Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR1991

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-02-2011
Datum publicatie
18-07-2011
Zaaknummer
22-001016-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2010:BL2347, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BU8773, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BU8773
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte wegens doodslag en het voorhanden hebben van wapens en munitie tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren. Bovendien gelast het hof dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 22-001016-10

parketnummers 10-660208-09 en 10-664087-08 (gevoegd)

datum uitspraak 7 februari 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 februari 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Brazilië) op [geboortedag] 1967,

thans gedetineerd in Gevangenis "De IJssel" te Krimpen aan den IJssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 23 december 2010 en 24 januari 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde (moord) vrijgesproken en ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair (doodslag), 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 20 juli 2009 tot en met 21 juli 2009 te Capelle aan den IJssel opzettelijk en/of met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en/of na kalm beraad en/of rustig overleg, meermalen, althans éénmaal (telkens) met een mes, althans een scherp voorwerp in de keel en/of de borst, althans het (boven)lichaam gestoken en/of gesneden van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 20 juli 2009 tot en met 21 juli 2009 te Capelle aan den IJssel (een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool, nl een gaspistool van het merk BLOW, model Compact, kaliber 9 mm PAK (voorzien van serienummer [nummer]) voorhanden heeft gehad en/of met dit wapen één of meer schoten heeft gelost en/of munitie in de zin van art. 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten 9, althans één of meer knalpatronen, kaliber 9 mm PAK voorhanden heeft gehad;

3. (parketnummer 10-664087-08)

hij op of omstreeks 17 oktober 2008 te Rotterdam (een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool/revolver namelijk een hagelpistool van het merk Blow, type model COMPAC2002, kaliber 9 MM PAK voorhanden heeft gehad, en/of munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet Wapens en Munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten 10 knalpatronen, kaliber 9 MM PAK voorhanden heeft gehad.

Omvang van het hoger beroep

De advocaat-generaal heeft de ter terechtzitting in hoger beroep van 23 december 2010 gedane mededeling van de verdachte, inhoudende dat het namens hem ingestelde hoger beroep alleen ziet op de veroordeling ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en niet op het onder 2 en 3 tenlastegelegde, aldus verstaan dat de omvang van het hoger beroep tot het onder 1 tenlastegelegde is beperkt. In dat verband heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de straf ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Het hof stelt vast dat uit de "akte rechtsmiddel" niet blijkt dat de omvang van het hoger beroep is beperkt tot het onder 1 tenlastegelegde. Evenmin is gebleken van een "akte intrekking" waaruit kan worden afgeleid dat het hoger beroep ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde is ingetrokken.

Het hof ziet in de hierboven genoemde omstandigheden aanleiding om het hoger beroep in volle omvang te behandelen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vrijspraak van de verdachte van het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde (moord) en tot bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde (doodslag).

Voor wat betreft de onderbouwing van het standpunt van de advocaat-generaal verwijst het hof - kortheidshalve - naar hetgeen daaromtrent in het aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 januari 2011 gehechte schriftelijk requisitoir is verwoord.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het standpunt van de advocaat-generaal ten aanzien van de omvang van het hoger beroep kan voorts niet anders worden afgeleid dan dat het openbaar ministerie van oordeel is dat het onder 2 en 3 tenlastegelegde bewezen moet worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is overeenkomstig de overgelegde pleitnotities bepleit dat de verdachte - die ontkent het onder 1 impliciet primair en impliciet subsidiair tenlastegelegde te hebben gepleegd - wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs daarvan dient te worden vrijgesproken.

Het hoger beroep van de verdachte richt zich niet tegen zijn veroordeling voor het onder 2 en 3 tenlastegelegde, aangezien hij die feiten bekent.

Feit 1

Door het hof op basis van wettige bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden

Op 21 juli 2009 omstreeks 07.20 uur begeeft verbalisant [verbalisant 1] zich naar de [adres A] te Capelle aan den IJssel, alwaar - volgens een bij de meldkamer binnengekomen melding - een man een vuurwapen op een andere man zou hebben gericht. Eenmaal ter plaatse constateert hij dat zijn collega's, de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], al zijn gearriveerd. Op ongeveer veertig meter afstand ziet hij een man staan die een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op zijn eigen hoofd richt.1

De verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] vorderen de man om zijn wapen neer te leggen. Nadat de man aan die vordering heeft voldaan, wordt hij door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. In de linker broekzak van de - inmiddels als verdachte aangemerkte - man treffen de verbalisanten een Nederlandse identiteitskaart op naam van [verdachte], geboren op [geboortedag] 1967 te [geboorteplaats], aan. Verbalisant [verbalisant 2] constateert dat de foto op de identiteitskaart gelijkenis met het gelaat van de verdachte vertoont.2

