Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR1081

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-07-2011
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
22-003055-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2010:BM5298, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BY8996, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BY8996
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft gepoogd om zijn ex-echtgenoot met een vuurwapenschot om het leven te brengen. Dat dit niet is gelukt, is een grote toevalligheid, omdat de kogel is afgeketst op de horlogeband van het slachtoffer dat zichzelf met haar armen trachtte te beschermen. Resten van de kogel zitten tot op de dag van vandaag nog in haar lichaam.

Daarnaast heeft de verdachte niet alleen zijn vrouw maar ook zijn eigen dochter met de dood bedreigd, nadat zij de verdachte te kennen had gegeven dat zij zou gaan trouwen met een hem onwelgevallige persoon.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een geweldsdelict tegen zijn ex-echtgenote.

8 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003055-10

Parketnummer: 09-650053-09

Datum uitspraak: 11 juli 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 mei 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963

[adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 6 januari 2011, 20 juni 2011 en 27 juni 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van de eerste onder 3 impliciet cumulatief tenlastegelegde bedreiging vrijgesproken en terzake van het onder 1 primair impliciet primair, 2 en 3 voor het overige tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij beslist als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg van feit 3 gegeven partiële vrijspraak.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten laste gelegd dat:

1. primair.

hij te Voorhout, althans in Nederland, op of omstreeks 23 juni 2009, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, opzettelijk en al dan niet na rustig overleg en kalm beraad met een (nog onbekend) vuurwapen (van dichtbij) een (aantal) kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair.

hij op of omstreeks 23 juni 2009 te Voorhout, althans in Nederland, aan een persoon (te weten [slachtoffer 1]), opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (te weten een of meer schotwond(en) aan arm(en) en/of op/in de borst), heeft toegebracht, door opzettelijk, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, op of in de richting van deze [slachtoffer 1] met een vuurwapen (van dichtbij) een (aantal) kogel(s) af te vuren;

1. meer subsidiair.

hij op of omstreeks 23 juni 2009 te Voorhout, althans in Nederland, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om aan een persoon (te weten [slachtoffer 1]), opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen (van dichtbij) een (aantal) kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van deze [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij te Voorhout en/of Leiden, althans in Nederland, op of omstreeks 23 juni 2009, een (vuur)wapen van categorie III (of categorie II) en/of munitie van categorie III (of categorie II), te weten een of meer patronen (9mm), voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 23 juni 2009 te Voorhout en/of Leiden, althans in Nederland, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Zal ik je moeder eerst doden of jou?" en/of "Je mag het zeggen: jij of je moeder", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Schending van het recht op een eerlijk proces

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat door het vanwege het ontbreken van bepaald onderzoek niet volledig kunnen toetsen van al het belastend materiaal, het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ernstig en onherstelbaar is geschonden.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

Het hof stelt vast dat op de punten waarop door de raadsvrouw is aangegeven dat onderzoek ontbreekt dan wel ontoereikend is geweest (zie pagina 8 van de pleitnota), door het hof in eerder stadium van de procedure is geoordeeld dat dit onderzoek, mede in het licht van de door de raadsvrouw daartoe geformuleerde onderbouwing, niet noodzakelijk was (het betreft: onderzoek naar de kleding van [slachtoffer 1] en haar dochter, sporenonderzoek met betrekking tot het gevonden wapen, telefoon- en zendmastonderzoek, onderzoek naar het briefje waarop het kenteken is genoteerd door een getuige) dan wel dat dit onderzoek alsnog heeft plaatsgevonden (schotrestenonderzoek t-shirt verdachte), voor het ontbreken daarvan een goede reden bestaat (onderzoek schiethanden verdachte) of ter terechtzitting alsnog aan de orde is gesteld (de betekenis van het door de getuige genoteerde kenteken). Aangezien voorts een nadere onderbouwing van de stelling dat het recht op een eerlijk proces ernstig en onherstelbaar is geschonden, ontbreekt, verwerpt het hof dit verweer dan ook.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair.

hij te Voorhout op 23 juni 2009, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, opzettelijk en na rustig overleg en kalm beraad met een vuurwapen van dichtbij een kogel heeft afgevuurd op die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij te Voorhout, op 23 juni 2009, een vuurwapen van categorie III en munitie van categorie III te weten een patroon 9mm, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 23 juni 2009 te Voorhout, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Zal ik je moeder eerst doden of jou?" of Je mag het zeggen: jij of je moeder", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging ter zake van het onder 1 tenlastegelegde

De verdachte heeft ontkend dat hij [slachtoffer 1] op 23 juni 2009 heeft beschoten met een vuurwapen. Verdachte stelt dat hij op de bewuste avond niet in Voorhout is geweest, maar dat hij ten tijde van het schietincident op zoek was naar zijn jongste zoon, die hij bij thuiskomst in Leiden, in weerwil van de afspraak die hij had om hem daar te ontmoeten, niet aantrof.

