Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR1641

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
18-07-2011
Zaaknummer
200.087.374.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Termijn voor gesloten plaatsing is verstreken. De vader heeft geen belang bij het hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2011/140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 6 juli 2011

Zaaknummer : 200.087.374/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 11-391 & JE RK 11-400

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. T. Dreiling te Leiderdorp,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

kantoorhoudende te Leiden,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 17 mei 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 18 februari 2011 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

Bij die beschikking heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de minderjarige [naam minderjarige], geboren [in 1995] te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige) verlengd van 15 april 2011 tot 15 april 2012 en Jeugdzorg gemachtigd de minderjarige voorlopig gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zoals bedoeld in artikel 29c, eerste lid, van de Wet op de Jeugdzorg van 18 februari 2011 tot 15 juni 2011. Voor het overige is de behandeling van het verzoek aangehouden.

Op 16 juni 2011 is de ontvankelijkheid van het verzoek in hoger beroep mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

Jeugdzorg is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

1. De vader komt in hoger beroep van een beschikking waarbij machtiging is verleend om de minderjarige gesloten te plaatsen gedurende de periode van 18 februari 2011 tot 15 juni 2011. De periode waarop de machtiging ziet, is inmiddels verstreken.

2. De vader heeft geen grieven gericht tegen de ondertoezichtstelling van de minderjarige en geen gronden aangevoerd die tot beëindiging van de ondertoezichtstelling kunnen leiden. Ter zitting heeft de vader desgevraagd aangegeven dat zijn beroep zich niet tegen de ondertoezichtstelling richt, enkel tegen de machtiging gesloten plaatsing. De vader dient daarom in zijn verzoek tot beëindiging ondertoezichtstelling niet-ontvankelijk verklaard te worden.

3. De vader verzet zich tegen de niet-ontvankelijk verklaring van zijn beroep tegen de machtiging gesloten plaatsing en stelt dat hij nog immer belang heeft bij beoordeling van zijn beroep. Hij verzoekt het hof de rechtmatigheid van de gesloten plaatsing van de minderjarige te beoordelen, onder meer in verband met de mogelijkheid tot vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige vrijheidsbeneming. De vader wijst het hof ter onderbouwing van zijn stelling op een beschikking van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (verder: EHRM) van 7 juni 2011, met kenmerk 277/05.

4. Het hof overweegt als volgt. In artikel 5, vierde lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (verder: EVRM) is vastgelegd dat een ieder, die door arrestatie of detentie zijn vrijheid is ontnomen, het recht heeft een voorziening te vragen bij het gerecht opdat deze spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de detentie onrechtmatig is. Het EHRM heeft in bovenvermelde beschikking geoordeeld dat er sprake was van een schending van het in artikel 5, vierde lid, EHRM vastgelegde spoedigheidsvereiste, nu verzoeker zijn beroepschrift 3½ maand voor het verstrijken van de machtiging gesloten plaatsing bij de Hoge Raad had ingediend, en de Hoge Raad - zonder daarvoor een klemmende reden te verstrekken - niet binnen die periode van 3 ½ maand een beschikking heeft gewezen. Het EHRM stelt voorts dat het tijdsverloop van 63 dagen tussen indiening van het verzoekschrift bij het Gerechtshof en het wijzen van beschikking door het Gerechtshof geen schending van het spoedigheidsvereiste oplevert. Een dergelijke termijn is, in een zaak waarin meerdere partijen gehoord moeten worden en meerdere partijen in de gelegenheid gesteld dienen te worden in de procedure te verschijnen, redelijk, aldus nog steeds het EHRM. Voorts stelt het EHRM dat de Hoge Raad, met het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep in verband met het ontbreken van belang, heeft miskend dat een voormalige gedetineerde belang kan hebben bij de vaststelling van de rechtmatigheid van zijn detentie, ook na invrijheidstelling, bijvoorbeeld in verband met de mogelijkheid tot instellen van een actie tot schadeloosstelling op basis van artikel 5, vijfde lid, EVRM.

5. In onderhavige zaak heeft de vader niet eerder dan op 17 mei 2011 – derhalve op het laatste moment - beroep ingesteld tegen de beschikking van 18 februari 2011, waarbij de machtiging gesloten plaatsing is verlengd tot 15 juni 2011. In de onderhavige zaak is sprake van meerdere procespartijen - naast de vader ook de moeder van de minderjarige en Jeugdzorg - die voordat een inhoudelijke behandeling plaats zou kunnen vinden in de gelegenheid zouden moeten worden gesteld om verweer te voeren. Het hof heeft in dat licht bezien geoordeeld dat de resterende termijn van de machtiging gesloten plaatsing van minder dan een maand te kort was om alle partijen in de gelegenheid te stellen verweer te voeren, de zaak mondeling te behandelen en een beschikking te wijzen. Door te wachten met het instellen van hoger beroep tot de laatste dag van de beroepstermijn heeft de vader het slechts aan zichzelf te wijten dat de zaak niet inhoudelijk behandeld kon worden voor het verstrijken van de termijn van gesloten plaatsing.

6. In artikel 5, vijfde lid, EVRM is bepaald dat een ieder die het slachtoffer is geweest van een arrestatie of een detentie in strijd met de bepalingen van artikel 5 EVRM, recht heeft op schadeloosstelling. In onderhavige zaak heeft de vader beroep ingesteld tegen de gesloten plaatsing van de minderjarige. Ongeacht of de gesloten plaatsing van de minderjarige rechtmatig was of niet, kan de vader niet worden aangemerkt als slachtoffer van deze plaatsing. Hij kan derhalve geen actie tot schadevergoeding instellen en heeft derhalve op deze grond geen belang bij beoordeling van de rechtmatigheid van de bestreden beschikking, zo al mogelijk.

7. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Lückers, Labohm en Kamminga, bijgestaan door Hogendoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juli 2011.