Verbalisant [verbalisant 1] geeft de verdachte de cautie en plaatst hem in het dienstvoertuig om de verdachte over te brengen naar het politiebureau te Capelle aan den IJssel. Onderweg naar het politiebureau hoort verbalisant [verbalisant 1] de verdachte zeggen: "Ik zie het allemaal niet meer zitten, iedereen om me heen gaat maar dood. Ik kan het allemaal niet meer aan. Jullie moeten maar even kijken op de [adres B] want ik heb iets heel ergs gedaan. Ik heb daar mijn vriend dood gestoken omdat hij de urn van mijn overleden moeder niet wilde geven". [verbalisant 1] deelt hetgeen hij zojuist van de verdachte heeft gehoord mede aan verbalisant [verbalisant 4], die de informatie via de portofoon verspreidt en de meldkamer van de politie stuurt vervolgens een eenheid naar het opgegeven adres.3

Omstreeks 07.44 uur diezelfde dag arriveren de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] bij de woning aan de [adres B] te Capelle aan den IJssel. Nadat hij tevergeefs een aantal keren op de voordeur van die woning heeft geklopt, trapt verbalisant [verbalisant 3] de voordeur in. [verbalisant 3] treedt samen met zijn inmiddels eveneens ter plaatse gekomen collega's [verbalisant 5] en [verbalisant 6] de woning binnen. Op de bank in de woonkamer treffen zij het levenloze lichaam van een man aan die vermoedelijk door geweld om het leven is gebracht.4

Het stoffelijk overschot wordt - met inachtneming van de wettelijk voorgeschreven handelingen dienaangaande - in beslag genomen en overgebracht naar het mortuarium te Rotterdam. Aldaar wordt het stoffelijk overschot door [betrokkene A] en [betrokkene B] geïdentificeerd als [slachtoffer], geboren op [geboortedag] 1952, wonende aan de [adres B] te Capelle aan den IJssel.5

Op 23 juli 2009 wordt sectie op het stoffelijk overschot van [slachtoffer] verricht. De patholoog-anatoom constateert een snijverwonding in de keel en steekverwonding in de borst van [slachtoffer]. De steekverwonding is gepaard gegaan met massale inwendige bloeding en bloedverlies in de luchtwegen. Het intreden van de dood kan op basis hiervan (massaal bloedverlies en weefselschade) zonder meer worden verklaard. De letsels zijn toegebracht met een scherprandig en hard en dun voorwerp, bijvoorbeeld door één of twee messen.6

Op 21 juli 2009 is de verdachte, na te zijn overgebracht naar het politiebureau, gefouilleerd. Hierbij wordt onder meer zijn horloge in beslag genomen en overgedragen aan personeel van de Forensische Opsporing.7

Tijdens het technisch onderzoek door de Forensische Opsporing van politie Rotterdam-Rijnmond worden sporen veiliggesteld en voorzien van Sporen Identificatie Nummer (hierna: SIN) [nummer].8

Op het bij de verdachte in beslag genomen en aan de Forensische Opsporing overgedragen horloge wordt een bloedspat aangetroffen. Deze bloedspat wordt bemonsterd en voorzien van [nummer]. Voorts wordt aan de onderzijde van de horlogekast nabij een schroefje een bloedvlekje aangetroffen. Dit bloedvlekje wordt bemonsterd en voorzien van [nummer]#2. Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) wordt verzocht onderzoek te doen op de aanwezigheid van DNA-materiaal, DNA-profielen daarvan vast te stellen en deze te vergelijken.9

Van de bloedspat, zoals aangetroffen op het glas en de wijzerplaat van het horloge van de verdachte en veiliggesteld onder [nummer]#1, en het bloedvlekje, zoals aangetroffen aan de onderzijde van de horlogekast van het horloge van de verdachte en veiliggesteld onder [nummer]#2, worden DNA-profielen vastgesteld. Onderzoek wijst uit dat deze DNA-profielen overeenkomen met het DNA-profiel van het slachtoffer ([nummer]). De kans dat het DNA-profiel van een willekeurige persoon matcht met deze DNA-profielen (de berekende frequentie DNA-profiel) is kleiner dan één op één miljard.10

Tijdens het technisch forensisch onderzoek in de woning van het slachtoffer wordt een in stukken gebroken mes aangetroffen, veiliggesteld en gewaarmerkt. Tijdens het verplaatsen van het slachtoffer wordt op de driezitsbank in de woonkamer een bebloed lemmet aangetroffen en veiliggesteld onder [nummer]. Op de vloer in de keuken wordt een zwart stukje kunststof heft aangetroffen en veiliggesteld onder [nummer]. In het midden van de grote slaapkamer in het souterrain staat een tafel. Op deze tafel wordt een heft van een mes met een afgebroken lemmet aangetroffen en veiliggesteld onder [nummer].11

Soucheonderzoek door het NFI wijst uit dat de drie voormelde mesdelen [nummer], [nummer] en [nummer] oorspronkelijk één geheel hebben gevormd.12

Onderzoek door het NFI naar de bemonsterde bloedsporen op het lemmet [nummer]13, dat is aangetroffen in de slaapkamer in het souterrain van de woning van het slachtoffer, wijst uit dat het celmateriaal afkomstig kan zijn van het slachtoffer. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurige persoon matcht met dit DNA-profiel (de berekende frequentie DNA-profiel) is kleiner dan één op één miljard.14

Bij een nader onderzoek in de woning van het slachtoffer op 28 juli 2009 wordt in het souterrain onder meer aangetroffen een brief gedateerd 5 april 2009, inhoudende een handgeschreven verklaring waaruit blijkt dat het samenwonen van de verdachte en het slachtoffer niet meer gaat en dat de verdachte naar een ander huis of kamer zal gaan zoeken.15 Voorts wordt in de woning een brief d.d. 20 juli 2009 aangetroffen waaruit blijkt dat de verdachte en het slachtoffer op het punt stonden uit elkaar te gaan.16

Omtrent de relatie tussen de verdachte en het slachtoffer [slachtoffer], alsmede omtrent de gang van zaken op 20 juli 2009 stelt het hof het volgende vast.

Ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 januari 2010 heeft de verdachte verklaard in het souterrain van de woning van het slachtoffer te hebben gewoond.

[getuige A], een goede vriendin van de verdachte, heeft tegenover de politie verklaard dat zij wist dat de verdachte bij het slachtoffer, [slachtoffer], woonde. De verdachte heeft haar ook verteld dat [slachtoffer] homo was.

[getuige A] heeft de verdachte op 20 juli 2009 voor het laatst gezien. De verdachte heeft toen tegen haar gezegd: "Die vuile homofiel moet met zijn klauwen van mij afblijven anders maak ik hem af". Voorts heeft zij verklaard dat de verdachte die dag ineens weg wilde. De verdachte heeft tegen [getuige A] gezegd: "Die schoft denkt toch niet dat ik buiten ga slapen, ik betaal toch huur.". [getuige A] was toen niet in staat de verdachte tegen te houden. Toen de verdachte wegging, had hij volgens [getuige A] cocaïne gebruikt. Hij had hele grote ogen.17

Ten overstaan van de rechter-commissaris zwakt zij haar tegenover de politie afgelegde verklaring enigszins af. Zij heeft daar verklaard dat zij de verdachte heeft horen zeggen dat hij [slachtoffer] verrot of kapot zou slaan.18

Een kennis van de verdachte, [getuige B] genaamd, heeft tegenover de politie verklaard dat de verdachte hem op 20 juli 2009 rond 07.10 uur had gebeld. De verdachte heeft in dat gesprek gezegd dat hij zijn pistool kwam ophalen. Volgens [getuige B] is de verdachte diezelfde dag omstreeks 09.00 uur bij hem gekomen. De verdachte gedroeg zich ziek en kwaad en zei dat hij zijn pistool nodig had, omdat hij iemand kapot ging schieten. Daarop heeft [getuige B] de verdachte diens pistool gegeven.19

Nadat de verdachte in de woning van [getuige B] drugs had gebruikt, heeft hij omstreeks 12.00 uur die woning verlaten. De verdachte was op dat moment boos en zei dat hij naar de [adres C] zou gaan. Hij was kwaad op zijn huisbaas, omdat deze een samenlevingscontract wilde laten opstellen. De verdachte zou dan € 100,- per maand voor zijn kamer moeten gaan betalen.20

Onderzoek naar de historische telefoongegevens van het bij de verdachte in gebruik zijn telefoonnummer [nummer] bevestigt voornoemd telefonisch contact van de verdachte met [getuige B]. Voorts blijkt uit voornoemd onderzoek dat de verdachte in de nacht en vroege ochtend van 20 juli 2009 een aantal keren naar het huis van het slachtoffer aan de [adres B] te Capelle aan den IJssel heeft gebeld.21

Op 21 juli 2009 heeft de verdachte tegenover de politie verklaard dat hij de woning van het slachtoffer was binnengegaan.

"(...)Ik vroeg: "Ik wil de urn van mijn vrouw hebben.". Hij weigerde dit.(...)De deur was dicht maar niet op slot. Ik ben naar binnen gegaan.(...)Het werd zwart voor mijn ogen. Ik had stemmen in mijn hoofd. Mijn vrouw is dood.(...)Ik hoorde stemmen en mijn vrouw.(...)Misschien ben ik tot ontploffing gekomen.(...)Ik was opgefokt. Ik weet dat ik naar binnen ben gegaan.".22

Gelet op het hierboven overwogene staat vast dat de verdachte woonachtig was in de woning van het slachtoffer aan de [adres B] te Capelle aan den IJssel en dat er tussen de verdachte en het slachtoffer kennelijk dusdanige problemen omtrent het samenwonen waren, dat de verdachte op het punt stond om elders te (moeten) gaan wonen. Op 20 juli 2009 is de verdachte vroeg in de ochtend in boze toestand vertrokken uit de woning van de getuige [getuige A]. Rond 12.00 uur heeft hij de woning van de getuige [getuige B] in geagiteerde toestand verlaten, nadat hij drugs had gebruikt. Tegen de getuige [getuige A] had de verdachte gezegd dat hij het slachtoffer af zou maken dan wel kapot zou slaan als hij niet van hem af zou blijven. Bij de getuige [getuige B] haalde de verdachte zijn pistool op en vertrok kwaad met de mededeling dat hij iemand kapot ging schieten.

