Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR1212

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-06-2011
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
BK-10-00417
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BX9945, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wbm. Teruggaaf energiebelasting. De vrijstelling voor metallurgische procédés als bedoeld in artikel 36k, lid 3, Wbm en de vrijstelling voor grootverbruikers op grond van artikel 36q Wbm (bij verbruik boven 10.000.000 KWh) kunnen naast elkaar volledig worden toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-1712
V-N Vandaag 2011/1844
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-10/00417

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 21 juni 2011

in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] BV, gevestigd te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Rivierenland, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 mei 2010, nr. AWB 07/9519 REGEB, betreffende na te noemen beschikking.

Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft ten aanzien van belanghebbende voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 een beschikking teruggaaf energiebelasting als bedoeld in artikel 36l, dertiende lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: de Wbm) genomen.

1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 448.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 10 mei 2011, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de door de rechtbank onder 1.6 tot en met 1.9 in haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als “eiseres” en de Inspecteur als “verweerder” heeft aangeduid.

“1.6 Aan eiseres wordt elektriciteit geleverd, die gebruikt wordt voor chemische reductie en elektrolytische en metallurgische procédés.

1.7 Voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 heeft eiseres in totaal 26.494.174 kwh elektriciteit verbruikt, waarvan 3.778.200 kwh betrekking heeft op metallurgische procédés.

1.8 Eiseres heeft op 10 februari 2006 een verzoek tot teruggaaf van de energiebelasting als bedoeld in artikel 361, dertiende lid, van de Wbm ingediend, waarbij zij verzocht heeft om een teruggaaf van € 48.988.

1.9 Verweerder heeft aan eiseres bij beschikking een (gedeeltelijke) teruggaaf toegekend van € 16.495, die in bezwaar is gehandhaafd.”

3.2. Voorts is in hoger beroep op grond van de stukken van het geding als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

Het bij beschikking teruggegeven bedrag aan energiebelasting heeft de Inspecteur als volgt berekend:

totaal verbruik 26.494.174 kWh

metallurgisch procédé 3.778.200 kWh -/- o.g.v. art. 36k Wbm

22.715.974 kWh

vrijgesteld 12.715.974 kWh -/- o.g.v. art. 36q Wbm

belast 10.000.000 kWh

verschuldigde energiebelasting € 87.321

af: heffingskorting € 194

per saldo € 87.127

betaald € 103.662 -/-

teruggaaf € 16.495

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende recht heeft op een teruggaaf van € 73.805, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

4.2.1. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van haar standpunt – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

De vrijstelling voor metallurgische procédés als bedoeld in artikel 36k, lid 3, van de Wbm en de vrijstelling voor grootverbruikers op grond van artikel 36q van de Wbm (bij verbruik boven 10.000.000 KWh) kunnen naast elkaar volledig worden toegepast. Tussen deze vrijstellingen bestaat geen rangorde. De vrijstelling van artikel 36q Wbm moet van toepassing kunnen zijn voor het volledige verbruik boven 10 miljoen KWh. Voor het verbruik onder 10 miljoen KWh is de vrijstelling van artikel 36k, lid 3, Wbm van toepassing. De opvatting van de rechtbank leidt ertoe dat één van de vrijstellingen niet volledig benut wordt. Uit de tekst en de systematiek van de Wbm kan niet worden afgeleid dat slechts één van de twee vrijstellingen moet worden toegepast.

4.2.2. Belanghebbende berekent de over het onderhavige tijdvak verschuldigde energiebelasting als volgt:

totaal verbruik 26.494.174 kWh

vrijgesteld grootverbruik 16.494.174 kWh o.g.v. art. 36q Wbm

10.000.000 kWh

metallurgisch procédé 6.659.286 kWh o.g.v. art. 36k Wbm

belast 3.340.714 kWh

verschuldigde energiebelasting € 30.051

af: heffingskorting € 194

per saldo € 29.857

betaald € 103.662 -/-

teruggaaf € 73.805

4.3. De Inspecteur houdt in hoger beroep de juistheid van de teruggaafbeschikking staande. Hij voert daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aan.

