Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR1916

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-07-2011
Datum publicatie
18-07-2011
Zaaknummer
22-001808-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van medeplegen van / medeplichtigheid aan levensberoving en het wegmaken van het lijk. De verdachte heeft verklaard gehoord te hebben dat [medeverdachte 1] ‘van [slachtoffer] af wilde’, maar dat zij dat niet serieus heeft genomen. Dat haar bekend was dat [medeverdachte 1] aan zijn voornemen daadwerkelijk uitvoering zou geven door [slachtoffer] van het leven te beroven, volgt niet uit het dossier. Integendeel: uit de diverse verklaringen van de voor de moord en het verbergen van het lijk veroordeelden volgt, dat ieder van hen dacht of meende te weten dat één van de anderen er wel concreet met de verdachte over gesproken zou hebben. Niemand heeft echter verklaard zelf expliciet de verdachte te voren te hebben geïnformeerd. Ook anderszins is niet komen vast te staan dat de verdachte tevoren op de hoogte was van, althans welbewust het aanmerkelijke risico heeft aanvaard dat zij met enige gedraging een bijdrage zou leveren aan, de geplande moord en het laten verdwijnen van het lichaam. Het hof is derhalve van oordeel dat niet kan worden bewezen verklaard dat de verdachte opzet had op de tenlastegelegde gronddelicten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2011/429
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001808-10

Parketnummer: 02-002265-04

Datum uitspraak: 18 juli 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Breda van 14 april 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en - na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden - het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 10 januari 2011 en 4 juli 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Voorts is de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding en is bepaald dat de benadeelde partij die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De officier van justitie heeft op 20 april 2005 tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 6 maart 2006 het vonnis van de rechtbank te Breda van 14 april 2005 vernietigd en verdachte vrijgesproken van hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 is tenlastegelegd.

De advocaat-generaal heeft op 17 maart 2006 tegen bovengenoemd arrest beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 3 april 2007 het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 6 maart 2006 vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof te

Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 11 juli 2008 het vonnis van de rechtbank te Breda van 14 april 2005 vernietigd en verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij, als nader in het arrest omschreven.

Namens de verdachte is op 14 juli 2008 tegen bovengenoemd arrest beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 9 maart 2010 het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 11 juli 2008 vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1. primair

zij op of omstreeks 26 mei 2004 te Zevenbergschenhoek, gemeente Moerdijk, althans in het arrondissement Breda, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van haar mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (telkens) met een hamer, althans een hard en/of zwaar voorwerp op en/of tegen het hoofd geslagen, althans meermalen, althans eenmaal (telkens) uitwendig mechanisch en/of (hevig) botsend geweld op het hoofd van [slachtoffer] uitgeoefend en/of toegepast, (mede) tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden;

subsidiair

[medeverdachte 1] op of omstreeks 26 mei 2004 te Zevenbergschenhoek, gemeente Moerdijk, althans in het arrondissement Breda, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of een of meer van zijn genoemde mededader(s) en/of ander(en) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (telkens) met een hamer, althans een hard en/of zwaar voorwerp op en/of tegen het hoofd geslagen, althans meermalen, althans eenmaal (telkens) uitwendig mechanisch en/of (hevig) botsend geweld op het hoofd van [slachtoffer] uitgeoefend en/of toegepast, (mede) tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 februari 2004 tot en met 27 mei 2004 te Oosterhout (Noors Brabant) en/of Made, gemeente Drimmelen en/of Zevenbergschenhoek, gemeente Moerdijk en/of elders in de gemeente Moerdijk en/of Hank, gemeente Werkendam en/of elders in de gemeente Werkendam en/of Lage Zwaluwe, gemeente Drimmelen, althans in het arrondissement Breda, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest, door

- (telkens) besprekingen te houden en/of afspraken/plannen te maken met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] over het om het leven brengen/vermoorden van [slachtoffer], althans (telkens) haar woning ter beschikking te stellen aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] in verband met het bespreken van zijn/hun plan(nen) om [slachtoffer] om het leven te brengen en/of

- op verzoek van die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] in verband met het zoeken naar de (meest geschikte) dumpplek voor het stoffelijk overschot van [slachtoffer] een kaart van de Biesbosch te pakken en/of (mee) te kijken naar de plaats waar het lichaam van [slachtoffer] (het beste) kon worden gedumpt en/of