Al met al is voldoende komen vast te staan dat de verdachte op enig moment op die dag naar huis is gegaan en aldaar in razernij het slachtoffer heeft neergestoken. Nadat de verdachte, kort na diens aanhouding op 21 juli 2009, had verklaard dat hij op het adres [adres B] zijn vriend had doodgestoken, werd aldaar het stoffelijk overschot van het slachtoffer aangetroffen. Onderzoek wees uit dat het slachtoffer inderdaad door messteken om het leven was gekomen. In de woning werd het mes, waarmee het slachtoffer om het leven was gebracht, in drie delen aangetroffen. Het heft met het afgebroken lemmet werd aangetroffen in de slaapkamer in het souterrain, de verblijfsruimte van de verdachte.

Op grond van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden - in onderlinge samenhang bezien - acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest, die in de periode van 20 juli 2009 tot en met 21 juli 2009 te Capelle aan den IJssel het slachtoffer [slachtoffer] met een mes om het leven heeft gebracht.

Naar het oordeel van het hof biedt het dossier overigens onvoldoende aanknopingspunten op grond waarvan buiten redelijke twijfel bewezen kan worden verklaard dat de verdachte heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg, zodat de verdachte van het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde (moord) behoort te worden vrijgesproken, waartoe ook de advocaat-generaal ter zitting in hoger beroep heeft gerequireerd.

Verweren van de verdediging

Ter adstructie van het door de verdediging ingenomen standpunt dat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, heeft de raadsvrouw een aantal verweren gevoerd.

Het hof zal die verweren bespreken voor zover zij betrekking hebben op de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.

In de kern weergegeven heeft de raadsvrouw het volgende aangevoerd:

a) De verklaring die de verdachte tijdens het transport naar het politiebureau heeft afgelegd dient van het bewijs te worden uitgesloten, omdat de verdachte voorafgaande aan het afleggen van die verklaring niet is gewezen op het recht op consultatie van een raadsman en er aldus in strijd is gehandeld met hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest d.d. 30 juni 2009 - dat in navolging van een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens inzake Salduz versus Turkey is gewezen - heeft overwogen;

b) De verklaring van de verdachte afgelegd tijdens het transport naar het politiebureau dient van het bewijs te worden uitgesloten, nu die verklaring niet in vrijheid - als bedoeld in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering - is afgelegd;

c) Uit het onderzoek naar het tijdstip van overlijden volgt dat vrijwel uitgesloten moet worden geacht dat de verdachte binnen de periode, waarin het slachtoffer geacht moet worden te zijn overleden, in de gelegenheid is geweest het slachtoffer messteken toe te brengen omdat hij toen elders verbleef.

d) De zich in het dossier bevindende stukken laten ook de mogelijkheid open dat een ander dan de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Voor hetgeen de raadsvrouw ter onderbouwing van dit verweer heeft aangevoerd verwijst het hof - kortheidshalve - naar hetgeen daaromtrent op de pagina's 20 tot en met 26 van de pleitnotities is verwoord.

Standpunt van het hof met betrekking tot de verweren.

Ad a:

De vraag die dient te worden beantwoord luidt of er tijdens het transport van de verdachte naar het politiebureau sprake is geweest van een verhoorsituatie.

In zijn arrest van 2 oktober 1979 (LJN AB7396) heeft de Hoge Raad bepaald dat als verhoor als bedoeld in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering worden beschouwd alle vragen aan een door een opsporingsambtenaar als verdachte aangemerkte persoon betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit.

Vast is komen te staan dat er jegens de verdachte een redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie bestond. Op grond van die verdenking is de verdachte aangehouden en naar het politiebureau overgebracht.

Omtrent hetgeen zich vervolgens in het politievoertuig heeft afgespeeld, heeft verbalisant [verbalisant 1] op 14 januari 2010 ten overstaan van de rechter-commissaris het volgende verklaard:

"(...) U vraagt mij of ik mij nog kan herinneren wat er precies in het busje is gezegd. De verdachte zei dat hij het niet meer zag zitten, omdat een hoop mensen om hem heen er niet meer waren. Toen zei hij ook dat hij iets ergs had gedaan. Ik heb hem toen gevraagd: wat heb je dan gedaan? Hij zei toen: "Dan moet je maar gaan kijken op de [adres B]." Hij zei daarbij ook het huisnummer, maar dat weet ik nu niet meer, het was iets met [nummer]. Ik heb hem toen nog een keer gevraagd: maar wat heb je dan gedaan, waarop hij hetzelfde antwoord gaf. Dit gebeurde ongeveer drie keer. De verdachte kwam dusdanig op mij over dat ik de indruk kreeg dat hij inderdaad iets ergs had gedaan. Dat kwam door de woorden die verdachte gebruikte. Ik weet niet meer precies wat die woorden waren, maar de strekking ervan was dat hij iemand vermoord had. Ik heb dat toen doorgegeven aan mijn collega achter het stuur. Die heeft op zijn beurt via de porto andere collega's gevraagd om een kijkje te nemen op de [adres B]."

