Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0768

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-03-2011
Datum publicatie
08-07-2011
Zaaknummer
22-003329-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich in de woning van zijn moeder schuldig gemaakt aan vernieling en beschadiging van goederen die niet aan hem toebehoorden. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid door zich bij zijn aanhouding te verzetten, waardoor een daarbij betrokken politie-ambtenaar letsel heeft opgelopen. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, waarvan 19 voorwaardelijk en en veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003329-10

Parketnummers: 09-925153-10 en 09-930205-08 (TUL)

Datum uitspraak: 24 maart 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 2 juni 2010 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 10 maart 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenis-straf voor de duur van 30 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 11 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de stichting Reclassering Nederland, ressort Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht.

Voorts is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Tenslotte is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en omtrent de vordering tenuitvoerlegging, een en ander als nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 maart t/m 08 maart 2010, althans op 08 maart 2010 te 's-Gravenhage (adres [adres A]) opzettelijk en wederrechtelijk een kapstok en/of een ruit(je) en/of een wandcontactdoos en/of een (slaapkamer)deur, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] en/of [aangever 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk

- een kapstok van de wand te trekken en/of

- (met zijn vuist/hand) een ruitje in/kapot te slaan en/of

- tegen een wandcontactdoos te slaan en/of

- met een voorwerp tegen een (slaapkamer)deur te gooien;

2.

hij op of omstreeks 08 maart 2010 te 's-Gravenhage toen de aldaar dienstdoende hoofdagent [aangever 3] verdachte - buiten heterdaad - op verdenking van het overtreden van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, had aangehouden en vastgegrepen, althans vast had teneinde hem onverwijld voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten politiebureau Overbosch, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig

- zich met kracht los te trekken/rukken uit een door die [aangever 3] aangelegde polsgreep en/of

- zich met kracht los te trekken nadat die [aangever 3] hem stevig had vastgepakt en/of

- met kracht tegen het hoofd van die [aangever 3] te slaan/stompen, tengevolge waarvan deze opsporingsambtenaar enig lichamelijk letsel (te weten twee gekneusde vingerkootjes) bekwam.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 01 maart t/m 08 maart 2010, te 's-Gravenhage (adres [adres A]) opzettelijk en wederrechtelijk een kapstok en een ruitje en een wandcontactdoos en een slaapkamerdeur, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] of [aangever 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en beschadigd door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk

- een kapstok van de wand te trekken en

- met zijn vuist/hand) een ruitje in/kapot te slaan en

- tegen een wandcontactdoos te slaan en

- met een voorwerp tegen een (slaapkamer)deur te gooien;

2.

hij op 08 maart 2010 te 's-Gravenhage toen de aldaar dienstdoende hoofdagent [aangever 3] verdachte - buiten heterdaad - op verdenking van het overtreden van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, had aangehouden en vastgegrepen, althans vast had teneinde hem onverwijld voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten politiebureau Overbosch, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig

- zich met kracht los te trekken nadat die [aangever 3] hem had vastgepakt, tengevolge waarvan deze opsporingsambtenaar enig lichamelijk letsel bekwam.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen.

Feit 2:

Wederspannigheid, terwijl de met het misdrijf gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 11 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarde zoals in eerste aanleg is opgelegd, alsmede tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in de woning van zijn moeder schuldig gemaakt aan vernieling en beschadiging van goederen die niet aan hem toebehoorden. Als gevolg hiervan is door de verdachte financiële schade en overlast bij de betrokkenen veroorzaakt alsmede gevoelens van onveiligheid bij zijn moeder.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid door zich bij zijn aanhouding te verzetten, waardoor een daarbij betrokken politie-ambtenaar letsel heeft opgelopen. Door aldus te handelen heeft verdachte niet alleen blijk gegeven van een minachting voor het bevoegd gezag, maar ook van minachting voor de lichamelijke integriteit van een individuele gezagsdrager.

Blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 februari 2011 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is alles afwegend van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke vrijheidbenemende straf van na te melden duur passend en geboden is.

Gelet op het voorgaande en teneinde in de toekomst herhaling bij verdachte te voorkomen, acht het hof het noodzakelijk aan het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden te koppelen, zoals in eerste aanleg is opgelegd. De verdachte heeft zich hiertoe ter zitting in hoger beroep bereid verklaard.

Voorts is het hof is van oordeel, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, dat daarnaast een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur passend en geboden is.

Vordering tot schadevergoeding van [aangever 3]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 360,--.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ter terechtzitting in hoger beroep hebben de verdachte en diens raadsvrouw de hoogte van de vordering van de benadeelde partij betwist.

Naar het oordeel van het hof is evenwel aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 250,--, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden immateriële schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 250,-- aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever 3], te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de kinderrechter te 's-Gravenhage van 24 april 2008 onder parketnummer 09-930205-08 is de verdachte onder meer veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, met bevel dat die werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten, met dien verstande dat de vervangende jeugddetentie voor de duur van 10 dagen wordt vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 57, 181 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen.

Bepaalt dat een op 19 (negentien) dagen bepaald gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich in de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de stichting Reclassering Nederland, ressort Den Haag, zolang deze instelling dit nodig oordeelt.

Verstrekt aan deze instelling opdracht om aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, te vervangen door hechtenis voor de tijd van 30 (dertig) dagen voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 3] tot een bedrag van EUR 250,00 (tweehonderdvijftig euro) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening,

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Bepaalt dat de benadeelde partij de vordering inzoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak vooralsnog zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde voorts de verplichting op om ten behoeve van [aangever 3] aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 250,00 (tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 (vijf) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis deze betalingsverplichting niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging toe, in die zin dat in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voorzover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter te 's-Gravenhage van 24 april 2008 onder parketnummer 09-930205-08, te weten, de tenuitvoerlegging wordt gelast van een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, te vervangen door hechtenis voor de tijd van 10 (tien) dagen voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

Heft op de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. Chr. A. Baardman, mr. M.J.J. van den Honert en mr. N. Zandbergen, in bijzijn van de griffier R. Luijken.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 maart 2011.

Mr. N. Zandbergen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.