Voor de toepassing van de vrijstelling dient te worden gekeken naar de grondslag (het verbruik) waarop de vrijstelling van toepassing kan zijn. De vrijstelling van art. 36k, derde lid, Wbm zal dus hoogstens het verbruik vrij kunnen stellen dat kwalificeert voor die vrijstelling. De vrijstelling zelf is slechts van toepassing op een specifiek procédé. Voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 36q Wbm is het totale energieverbruik van belang. Het is een in algemene bewoordingen gestelde vrijstelling. De rangorde volgt uit de systematiek van de wet en de specifieke soort vrijstelling. Met ingang van 1 januari 2008 is de tekst van artikel 36q van de Wbm gewijzigd. Deze wijziging is slechts redactioneel van aard. Met de oude regeling is hetzelfde beoogd.

4.4. Voor een verdere uiteenzetting van de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar en tot het verlenen van een teruggaaf van energiebelasting voor het jaar 2005 van € 73.805.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende - voor zover van belang - verworpen op de volgende gronden:

“2.2 Artikel 36q van de Wbm (tekst 2005) luidde: "Bij of krachtens op voordracht van Onze Minister, mede namens Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt voorzien in een regeling op grond waarvan, onder daarbij te stellen voorwaarden, vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de levering van zakelijk verbruikte elektriciteit bij een verbruik boven de 10 000 000 kWh per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting, voor het gedeelte van de geleverde hoeveelheid per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting dat hoger is dan 10000000 kWh, indien de verbruiker in het kader van met Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer of Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gemaakte afspraken verplichtingen op zich heeft genomen ter verbetering van de energie-efficiëntie."

(…)

2.4. Eiseres stelt dat van beide van toepassing zijnde vrijstellingen eerst die van artikel 36q van de Wbm dient te worden toepast. Voor deze stelling vindt eiseres steun in de Memorie van Toelichting (hierna: MvT) op artikel 36q Wbm, waarin het volgende is opgemerkt: "Als een van de in artikel 36k opgenomen vrijstellingen van toepassing is, kan samenloop ontstaan met artikel 36q van de wet. In dergelijke situaties kan de belanghebbende voor het verbruik boven 10 mln kWh zelf kiezen op welke vrijstelling hij een beroep wil doen. Voor verbruik onder 10 mln kWh is dan één van de vrijstellingen van artikel 36k van de wet van toepassing.". Eiseres leidt hieruit af dat er geen rangorde is tussen de twee vrijstellingen. Het onderscheid tussen algemeen/specifiek noch het onderscheid tussen vrijstellingen met en vrijstelling zonder voorwaarden, rechtvaardigt de gevolgtrekking dat sprake is van een door de wetgever beoogde rangorde. De keuzemogelijkheid impliceert dat beide vrijstellingen naast en onafhankelijk van elkaar van toepassing zijn. De nieuwe wettekst per 1 januari 2008 is een inhoudelijke wijziging, waaraan geen terugwerkende kracht is gegeven.

2.5.De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de berekening van de teruggaaf terecht eerst de vrijstelling van artikel 36k, derde lid, van de Wbm heeft toegepast en daarna de vrijstelling van artikel 36q van de Wbm. Bij dit oordeel overweegt de rechtbank het volgende. Uit de opbouw van de tekst van de Wbm blijkt zonder meer dat de wetgever in afdeling 5 van de Wbm de algemeen geldende belastingverminderingen en vrijstellingen heeft geregeld en met afdeling 10 een bijzondere vrijstellingsmogelijkheid heeft geopend, die, na toepassing van afdeling 5 van de Wbm, onder bepaalde voorwaarden toepassing vindt. Noch uit de tekst van artikel 36q van de Wbm, noch uit de MvT, volgt dat voor de toepassing van de verschillende vrijstellingen een andere volgorde zou moeten worden gehanteerd.