Het hof overweegt dat uit de hierboven weergegeven verklaring van verbalisant [verbalisant 1] kan worden afgeleid dat de - uit eigener beweging - gedane mededeling van de verdachte, inhoudende dat hij "iets ergs had gedaan" kennelijk betrekking had op iets anders dan waarvoor de verdachte was aangehouden. Dat het daarbij zou gaan om een (ander) strafbaar feit, door de verdachte gepleegd, was op dat moment nog volstrekt niet duidelijk. Niet gezegd kan worden dat er op dat moment al sprake was van een geconstateerd strafbaar feit ten aanzien waarvan de verdachte als "verdacht" was aangemerkt. Van een "verhoor"situatie was (nog) evenmin sprake, zodat op dat moment de verdachte (nog) niet het recht op bijstand van een raadsman toekwam.

In zoverre faalt dus het verweer.

Voor zover de raadsvrouw nog heeft betoogd dat er bovendien in strijd met de "Aanwijzing rechtsbijstand politie" - voor zover daarin is geregeld op welk moment op zijn vroegst met een "verhoor" kan worden aangevangen - is gehandeld, gaat het hof, vanwege de vaststelling dat er van een verhoorsituatie (nog) geen sprake was, hieraan voorbij: in de hiervoor beschreven omstandigheden is immers evenmin (al) sprake van toepasselijkheid van die Aanwijzing.

Het verweer van de raadsvrouw treft in zoverre evenmin doel.

Ad b:

Voor de beoordeling van hetgeen de raadsvrouw onder b heeft aangevoerd dient voorop te worden gesteld dat aan artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering het beginsel ten grondslag ligt dan niemand verplicht of gedwongen kan worden aan zijn eigen veroordeling mee te werken. De strekking van het artikel is dat er niet in strijd met het pressieverbod mag worden gehandeld.

De door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheden als verwoord op pagina's 10 en 11 van de pleitnotities - te weten de omstandigheid dat de verdachte onder invloed van zestien (toxicologische) middelen verkeerde in combinatie met diens zwakbegaafdheid - brengen naar het oordeel van het hof niet mee dat er in strijd met het bepaalde in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering is gehandeld.

Voor zover het verweer begrepen dient te worden als een verweer ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van de verdachte, kort na zijn aanhouding, merkt het hof nog op dat het hof die verklaring alleen voor het bewijs gebruikt voor zover die verklaring voldoende concreet is en het hof die verklaring - gelet op onafhankelijk steunbewijs - voldoende betrouwbaar voorkomt. Het hof wijst er op dat met name de spontaan door de verdachte gedane uitlatingen tegenover verbalisant [verbalisant 1] getuigen van specifieke en gedetailleerde elementen die op daderinformatie wijzen, terwijl de verdachte geen inzicht heeft gegeven in de wijze waarop hij (anders dan als dader) over die informatie is komen te beschikken.

Al met al treft ook dit verweer in zoverre geen doel.

Ad c:

Uit de zich in het dossier bevindende schriftelijke rapportage van de forensisch arts H.N.J.M van Venrooij en diens deskundige-verklaring ter terechtzitting in hoger beroep zou het tijdstip van overlijden moeten worden berekend op 20 juli 2009 tussen 04.45 uur en 13.45 uur. Aan de berekeningsmethode is inherent een betrouwbaarheidsinterval van 95%.

Door de raadsvrouw is betoogd, samengevat, dat uit het onderzoek blijkt dat het zeer onaannemelijk is dat de verdachte in die periode het slachtoffer de dodelijke messteken heeft toegebracht, gelet op met name de verklaringen van de getuigen [getuige A], [getuige B] en de afspraak met de psycholoog in de middag en mede gelet op de afstand tussen de woning in Capelle aan de IJssel en de adressen in Rotterdam waar de verdachte die dag is geweest.

Het hof overweegt dat uit het onderzoek aannemelijk is geworden - zoals hiervoor reeds vermeld - dat de verdachte op de vroege ochtend van 20 juli 2009 nog naar het slachtoffer heeft gebeld, volgens een aantekening in diens agenda en bevestigd door historische telefoongegevens. Rond 09.00 uur is de verdachte bij [getuige B] geweest tot rond 12.00 uur. Ergens in de middag had hij een afspraak met zijn psycholoog.

Alles bijeen is het hof van oordeel dat er in de gehele periode vanaf het laatste teken van leven van het slachtoffer tot aan het aantreffen van het dode slachtoffer door de politie voor de verdachte voldoende gelegenheid is geweest om het slachtoffer de dodelijke messteken toe te brengen. Ook de afstand tussen de adressen in Rotterdam waar de verdachte kennelijk op

20 juli 2009 is geweest en de plaats delict in Capelle aan den IJssel is niet van dien aard dat zulks uitgesloten zou moeten worden geacht.

Tenslotte is het hof, anders dan de verdediging, van oordeel dat - gelet op de uitdrukkelijke verklaring daarover van de deskundige ter terechtzitting in hoger beroep - niet met voldoende zekerheid het tijdstip van overlijden kan worden bepaald en ook de foutenmarge die daarbij in aanmerking moet worden genomen geenszins te verwaarlozen is.

Al met al treft ook dit verweer derhalve geen doel.