Het hof overweegt ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde en het daartegen door de verdachte gevoerde verweer als volgt.

Op 23 juni 2009 krijgt de meldkamer van de politie Hollands Midden vanaf 22:03 uur meerdere meldingen binnen, inhoudende dat er in Voorhout op [adres] een man zijn ex-vrouw heeft neergeschoten. Het slachtoffer zou naar de buren zijn gegaan. Door opsporingsambtenaren wordt op [adres] het slachtoffer, [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) aangetroffen. Zij heeft meerdere verwondingen aan haar armen en borst.

[slachtoffer 1] heeft de verdachte, zijnde haar ex-man, aangewezen als degene die de verwondingen heeft veroorzaakt door op haar te schieten met een vuurwapen. Zij verklaart dat zij de deur opendeed en dat zij toen zag dat haar ex-man direct een vuurwapen tevoorschijn haalde en op haar schoot. Zij verklaart dat zij dacht dat hij op haar hoofd schoot. Zij heeft haar armen voor haar gezicht gedaan en is na het schietincident, dat zij had overleefd, direct naar de buren gegaan.

De herkenning door [slachtoffer 1] van haar ex-man als de schutter vindt steun in de volgende bewijsmiddelen:

1. [slachtoffer 2], zijnde de dochter van de verdachte en [slachtoffer 1], verklaart dat zij eerder die avond op 23 juni 2009 telefonisch contact heeft gehad met de verdachte, waarbij zij aan de verdachte mededeelde dat zij voornemens was om te gaan trouwen met haar vriend. De verdachte heeft bevestigd dat een dergelijk telefonisch onderhoud heeft plaatsgevonden. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de verdachte geschokt op dit bericht reageerde en dat hij na ongeveer 10 minuten terug belde en toen tegen haar zei: "Wie wil er eerst dood, jij of je moeder?", waaraan hij toevoegde dat hij eraan zou komen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij de stem van de verdachte ongeveer een half uur na het laatste telefoongesprek hoorde door de intercom, die behoorde bij de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Zij is vervolgens door haar moeder de badkamer ingestuurd. Zij verklaart dat zij vanuit de badkamer de voordeur hoorde opengaan en dat zij de stem van de verdachte hoorde, direct gevolgd door een harde knal. Vervolgens heeft zij gebeld met de meldkamer van de politie, in welk gesprek zij zegt dat haar vader de schutter is.

2. [getuige A] heeft verklaard dat zij op 23 juni 2009 's avonds in haar woning aan [adres] te Voorhout verbleef en op enig moment hoorde dat [slachtoffer 1] met veel kabaal en gegil bij haar woning aankwam. Zij zat onder het bloed en werd door de getuige binnengelaten. Eenmaal binnen zei [slachtoffer 1] tegen de getuige: "Mijn ex heeft geschoten". Bevestiging daarvoor treft het hof aan in de verklaringen van gelijke strekking van de [getuigen B] en [getuige C].

3. [getuige D] heeft verklaard dat zij op 23 juni 2009 omstreeks 22:00 uur een scherpe, harde knal hoorde. Toen zij naar buiten keek, zag zij een man vanuit de hoofdingang van de flat van [adres] te Voorhout hard naar een auto lopen, waarna hij met die auto hard wegreed. Toen zij daarop naar buiten liep, hoorde zij een vrouw hard gillen vanuit de flat. De auto betrof volgens deze getuige een grote Suzuki, kleur grijs, met kenteken [-] , waarvan zij de laatste twee letters niet zeker wist. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in het bezit is van een zilverkleurige Suzuki Grand Vitara en dat hij op de avond van het tenlastegelegde als enige in die auto reed. Nabij de woning van de verdachte werd op 23 juni 2009 omstreeks 22.30 uur door opsporingsambtenaren een zilvergrijze Suzuki Jeep aangetroffen, met kenteken [-] en warme motorkap. Het door de getuige genoemde kenteken, dat op één letter na met het kenteken van verdachtes auto overeenstemt, hoort (blijkens de website van de Rijksdienst voor het Wegverkeer) bij een Chevrolet Matiz, een auto van geheel ander formaat dan verdachtes auto. De getuige heeft zich dus kennelijk in de twee (sterk gelijkende) letters [-] en [-] vergist. De getuige beschreef de man onder meer als een Zuid-Europees type van ongeveer 1.70 meter lang, met een smal gezicht, een donkere snor en net gekapt haar. Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep waargenomen dat de verdachte aan deze kenmerken voldoet.