- de ketting(en), waarmee het lichaam/stoffelijk overschot van [slachtoffer] verzwaard was/zou worden in de schuur behorende bij haar en/of [medeverdachte 3] woning te bewaren en/of op te slaan, althans te dulden dat de ketting(en) waarmee het lichaam/stoffelijk overschot van [slachtoffer] verzwaard was/zou worden, werden opgeslagen in de schuur behorende bij haar en/of [medeverdachte 3] woning en/of

- de (speciaal aangeschafte) telefoons voorafgaande aan de moord te programmeren zodat [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op de avond van 26 mei 2004 telefonisch contact konden onderhouden en/of

- op woensdagavond 26 mei 2004 (telkens) telefonisch contact(en) te onderhouden met [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 2] op de hoogte te houden van en/of te informeren over de komst van die [medeverdachte 3] bij die [medeverdachte 2] (op de afgesproken plek) en/of

- voorafgaande aan het plegen van de moord op [slachtoffer] afspraken te maken met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] over een ieders alibi voor woensdagavond 26 mei 2004 en/of

- te dulden dat die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 3] persoonlijke spullen van [slachtoffer] heeft/hebben verbrand in de schuur behorende bij haar en/of [medeverdachte 3] woning en/of

- de auto waarin het stoffelijk overschot/lichaam van [slachtoffer] werd vervoerd grondig te reinigen;

2. primair

zij op of omstreeks 26 mei 2004 te Zevenbergschenhoek, gemeente Moerdijk, en/of elders in de gemeente Moerdijk en/of Werkendam en/of Lage Zwaluwe, gemeente Drimmelen, althans in het arrondissement Breda, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhullen door met dat oogmerk het lichaam/stoffelijk overschot van [slachtoffer] in te pakken in zeil en/of (vervolgens) in een auto te vervoeren en/of (vervolgens) te verzwaren met (een) ketting(en) en/of (vervolgens) (in de Biesbosch) in het water te gooien/dumpen;

subsidiair

[medeverdachte 1] en/ [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 26 mei 2004 te Zevenbergschenhoek, gemeente Moerdijk en/of elders in de gemeente Moerdijk en/of Werkendam en/of Lage Zwaluwe, gemeente Drimmelen, althans in het arrondissement Breda, in elk geval in Nederland, tezamen en of in vereniging met elkaar en/of een ander of anderen, althans alleen, het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen door met dat oogmerk het lichaam/stoffelijk overschot van [slachtoffer] in te pakken in zeil en/of (vervolgens) in een auto te vervoeren en/of (vervolgens) te verzwaren met (een) ketting(en) en/of (vervolgens) (in de Biesbosch) in het water te gooien/dumpen

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 februari 2004 tot en met 27 mei 2004 te Oosterhout (Noord Brabant) en/of Made, gemeente Drimmelen en/of (in de gemeente) Werkendam, althans in het arrondissement Breda, in elk geval in Nederland meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest, door

- (telkens) besprekingen te houden en/of afspraken/plannen te maken met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] over het om het leven brengen/vermoorden van die [slachtoffer] , althans (telkens) haar woning ter beschikking stellen aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 3] in verband met het bespreken van zijn/hun plan(nen) om [slachtoffer] om het leven te brengen en/of

- op verzoek van die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] in verband met het zoeken naar de (meest geschikte) dumpplek voor het stoffelijk overschot van [slachtoffer] een kaart van de Biesbosch te pakken en/of (mee) te kijken naar de plaats waar het lichaam van [slachtoffer] (het beste) kon worden gedumpt en/of

- de ketting(en), waarmee het lichaam/stoffelijk overschot van [slachtoffer] verzwaard was/zou worden in de schuur behorende bij haar en/of [medeverdachte 3] woning te bewaren en/of op te slaan, althans te dulden dat de ketting(en) waarmee het lichaam/stoffelijk overschot van [slachtoffer] verzwaard was/zou worden, werden opgeslagen in de schuur behorende bij haar en/of [medeverdachte 3] woning en/of

- de (speciaal) aangeschafte telefoons voorafgaande aan de moord te programmeren zodat [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op de avond van 26 mei 2004 telefonisch contact zouden onderhouden en/of