Ad d:

Bij de beoordeling van hetgeen de raadsvrouw omtrent het ontbreken van bloed- dan wel andere DNA-sporen van de verdachte op de plaats delict en op de onderdelen van het aangetroffen mes heeft aangevoerd, dient voorop te worden gesteld dat het ontbreken van dergelijke sporen op zichzelf niet dwingt tot de conclusie, dat de verdachte niet de dader is. Dat op de kleding en het schoeisel van de verdachte geen bloedsporen van het slachtoffer zijn aangetroffen, zou overigens (deels) kunnen samenhangen met de omstandigheid dat op de plaats delict relatief weinig bloed is aangetroffen.

In de onderhavige zaak is het hof van oordeel dat de uitkomst van de uitgevoerde technische onderzoeken -afgezien van de genoemde sporen - geen contra-indicatie voor de door het hof (op grond van wettige bewijsmiddelen - waartoe het hof overigens niet het op het horloge aangetroffen bloedspoor rekent -) vastgestelde toedracht oplevert.

Naar het oordeel van het hof is er overigens geen begin van aannemelijkheid dat een ander dan de verdachte het slachtoffer van het leven heeft beroofd. Het dossier bevat daarvoor geen enkel aanknopingspunt.

In dat verband wijst het hof nog op de omstandigheid dat er geen sporen van braak of verbreking op buitendeuren of ramen van de woning zijn aangetroffen.

Van enig motief van een derde is evenmin gebleken.

De enkele door de raadsvrouw opgeworpen omstandigheid dat het slachtoffer wel eens iemand te logeren heeft gehad doet aan bovengenoemd oordeel niet af.

Het verweer dient dan ook te worden verworpen.

Oordeel van het hof

Alles bijeen, in samenhang bezien, acht het hof op grond van de verklaring van de verdachte, gedaan tegenover de verbalisant [verbalisant 1], zijn verklaringen over zijn drugsgebruik en stemmingen in de periode van 20 tot en met 21 juli 2009, het aantreffen van het slachtoffer op aanwijzingen van de verdachte en het aantreffen van (de onderdelen van) het bebloede mes, waarmee het slachtoffer om het leven is gebracht, waarvan een deel is aangetroffen in het souterrain van de woning van het slachtoffer, zijnde de verblijfplaats van de verdachte, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het slachtoffer met messteken om het leven heeft gebracht.

Aan de overtuiging van het hof heeft bijgedragen de uit het onderzoek gebleken omstandigheden waarin de verdachte verkeerde en het duidelijk in beeld gekomen motief van de verdachte.

Enig ander scenario is in het geheel niet aannemelijk geworden.

Feiten 2 en 3

Het hof acht eveneens wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan. Nu de verdachte die feiten heeft bekend, hij nadien niet op die bekentenis is teruggekomen en de raadsvrouw omtrent die tenlastegelegde feiten geen verweer heeft gevoerd, zal het hof - evenals de rechtbank - volstaan met een korte opsomming van de bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 2:

* De ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 januari 2010 afgelegde verklaring van de verdachte;

* Een proces-verbaal van Politie Rotterdam-Rijnmond, documentcode [nummer] (blz. 3 tot en met 6 van proces-verbaalnummer 2009252433), d.d. 21 juli 2009, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, inhoudende een relaas van die opsporingsambtenaren;

* Een proces-verbaal van Politie Rotterdam-Rijnmond, Xpolnr: [nummer] (blz. 119 en 120 van proces-verbaal relaas Forensisch onderzoek zaak [adres B]), d.d. 22 juli 2009, opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende een relaas van die opsporingsambtenaar.

Ten aanzien van feit 3:

* Een proces-verbaal van verhoor van Politie Rotterdam-Rijnmond met proces-verbaalnummer 2008345367-6, d.d. 17 oktober 2008, opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte;

* Een proces-verbaal van aanhouding van Politie Rotterdam-Rijnmond met proces-verbaalnummer 2008345367-2, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, inhoudende een relaas van die opsporingsambtenaren;

* Een proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming van Politie Rotterdam-Rijnmond met proces-verbaalnummer 2008345367-8, d.d. 17 oktober 2008, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, inhoudende een relaas van die opsporingsambtenaren;

* Een proces-verbaal van Politie Rotterdam-Rijnmond met proces-verbaalnummer 2008345367, documentcode

[nummer], d.d. 20 oktober 2008, opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende een relaas van die opsporingsambtenaar.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 20 juli 2009 tot en met 21 juli 2009 te Capelle aan den IJssel opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een mes in de borst van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij in de periode van 20 juli 2009 tot en met 21 juli 2009 te Capelle aan den IJssel een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool, namelijk een gaspistool van het merk BLOW, model Compact, kaliber 9 mm PAK (voorzien van serienummer [nummer]) voorhanden heeft gehad

en

munitie in de zin van art. 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten 9, althans één of meer knalpatronen, kaliber 9 mm PAK voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 17 oktober 2008 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool namelijk een hagelpistool van het merk Blow, type model COMPAC2002, kaliber 9 MM PAK voorhanden heeft gehad,

en

munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet Wapens en Munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten 10 knalpatronen, kaliber 9 MM PAK voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hiervoor aangeduide bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1 impliciet subsidiair:

Doodslag;

2 en 3:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd,

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte van het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde (moord) zal worden vrijgesproken en dat de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde (doodslag) primair zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest, met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte ter zake van dat feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft het slachtoffer, een vriend van de verdachte, in diens woning met een mes om het leven gebracht. Dit is een schokkend feit, waardoor het slachtoffer het hoogste rechtsgoed - het leven - is ontnomen en zijn nabestaanden onherstelbaar leed is aangedaan. Door een dergelijk feit is de rechtsorde ook overigens in ernstige mate geschokt.

