neemt bij de beoordeling van de betrouwbaarheid tevens in aanmerking dat [medeverdachte 1] ter terechtzitting in hoger beroep als getuige nogmaals heeft bevestigd dat hij bij de politie de waarheid heeft gesproken. Zijn verklaringen worden bovendien ondersteund door de bevestiging daarvan door [medeverdachte 2] en de verklaring van [medeverdachte 3] over hetgeen zij van haar partner [medeverdachte 1] had gehoord.

Uit de verklaringen van [medeverdachte 1] leidt het hof af dat de verdachte een prominente rol heeft gespeeld bij het ompakken van frikadellen en het bijpakken van softdrugs. De verdachte heeft samen met [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] benaderd met het verzoek om bij de frikadellen die geëxporteerd zouden gaan worden naar Engeland tevens softdrugs te pakken. Voorts zijn door de verdachte aan [medeverdachte 1] concrete opdrachten gegeven met betrekking tot de hoeveelheid om te pakken dozen en heeft [medeverdachte 1] geld ontvangen van de verdachte voor deze werkzaamheden. [medeverdachte 1] voorzag de met folie ingepakte pallets van adresstickers en EU-stickers die hij van [medeverdachte 2] of de verdachte ontving. Voorts heeft [medeverdachte 1] van de verdachte contant geld ontvangen teneinde een achterstallige betaling voor de loodshuur te verrichten. In opdracht van de verdachte heeft [medeverdachte 1] tevens de loods leeggehaald nadat de verdachte hem had medegedeeld dat 'er iets niet goed was'.

Gelet op het vorenoverwogene acht het hof de verklaring van de verdachte dat hij slechts als vriendendienst voor [medeverdachte 2] enveloppen overhandigde aan [medeverdachte 1] dan ook niet aannemelijk. De verklaring van [medeverdachte 2] dat hij het vindt tegenvallen van de verdachte dat hij [betrokkene A] niet heeft vrijgepleit bevestigt dit oordeel nu de verdachte volgens [medeverdachte 2] kennelijk in staat was [betrokkene A] vrij te pleiten. Dit duidt er naar het oordeel van het hof op dat de verdachte wel degelijk wetenschap had van het bijpakken van drugs bij de frikadellen.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen teneinde de uitvoer van hennep naar Groot-Brittannië te bewerkstelligen.

Ter zake van het onder 1 tenlastegelegde overweegt het hof als volgt. De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft de verdachte er van op de hoogte gesteld dat hij op een zeker moment in plaats van hennep een witte klei-achtige substantie aangeleverd had gekregen om bij de frikadellen te pakken. Uit niets blijkt dat de verdachte vervolgens nader onderzoek heeft ingesteld naar de aard van deze substantie. Het hof is van oordeel dat de verdachte zich aldus welbewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat behalve hennep en hasjiesj tevens heroïne omgepakt en uitgevoerd zou worden. Derhalve is tevens het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 14 februari 2008 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, 45 kilogram heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk die heroïne aangeboden en overgedragen aan (transport)bedrijf [bedrijf A] voor (verder) vervoer met bestemming naar het buitenland, te weten Groot-Brittannië;

2.

hij op 14 februari 2008 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 200 kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk die hennep aangeboden en overgedragen aan (transport)bedrijf [bedrijf A] voor (verder) vervoer met bestemming naar het buitenland, te weten Groot-Brittannië.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte - rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn - ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de uitvoer van een grote hoeveelheid heroïne en hennep. Hij heeft zich daarmee begeven op het terrein van de internationale handel in verdovende middelen. Verdovende middelen en de handel hierin vormen een ernstige bedreiging voor de samenleving, omdat daardoor niet alleen de volksgezondheid wordt bedreigd maar ook de met de verdere verspreiding van die verdovende middelen gepaard gaande criminaliteit wordt bevorderd.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 maart 2011 is de verdachte meermalen onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren een passende en geboden reactie vormt voor deze feiten. Het hof neemt echter in aanmerking dat bij de berechting van de feiten in eerste aanleg de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens met bijna 5 maanden is overschreden. Het hof zal om die reden de op te leggen gevangenisstraf bekorten met 4 maanden.

Detentiegeschiktheid

Door de verdediging is aangevoerd dat de raadkamer van het Gerechtshof op 9 februari 2011 de voorlopige hechtenis van verdachte heeft geschorst naar aanleiding van het rapport van de Medisch Adviseur bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie d.d. 8 februari 2011. Een hernieuwde vrijheidsbeneming zou volgens de verdediging in strijd zijn met artikel 3 EVRM. Het hof verwerpt dit verweer, aangezien uit de medische rapportage niet blijkt dat de verdachte blijvend detentieongeschikt is. Wel gaat het hof er van uit dat bij de executie van de straf acht wordt geslagen op de op dat moment bestaande medische situatie van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 56 (zesenvijftig) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf acht wordt geslagen op hetgeen hiervoor is overwogen betreffende de detentiegeschiktheid van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. A.L.J. van Strien, mr. G.J.W. van Oven en mr. M.C.R. Derkx, in bijzijn van de griffier mr. C. Bossema.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 april 2011.

1 Het proces-verbaal betreffende voorstel gecontroleerde aflevering Engeland nr. 0802181200.AMB, d.d. 18 februari 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, p. 4 van het einddossier. 2 Het proces-verbaal van observatie, inbeslagname, overbrengen, telling, weging, monstername en overdracht nr. 0802151420.AMB, d.d. 16 februari 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, p. 224 en 225 van het einddossier.

3 Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut nr. 0802181200.AMB, zaaknummer [nummer], d.d. 25 februari 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde gerechtelijk deskundige, p. 245 van het einddossier.

4 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] nr. 0803100920.V02, d.d. 10 maart 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, p. 271 en 272 van het einddossier.

5 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] nr. 0803111216.V02, d.d. 11 maart 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, p. 277 en 278 van het einddossier.

6 Verklaring van de getuige [medeverdachte 1] ter terechtzitting in hoger beroep van 22 maart 2011.

7 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] nr. 0803111216.V02, d.d. 11 maart 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, p. 278 t/m 281 van het einddossier.

8 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] nr. 0803121021.V02, d.d. 12 maart 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, p. 286 van het einddossier.

9 Het proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2] nr. 0806260900.V07, d.d. 10 juli 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, p. 195, 197, 199 en 202 van het vervolgproces-verbaal nummer 2008054681-A/42614.

10 Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] nr. 0803111245.V03, d.d. 11 maart 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, p. 295 t/m 297 van het dossier.