- op woensdagavond 26 mei 2004 (telkens) telefonisch contact(en) te onderhouden met [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 2] op de hoogte te houden van en/of te informeren over de komst van die [medeverdachte 3] bij die [medeverdachte 2] (op de afgesproken plek) en/of

- voorafgaande aan het plegen van de moord op [slachtoffer] afspraken te maken met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] over een ieders alibi voor woensdagavond 26 mei 2004 en/of

- te dulden dat die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 3] persoonlijke spullen van [slachtoffer] heeft/hebben verbrand in de schuur behorende bij haar en/of [medeverdachte 3] woning en/of

- de auto waarin het stoffelijk overschot/lichaam van die [slachtoffer] werd vervoerd grondig te reinigen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd.

Ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid van de verdachte aan de levensberoving op [slachtoffer] en aan het verbergen van haar lichaam overweegt het hof in het bijzonder nog als volgt.

Het hof stelt voorop dat, zoals ook in de tenlastelegging tot uitdrukking komt, medeplichtigheid vergt dat de behulpzaamheid door de verdachte opzettelijk met het oog op het gronddelict is verleend en/of de gelegenheid, middelen of inlichtingen door de verdachte opzettelijk met het oog op het gronddelict is/zijn verschaft.

De verdachte heeft verklaard gehoord te hebben dat [medeverdachte 1] 'van [slachtoffer] af wilde', maar dat zij dat niet serieus heeft genomen. Dat haar bekend was dat [medeverdachte 1] aan zijn voornemen daadwerkelijk uitvoering zou geven door [slachtoffer] van het leven te beroven, volgt niet uit het dossier. Integendeel: uit de diverse verklaringen van de voor de moord en het verbergen van het lijk veroordeelden volgt, dat ieder van hen dacht of meende te weten dat één van de anderen er wel concreet met de verdachte over gesproken zou hebben. Niemand heeft echter verklaard zelf expliciet de verdachte te voren te hebben geïnformeerd. Ook anderszins is niet komen vast te staan dat de verdachte tevoren op de hoogte was van, althans welbewust het aanmerkelijke risico heeft aanvaard dat zij met enige gedraging een bijdrage zou leveren aan, de geplande moord en het laten verdwijnen van het lichaam. Het hof is derhalve van oordeel dat niet kan worden bewezen verklaard dat de verdachte opzet had op de tenlastegelegde gronddelicten.

Ten overvloede overweegt het hof voorts dat, indien zou moeten worden aangenomen dat dergelijk opzet bij de verdachte wel zou hebben bestaan, niet tot bewezenverklaring van medeplichtigheid zou kunnen worden gekomen van de meeste, onder de diverse gedachtenstreepjes geformuleerde gedragingen.

Vaststaat, dat de verdachte bij het daadwerkelijke plegen van de strafbare feiten geen uitvoeringshandelingen heeft verricht. Evenmin is komen vast te staan, dat zij na afloop behulpzaam is geweest in het kader van daartoe tevoren gemaakte afspraken. Van de overige tenlastegelegde gedragingen die aan de moord zouden zijn voorafgaan, zijn het meest substantieel: het aanreiken van de kaart van de Biesbosch op een avond voorafgaand aan de moord, het voeren van een telefoongesprek met haar broer terwijl deze op het water wachtte op de aanvoer van het lijk en het programmeren van de telefoons van de daders. In het aangeven van de kaart en in het voeren van het telefoongesprek ziet het hof evenwel geen voldoende significante bijdrage voor strafbare medeplichtigheid. Het programmeren van de telefoons zou dit naar het oordeel van het hof in beginsel wel kunnen zijn. Echter, juist ten aanzien van die handeling is op grond van het dossier naar het oordeel van het hof niet boven redelijke twijfel komen vast te staan dat de verdachte deze handeling heeft verricht met het oog op de levensberoving of op het verbergen van het lichaam.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 42.456,62.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in hoger beroep gehandhaafde bedrag van EUR 6.537,40.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde partij], in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels,

mr. R.M. Bouritius en mr. C.J. van der Wilt, in bijzijn van de griffier mr. R. van den Bosch.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 juli 2011.