De stelling van de verdachte dat hij ten tijde van het schietincident niet in Voorhout was, maar dat hij na thuiskomst in Leiden op zoek is gegaan naar zijn zoon acht het hof geenszins aannemelijk geworden, mede gelet op de verklaringen van de [getuige E], de vriendin van verdachte. Uit die verklaringen kan namelijk worden afgeleid dat de verdachte bij thuiskomst een deur trof die van buiten niet kon worden geopend en dat [zoon verdachte] die deur voor hem van binnenuit heeft opengedaan. Daaruit leidt het hof af dat [zoon verdachte] wel degelijk thuis was, wat zich niet laat rijmen met de verklaring die verdachte heeft gegeven voor de omstandigheid dat hij zich kort na de beschieting van [slachtoffer 1] in de relatieve nabijheid van de woning van [slachtoffer 1] heeft bevonden.

Gelet op het bovenstaande heeft het hof de overtuiging bekomen dat het de verdachte is geweest die getracht heeft [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven. De verdachte heeft [slachtoffer 1] willens en wetens van het leven willen beroven door van een korte afstand met een vuurwapen gericht op haar hoofd te schieten. Uit het feit dat de verdachte zeker een half uur voor het schietincident reeds aan zijn dochter [slachtoffer 2] vroeg of zij of haar moeder als eerste dood wilde en heeft geschoten direct nadat [slachtoffer 1] de deur opende, leidt het hof onder de overige hiervoor uiteengezette omstandigheden af dat de verdachte met voorbedachte raad en na kalm beraad en rustig overleg heeft gehandeld.

Voorwaardelijke verzoeken

Voorts heeft de raadsvrouw een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het nader horen van getuigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] alsmede dat alle eerdere verzoeken van de verdediging dienen te worden uitgevoerd, waaronder tevens een schouw in de woning van de [slachtoffer 1], indien het hof tot een bewezenverklaring van het aan de verdachte tenlastegelegde zou komen.

Het hof stelt vast dat deze verzoeken op generlei wijze zijn onderbouwd en reeds om deze reden worden afgewezen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

Poging tot moord.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair impliciet primair, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft gepoogd om zijn ex-echtgenoot met een vuurwapenschot om het leven te brengen. Dat dit niet is gelukt, is een grote toevalligheid, omdat de kogel is afgeketst op de horlogeband van het slachtoffer dat zichzelf met haar armen trachtte te beschermen. Resten van de kogel zitten tot op de dag van vandaag nog in haar lichaam. De verdachte heeft daarmee een uiterst grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Feiten als de onderhavige dragen bovendien een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en brengen bij burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Het feit toont bovendien aan tot welke ernstige gevolgen illegaal wapenbezit kan leiden. Daarnaast heeft de verdachte niet alleen zijn vrouw maar ook zijn eigen dochter met de dood bedreigd, op de wijze zoals is bewezenverklaard, nadat zij de verdachte te kennen had gegeven dat zij zou gaan trouwen met een hem onwelgevallige persoon. Met deze handelwijze heeft de verdachte [slachtoffer 2] grote angst aangejaagd, hetgeen ook blijkt uit het woordelijk verslag dat is gedaan van de 112-melding van [slachtoffer 2].

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 juni 2011, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een geweldsdelict tegen zijn ex-echtgenote. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof onderkent dat een zeer langdurige vrijheidsstraf ernstige consequenties voor verdachte zal hebben, maar is van oordeel dat het herstel van de in het bijzonder door het eerste feit geschokte rechtsorde een dergelijke straf onontkoombaar maakt.

Het hof is -alles overwegende en mede in aanmerking genomen de uitgangspunten voor de straftoemeting die het hof hanteert- van oordeel dat in dit geval een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]

In het onderhavige strafproces heeft mr. C. Arslaner zich namens [slachtoffer 1] als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 40.000,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot een bedrag van EUR 3.000,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot de hoogte van EUR 3.000,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van

EUR 3.000,--.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van EUR 3.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 57, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [slachtoffer 1] terzake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 3.000,- (drieduizend euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van EUR 3.000,- (drieduizend euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler, mr. R.M. Bouritius en mr. C.J. van der Wilt, in bijzijn van de griffier mr. R.T. Poort.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 juli 2011.