Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0753

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-07-2011
Datum publicatie
08-07-2011
Zaaknummer
22-005340-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2010:BO1616, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor duur van 10 jaar wegens doodslag van een Somalische asielzoeker in een woning te Gouda. Het hof acht bewezen dat de verdachte, die als gast verbleef in de woning van het slachtoffer, op 27 maart 2010 het slachtoffer om het leven heeft gebracht met dertig messteken.

De verdachte heeft aangevoerd dat hij uit zelfverdediging heeft gehandeld, omdat het slachtoffer hem zou hebben aangevallen met een fles en een mes. Het hof acht dit niet geloofwaardig. De verdachte heeft zich pas in een laat stadium van het onderzoek voor het eerst beroepen op zelfverdediging. Bovendien heeft hij op essentiële punten hierover wisselende verklaringen afgelegd. Verder wordt de lezing van de verdachte over de vermeende aanval niet door de resultaten van het technisch onderzoek bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005340-10

Parketnummer: 09-650020-10

Datum uitspraak: 8 juli 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 oktober 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 1982,

thans gedetineerd in het PPC te Vught.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 24 juni 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 tenlastegelegde - bewezen verklaard en gekwalificeerd als doodslag - veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken van het onder 2 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover thans nog van belang - tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 maart 2010 te Gouda opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een persoon [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in het bovenlichaam en/of hoofd/gelaat en/of hals, althans het lichaam van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 maart 2010 te Gouda opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen met een mes in het bovenlichaam en het hoofd/gelaat en de hals van [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft - op gronden als nader omschreven in de door hem in hoger beroep overgelegde pleitnota - aangevoerd dat de verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Het hof overweegt dienaangaande het navolgende.

De verdachte is in de periode, gelegen tussen 27 maart 2010 en 15 september 2010, meermalen door de politie en eenmaal door de rechter-commissaris gehoord. Telkens indien hem daarnaar werd gevraagd, heeft hij in die periode te kennen gegeven zich (nagenoeg) niets te kunnen herinneren omtrent het gebeuren waarbij [slachtoffer] de dood heeft gevonden. Hij zou - zo vallen zijn verklaringen tot 15 september 2010, in onderling verband en samenhang bezien, kort samen te vatten - alcohol en, hoewel hij daarover niet consequent heeft verklaard, marihuana hebben gebruikt, hij zou nog weten dat er een ruzie tussen hem en [slachtoffer] heeft plaatsgevonden, maar niet meer weten hoe die ruzie is ontstaan, noch hoe [slachtoffer] is overleden en hij zou zich ook geen details omtrent bedoelde ruzie kunnen herinneren.