Daarnaast heeft de verdachte op twee verschillende momenten een vuurwapen met munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens leidt niet zelden tot het plegen van ernstige geweldsdelicten, waarbij dergelijke wapens vaak worden gebruikt. Ter voorkoming daarvan moet streng worden opgetreden tegen het voorhanden hebben van dergelijke wapens.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 januari 2011 is de verdachte meermalen onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder - zij het niet zeer recent - geweldsdelicten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Bij de beraadslaging heeft het hof acht geslagen op de inhoud van de Pro Justitia rapporten van drs. A.F.J.M. Zwegers, psycholoog, en van F. Verstraeten, psychiater in opleiding, onder supervisie van Th.J.G. Bakkum, psychiater, uitgebracht op

23 oktober 2009 respectievelijk 12 november 2009.

Volgens de gedragsdeskundige Zwegers is de verdachte lijdende aan een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Er is sprake van beneden gemiddeld cognitief functioneren, van misbruik en/of afhankelijkheid van (een) onbekend(e) psycho-actieve middel(en) en van een persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale en borderline kenmerken. Verdachtes gedrag wordt permanent beïnvloed door zijn ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling. Om die reden moet men aannemen dat dit ten tijde van het tenlastegelegde ook het geval is geweest, aldus de deskundige. Het is volgens hem onwaarschijnlijk dat de verdachte in verband daarmee volledig toerekeningsvatbaar was.

De gedragsdeskundige Verstraeten concludeert ten aanzien van de verdachte dat er bij de verdachte sprake is van een depressieve stoornis, matig van ernst, eenmalige episode grotendeels in remissie, afhankelijkheid van methadon en benzodiazepinen, misbruik van cocaïne en heroïne en van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline kenmerken. De deskundige acht het niet aannemelijk dat de gediagnosticeerde stoornissen bij de verdachte geen enkele rol hebben gespeeld bij het tenlastegelegde danwel dat zij verdachtes gedragingen geheel hebben bepaald.

Door bovengenoemde gedragsdeskundigen wordt het onwaarschijnlijk geacht dat de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde volledig toerekeningsvatbaar is.

Nu de verdachte niet over het hem tenlastegelegde spreekt, kan het recidivegevaar vanuit zijn ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling niet goed worden beoordeeld, aldus de deskundigen. Volgens de gedragsdeskundige Verstraeten zijn verdachtes middelenproblematiek en zijn persoonlijkheidsstoornis factoren die van belang zijn voor de kans op recidive in enig delict. Daarbij spelen ook factoren als een beperkt sociaal netwerk, het ontbreken van huisvesting en een adequate dagbesteding een rol. Gelet op het voorgaande acht Verstraeten een behandeling van de verdachte voor zijn verslavings- en persoonlijkheisproblematiek zeer aangewezen.

Het hof komt met inachtneming van de beschouwingen en de conclusies van deze deskundigen tot het oordeel dat de verdachte ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Het hof stelt vast dat de bewezenverklaarde feiten misdrijven betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Daarbij is het hof van oordeel dat de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een maatregel van terbeschikkingstelling vereist.

De raadsvrouw heeft in het kader van een strafmaatverweer - subsidiair - bepleit om aan de verdachte - in plaats van een maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege - die maatregel met voorwaarden op te leggen.

Uit een omtrent de persoon van de verdachte en diens persoonlijke omstandigheden opgemaakt Voorlichtingsrapport d.d. 28 september 2009 opgesteld door K. Burnet, reclasseringswerker, leidt het hof af dat de verdachte diverse keren (ambulant) is behandeld voor zijn verslavingsproblematiek. Die behandelingen zijn echter niet succesvol gebleken.

Gelet op de bevindingen in bovengenoemd Voorlichtingsrapport acht het hof het opleggen van een maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden niet zinvol.

Het hof acht het noodzakelijk aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen. Daarnaast acht het hof - gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, alsmede de recidivestaat van de verdachte, een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden, waarbij de duur in zoverre is gematigd dat rekening is gehouden met de op te leggen maatregel.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde (moord) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair (doodslag), 2 en 3 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Dit arrest is gewezen door mr. A.H. de Wild, mr. S. van Dissel en mr. H.C. Wiersinga, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 februari 2011.

1 Een proces-verbaal van bevindingen van Politie Rotterdam-Rijnmond, documentcode [nummer] (blz. 1 en 2 van proces-verbaalnummer 2009252433), d.d. 21 juli 2009, opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende een relaas van die opsporingsambtenaar.