2.6. Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat uit hetgeen onder 2.4 is geciteerd uit de MvT volgt dat beide vrijstellingen naast elkaar van toepassing kunnen zijn. Echter daaruit kan niet worden afgeleid dat, in afwijking van de onder 2.5 geschetste wetssystematiek eerst de vrijstelling van artikel 36q zou moeten worden toegepast en pas daarna die van artikel 36k. De MvT geeft aan dat, indien er verbruik is boven 10 mln kWh, voor het verbruik onder 10 mln kWh altijd de vrijstelling van artikel 36k van toepassing is. Dat volgt naar het oordeel uit het woordje "dan" in de tweede zin van het citaat.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. De door de Inspecteur bepleite toepassing bij samenloop van de vrijstellingen als bedoeld in de artikelen 36k en artikel 36q van de Wbm komt in het onderhavige geval erop neer dat het vrijgestelde gedeelte van het energieverbruik even groot is als in het geval alleen de vrijstelling als bedoeld in artikel 36q van de Wbm wordt toegepast. In beide gevallen wordt 10.000.000 KWh belast. Dit betekent dat in casu de vrijstelling als bedoeld in artikel 36k van de Wbm voor metallurgische procédés in het geheel niet kan worden geëffectueerd.

7.2. Noch uit de tekst van de Wbm noch uit de toelichting daarop valt op te maken dat, toen de wetgever in de onderhavige regelgeving zowel een vrijstelling voor een specifiek procédé als een kwantitatieve vrijstelling opnam, het zijn bedoeling was dat in een situatie als de onderhavige de belastingplichtige een van die vrijstelling niet of niet volledig kan effectueren, Uit de systematiek van de Wbm kan geen rangorde bij de toepassing van de vrijstellingen in een geval van samenloop worden afgeleid. De in de memorie van toelichting (MvT, Kamerstukken II, vergaderjaar 2003/04, 29 207, nr. 3, blz. 21), gegeven uitleg sluit de door belanghebbende bepleite toepassing voor een geval als het onderhavige ook niet uit.

7.3. De omstandigheid dat vanaf het jaar 2008 beide vrijstellingen niet meer naast elkaar van toepassing zijn doet aan het hiervoor in 7.2 overwogene niet af nu vanaf dat jaar de regelgeving gewijzigd is. De vrijstelling voor grootverbruikers is vanaf dat jaar opgenomen in artikel 36ka van de Wbm. De geschiedenis van de totstandkoming van dat artikel biedt, anders dan de Inspecteur stelt, geen aanknopingspunten voor de juistheid van zijn stelling dat ten opzichte van de voordien geldende tekst geen inhoudelijke wijzigingen zijn beoogd. In de memorie van toelichting is uitdrukkelijk vermeld dat de bepaling is “aangepast” en dat de vrijstelling alleen wordt verleend voor dat gedeelte van het zakelijk verbruik dat, na aftrek van het reeds op grond van artikel 36k van de Wbm vrijgestelde verbruik, meer is dan 10.000.000 KWh per verbruiksperiode van twaalf maanden. Verder wordt vermeld dat “daarnaast” de bepaling redactioneel is verbeterd (MvT, Kamerstukken II 2006/07, nr. 30 887, nr. 3, blz. 22-23).

7.4. Naast het onder 3.2 vermelde verbruik van 3.778.200 KWh is in het onderwerpelijke tijdvak in een andere oven 2.881.086 KWh elektriciteit verbruikt ten behoeve van de vervaardiging van aluminium voor Luxaflex jaloezieën. Dit verbruik kwalificeert voor de toepassing van de Wbm eveneens als metallurgisch procédé. Het totale elektriciteitsverbruik in het tijdvak dat kwalificeert bedraagt daardoor 6.659.286 KWh.

7.5. Aangezien de Inspecteur het Hof niet heeft overtuigd van de juistheid van zijn beperkende uitleg van de onderhavige regelgeving, is te dezen het gelijk aan belanghebbende en zal het Hof beslissen als hierna volgt.

Proceskosten en griffierecht

8.1. Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van vermeld artikel in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 2.277 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de rechtbank en voor het Hof (2 punten á € 322 voor de rechtbank en 2 punten á € 437 x factor 1,5 (gewicht van de zaak)).

8.2. Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in beroep en in hoger beroep gestorte griffierecht van respectievelijk € 285 en € 448 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank.

- vernietigt de uitspraak op bezwaar,

- wijzigt de beschikking aldus dat het terug te geven bedrag aan energiebelasting 2005 wordt vastgesteld op € 73.805,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op € 2.277,

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 733 griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. H.A.J. Kroon, P.J.J. Vonk en B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 21 juni 2011 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.