Eerst op 15 september 2010 heeft de verdachte tegenover de politie - zoals 14 dagen later ook ter terechtzitting in eerste aanleg - verklaard dat [slachtoffer] op een gegeven moment boos is geworden en een fles naar hem heeft gegooid dan wel hem met die fles heeft willen slaan. De verdachte zou de fles met zijn hand hebben afgeweerd, waarna de fles op de grond kapot zou zijn gevallen. Van hetgeen er vervolgens is gebeurd zegt hij bij gelegenheid van die verhoren zich nog immer niets te kunnen herinneren. "Het enige wat ik weet is dat ik door hem werd aangevallen en dat ik mij verdedigd heb", aldus de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 29 september 2010, tijdens welke terechtzitting hij wederom heeft aangegeven alcohol te hebben gedronken en ook cannabis te hebben gerookt. "Ik was erg dronken", aldus de verdachte.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte onmiddellijk nadat de advocaat-generaal de zaak had voorgedragen te kennen gegeven dat hij zich inmiddels wel herinnert wat er in de nacht van 26 op 27 maart 2010 nog meer is gebeurd. Hij heeft toen verklaard dat hij samen met [slachtoffer] in de woonkamer van diens woning aan de [adres A] te Gouda alcohol heeft gedronken en "grapjes" heeft zitten maken, maar dat [slachtoffer] op enig moment boos is geworden. Gevraagd naar de reden voor dan wel de aanleiding tot die boosheid, is de verdachte het antwoord schuldig gebleven: hij heeft gezegd het zich niet te kunnen herinneren. De verdachte heeft in hoger beroep voorts verklaard dat [slachtoffer] hem vervolgens heeft aangevallen door hem met een fles op zijn hoofd te slaan dan wel door deze fles naar zijn hoofd te gooien. Toen de verdachte de vraag werd voorgelegd of de fles daarbij kapot is gegaan - de rechtbank had hem geconfronteerd met het feit dat er geen scherven van een fles in de woning waren aangetroffen -, is hij ook daarop het antwoord schuldig gebleven: hij heeft gezegd het niet te weten. [slachtoffer] had, aldus de verklaring van de verdachte in hoger beroep, ook nog een mes en wilde hem daarmee tot driemaal toe steken. Tweemaal heeft de verdachte het mes met zijn hand weten af te weren, de derde maal "bereikte" het mes zijn keel. Daardoor zijn de verwondingen op zijn hand en elleboog en de wondjes in zijn nek - voor welk letsel hij tot 15 september 2010 geen verklaring kon geven en zowel op die datum als op 29 september 2010 nog slechts tot op zekere hoogte een verklaring had gegeven - ontstaan. Volgens de door de verdachte in hoger beroep afgelegde verklaring zag hij, nadat [slachtoffer] voor de derde maal had toegestoken, op een tafel in de woonkamer - waar beiden zich nog steeds bevonden - een mes liggen, is hij naar die tafel "gerend", heeft hij dat mes gepakt en vervolgens zichzelf daarmee verdedigd. "Toen ik het mes pakte, stond hij kort achter mij, op circa anderhalve meter. Hij wilde me weer steken, maar ik was eerder. Toen ik het mes in mijn hand had, draaide ik me om en stak ik hem meteen", aldus de verdachte, die voorts heeft verklaard niet te weten hoe vaak hij [slachtoffer] heeft gestoken. De verdachte heeft - daarnaar gevraagd - (nogmaals) aangegeven dat [slachtoffer] achter hem stond en dat hij derhalve met zijn rug naar [slachtoffer] toe stond toen hij het mes pakte en voordat hij zich, met het mes inmiddels in zijn hand, omdraaide om [slachtoffer] te steken. Gevraagd hoe de verdachte dan heeft kunnen zien dat [slachtoffer] hem - volgens zijn verklaring: voor de vierde maal - wilde steken, heeft de verdachte het weinig verhelderende antwoord gegeven: "Ik heb dat gezien omdat ik zijn mes met mijn hand tegen moest houden." Gevraagd of hij [slachtoffer] met het in de woning aangetroffen koksmes en/of het in de woning aangetroffen gebroken mes - van welke messen hem foto's zijn getoond - en/of met een ander mes heeft gestoken, heeft de verdachte verklaard dat hij dat niet weet. Wat hij wel weet is dat zowel hij als [slachtoffer] ieder maar één mes in handen heeft gehad.

Naar het oordeel van het hof zijn de verklaringen van de verdachte, inhoudende dat hij uit zelfverdediging heeft gehandeld, niet geloofwaardig. Niet alleen is hij eerst in een laat stadium gaan verklaren dat [slachtoffer] zich aan een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens hem schuldig heeft gemaakt, maar de enkele verklaringen die hij ter zake heeft afgelegd zijn ook niet consistent. Het meest wezenlijke verschil in de verklaringen, afgelegd op 15 september 2010 en kort nadien ter terechtzitting in eerste aanleg enerzijds en afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep anderzijds, betreft de aard van de beweerdelijke aanranding: op 15 september 2010 en ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte immers verklaard dat die aanranding hieruit heeft bestaan dat [slachtoffer] een fles naar hem heeft gegooid dan wel hem met die fles heeft willen slaan, terwijl de aanranding van de zijde van [slachtoffer] volgens de verklaring van de verdachte in hoger beroep hierin was gelegen dat deze hem niet alleen met een fles op zijn hoofd heeft geslagen dan wel een fles naar zijn hoofd heeft gegooid, maar hem ook meermalen met een mes heeft willen steken. Waar de aanvankelijke verklaring van de verdachte - inhoudende dat de fles, waarmee hij door [slachtoffer] werd aangevallen, kapot was gegaan - bovendien al geen steun vond in het voorhanden onderzoeksmateriaal, aangezien, zoals ook door de rechtbank in haar vonnis is overwogen, in de woonkamer, waar deze aanval volgens de verdachte zou hebben plaatsgevonden, geen scherven van een fles zijn aangetroffen, wordt de in hoger beroep afgelegde verklaring door datzelfde onderzoeksmateriaal ondergraven, met name voor zover deze inhoudt dat hij en [slachtoffer] ieder maar één mes in handen hebben gehad en dat het bij hem geconstateerde letsel door het steken met en/of het afweren van het door [slachtoffer] gehanteerde mes is ontstaan. In de woning van laatstgenoemde zijn immers slechts, voor zover in dezen van belang, DNA-sporen op het lemmet en het heft van een koksmes en DNA-sporen op een afgebroken lemmet en heft van een keukenmes aangetroffen. Het DNA-profiel op zowel het lemmet van het koksmes als het afgebroken lemmet bleek bij onderzoek een match op te leveren met het DNA-profiel van [slachtoffer], terwijl het DNA-profiel op het heft van het koksmes en op het afgebroken heft een match met het DNA-profiel van de verdachte liet zien. Daarnaast worden overigens eveneens de bij herhaling, ook nog in hoger beroep, door de verdachte afgelegde verklaringen, voor zover deze inhouden dat hij alcohol op had en/of "erg dronken" was - en daarmede de geloofwaardigheid van zijn verklaringen meer in het algemeen -, door de resultaten van het toxicologisch onderzoek ondermijnd. In het op 27 maart 2010 om 6.15 uur van hem afgenomen bloed zijn immers geen sporen van alcohol - en overigens, hoewel de verdachte menigmaal heeft verklaard naast alcohol tevens cannabis/marihuana te hebben gebruikt, ook geen sporen van drugs - aangetroffen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de gestelde en aan het hier besproken verweer ten grondslag gelegde ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van [slachtoffer] jegens de verdachte niet aannemelijk is geworden, zodat zowel het beroep op noodweer als het beroep op noodweerexces wordt verworpen.