2 Een proces-verbaal van bevindingen van Politie Rotterdam-Rijnmond, documentcode [nummer] (blz. 3 tot en met 6 van proces-verbaalnummer 2009252433), d.d. 21 juli 2009, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, inhoudende een relaas van die opsporingsambtenaren.

3 Een proces-verbaal van bevindingen van Politie Rotterdam-Rijnmond, documentcode [nummer] (blz. 1 en 2 van proces-verbaalnummer 2009252433), d.d. 21 juli 2009, opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende een relaas van die opsporingsambtenaar.

4 Een proces-verbaal van bevindingen van Politie Rotterdam-Rijnmond, documentcode [nummer] (blz. 24 en 25 van proces-verbaalnummer 2009252433), d.d. 23 juli 2009, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, inhoudende een relaas van die opsporingsambtenaren.

5 Een proces-verbaal van bevindingen van Politie Rotterdam-Rijnmond, documentcode [nummer] (blz. 40 tot en met 42 van proces-verbaalnummer 2009252433), d.d. 23 juli 2009, opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende een relaas van die opsporingsambtenaar.

6 Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, met zaaknummer [nummer] (blz. 102 van het Proces-verbaal Forensisch onderzoek zaak [A]), d.d. 23 juli 2009, opgesteld door dr. R. Visser, arts-patholoog.

7 Een proces-verbaal van bevindingen van Politie Rotterdam-Rijnmond, documentcode [nummer] (blz. 7 en 8 van proces-verbaalnummer 2009252433), d.d. 21 juli 2009, opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende een relaas van die opsporingsambtenaar.

8 Een proces-verbaal van Politie Rotterdam-Rijnmond, Forensische Opsporing, met X-polnummer [nummer], d.d. 24 november 2009, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, inhoudende een relaas van die opsporingsambtenaren.

9 Een proces-verbaal van Politie Rotterdam-Rijnmond, proces-verbaalnummer 2009-252433 (blz. 138 en 139 van proces-verbaal relaas Forensisch onderzoek zaak [A]), d.d. 19 augustus 2009, opgesteld door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende een aanvraag DNA-onderzoek. En ook een geschrift, zijnde een aanvraag onderzoek NFI (blz. 143 tot en met 146 van proces-verbaal relaas Forensisch onderzoek zaak [A]).

10 Een rapport van het NFI, met zaaknummer [nummer], d.d. 8 december 2009, opgesteld door [deskundige A].

11 Een proces-verbaal van Politie Rotterdam-Rijnmond, Forensische Opsporing, met X-polnummer [nummer], d.d. 24 november 2009, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, inhoudende een relaas van die opsporingsambtenaren.

12 Een rapport van het NFI, met zaaknummer [nummer] (blz. 174 tot en met 179 van het proces-verbaal relaas Forensisch onderzoek zaak [A]), d.d. 24 november 2009, opgesteld door [deskundige B].

13 Een proces-verbaal van Politie Rotterdam-Rijnmond, Forensische Opsporing, met X-polnummer [nummer], d.d. 24 november 2009, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, inhoudende een relaas van die opsporingsambtenaren.

14 Een rapport van het NFI, met zaaknummer [nummer], d.d. 8 december 2009, opgesteld door [deskundige A].

15 Een proces-verbaal van bevindingen van Politie Rotterdam-Rijnmond, documentcode [nummer] (blz. 111 en 112 van proces-verbaalnummer 2009252433), d.d. 28 juli 2009, opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende een relaas van die opsporingsambtenaar.

16 Een geschrift, zijnde een handgeschreven brief ondertekend door [verdachte] en [slachtoffer] (blz. 123 van proces-verbaalnummer 2009252433).

17 Een proces-verbaal van bevindingen van Politie Rotterdam-Rijnmond, documentcode [nummer] (blz. 153 tot en met 156 van proces-verbaalnummer 2009252433), d.d. 29 juli 2009, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, inhoudende de verklaring van de getuige [getuige A].

18 Een proces-verbaal van de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam van 20 november 2009, inhoudende de verklaring van de getuige [getuige A].

19 Een proces-verbaal van bevindingen van Politie Rotterdam-Rijnmond, documentcode [nummer] (blz. 175 tot en met 178 van proces-verbaalnummer 2009252433), d.d. 3 augustus 2009, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, inhoudende de verklaring van de getuige [getuige B].

20 Een proces-verbaal van bevindingen van Politie Rotterdam-Rijnmond, documentcode [nummer] (blz. 200 tot en met 207 van proces-verbaalnummer 2009252433), d.d. 11 augustus 2009, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, inhoudende de verklaring van de getuige [getuige B].

21 Een proces-verbaal van bevindingen van Politie Rotterdam-Rijnmond, documentcode [nummer] (blz. 189 en 190 van proces-verbaalnummer 2009252433), d.d. 3 augustus 2009, opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende een relaas van die opsporingsambtenaar.

22 Een proces-verbaal van bevindingen van Politie Rotterdam-Rijnmond, documentcode [nummer] (blz. 72 tot en met 78 van proces-verbaalnummer 2009252433), d.d. 21 juli 2009, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, inhoudende de verklaring van de verdachte.