Indien en voor zover de raadsman van de verdachte met hetgeen aan het slot van paragraaf 2 van zijn pleitnota is verwoord nog heeft beoogd te betogen dat de verdachte, zo het beroep op noodweer(exces) mocht falen, een beroep op putatief noodweer toekomt, wordt volledigheidshalve nog overwogen dat noch in de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring - die erop neerkomt dat er een daadwerkelijke ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van [slachtoffer] jegens hem heeft plaatsgevonden, tegen welke aanranding verdediging geboden was -, noch in de overige door hem afgelegde verklaringen, noch in hetgeen overigens tijdens het opsporingsonderzoek, het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen enig aanknopingspunt voor deze schulduitsluitingsgrond is gelegen, zodat ook dit - niet nader door de raadsman onderbouwde - verweer geen doel treft.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde dan wel de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Zowel het bewezenverklaarde als de verdachte is derhalve strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft - in afwijking van zijn schriftelijke vordering - ter terechtzitting gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van de onder 1 ten laste gelegde doodslag zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft [slachtoffer] op 27 maart 2010 met in totaal 30 messteken op een uiterst gewelddadige manier om het leven gebracht. De verdachte verbleef als gast - en, naar eigen zeggen, als vriend - in de woning van het slachtoffer, alwaar hij de fatale messteken heeft toegebracht. Het slachtoffer heeft zijn gastvrijheid aldus met de dood moeten bekopen.

De grote hoeveelheid verwondingen, die bij het slachtoffer zijn geconstateerd, lijken erop te duiden dat de verdachte in blinde woede heeft gehandeld. De aanleiding tot deze doodslag en/of de beweegreden(en) van de verdachte om ongebreideld op het slachtoffer in te steken zijn evenwel ruim 15 maanden na dato nog immer niet opgehelderd.

Het opzettelijk benemen van het leven van een ander - diens meest kostbare bezit - behoort tot de zwaarste categorie strafbare feiten die het Wetboek van Strafrecht kent.

Daarenboven wordt door een dergelijk gewelddadig feit de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar verdriet aangedaan en veroorzaakt zo'n feit daarnaast ook meer in het algemeen verbijstering - temeer indien de vraag waarom een slachtoffer opzettelijk om het leven is gebracht, zoals in casu, onbeantwoord blijft - en gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Indien mede in aanmerking wordt genomen dat de verdachte, die pas sinds september 2008 in Nederland verblijft, blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 6 juni 2011 op 2 maart 2010 - 25 dagen voor de fatale gebeurtenis die tot de onderhavige strafzaak heeft geleid - voor een geweldsdelict, zij het minder ernstig van aard, is veroordeeld, alsmede dat uit het bij de verdachte verrichte psychiatrisch onderzoek blijkens het rapport van de psychiater F. Koeken d.d. 14 juni 2010 geen duidelijke dan wel onvoldoende aanwijzingen voor een psychiatrische stoornis in enge zin dan wel een persoonlijkheidsstoornis naar voren zijn gekomen, terwijl ook de psycholoog W.J.L. Lander blijkens diens rapport d.d. 27 juni 2010 tot het oordeel is gekomen dat van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de verdachte geen sprake is, is het hof - alles overwegende - van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit gold ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. D.J.C. van den Broek, mr. L.A.J.M. van Dijk en mr. C.G.M. van Rijnberk, in bijzijn van de griffier mr. F.L.C. Schoolderman.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2011.