Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0735

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-03-2011
Datum publicatie
07-07-2011
Zaaknummer
22-005522-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van meer dan 30 gram hennep. Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren.

Wetsverwijzingen
Politiewet 1993
Politiewet 1993 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2011/218
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005522-09

Parketnummer: 09-757618-08

Datum uitspraak: 10 maart 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 23 oktober 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 24 februari 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Voorts is het inbeslaggenomen geldbedrag van € 3.300,-- verbeurd verklaard.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 05 mei 2008 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 12.529 gram (11.979 gram hennep en hasjiesj en 550 gram hennep en hasjiesj aanwezig in joints) van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) en van hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en/of, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 05 mei 2008 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en hennep telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere Bewijsoverweging

De raadsman heeft gesteld dat de verbalisant [verbalisant 1] op 1 mei 2008 zich onrechtmatig heeft bevonden op het parkeerterrein aan [straat A] hoek [straat B] te Den Haag toen hij zijn waarneming van henneplucht deed. Het parkeerterrein was immers een privéterrein, hetgeen niet alleen blijkt uit het afsluitbare hekwerk er omheen maar ook aan het bij de toegang aangebrachte bordje "verboden toegang". Het parkeerterrein was eigendom van [betrokkene 1], de grootvader van de partner van de verdachte. Verdachte mocht zijn auto op het parkeerterrein plaatsen. Door de niet tevoren toegestane aanwezigheid van de verbalisant op het parkeerterrein is de privacy van [betrokkene 1] en van de verdachte geschonden. Hetgeen op 5 mei 2008 op deze onrechtmatige waarneming is gevolgd, moet worden gezien als onrechtmatig verkregen, waardoor het van bewijs moet worden uitgesloten.

De raadsman heeft het hof verzocht om de verbalisant nader te horen over de tegenstrijdigheden tussen zijn proces-verbaal van bevindingen van 7 mei 2008 en zijn nadere proces-verbaal van 22 februari 2011 en over de door de verbalisant beweerde min of meer permanente openstelling van het parkeerterrein.

Het hof overweegt omtrent het bovenstaande als volgt.

Uit de beide genoemde processen-verbaal van de verbalisant [verbalisant 1] kan worden afgeleid dat de verbalisant het parkeerterrein betreden heeft om van daar uit het voor het parkeerterrein gelegen knooppunt van openbaar vervoer goed te kunnen waarnemen zonder zelf gezien te worden, een en ander met het oog op mogelijk aldaar gepleegde gedragingen in strijd met de Opiumwet. Zijn optreden is daarmee gegrond op de taak die hem krachtens artikel 2 Politiewet is opgelegd.

Onder omstandigheden kan de taakuitoefening krachtens voormeld artikel met zich mee brengen dat inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander. Die inbreuk is daarmee nog niet per se onrechtmatig. Of dit laatste het geval is hangt af van de vraag of, en zo ja in welke mate, degene die door het handelen van de verbalisant geraakt wordt, beknot wordt in zijn of haar mogelijkheid om onbevangen zichzelf te zijn of anderszins in zijn of haar privacy beperkt wordt.

In het onderhavige geval bestond de bedoelde inbreuk slechts uit het betreden van het parkeerterrein om vandaar uit observaties te kunnen doen van het voor dat parkeerterrein gelegen knooppunt van openbaar vervoer. Het parkeerterrein kon eenvoudig worden betreden omdat het toegangshek openstond. Niet gebleken is dat op het parkeerterrein een andere "aktiviteit" plaatsvond dan het geparkeerd staan van een aantal auto's. Onder deze omstandigheden levert het betreden van het privé-parkeerterrein een uiterst beperkte inbreuk van de privacy op, welke inbreuk door de taakuitoefening in het kader van artikel 2 Politiewet gewettigd wordt. Van onrechtmatigheid is daarom geen sprake.

Ten overvloede merkt het hof nog op, dat, wanneer wel sprake zou zijn van een vergaande inbreuk op de privacy, die inbreuk is gemaakt jegens de rechthebbende gebruiker van het parkeerterrein. Als zodanig kan wel worden aangemerkt de eigenaar van het terrein (volgens de verdachte [betrokkene 1]), maar niet de individuele persoon die (slechts) van de eigenaar toestemming heeft om zijn auto op dat parkeerterrein neer te zetten, zoals de verdachte. De verdachte kan zich niet beroepen op schending van de privacy van een ander dan hemzelf.

Op grond van het bovenstaande is niet relevant of het parkeerterrein vaker of mogelijk altijd toegankelijk was doordat het hek niet was afgesloten, noch op welk moment precies de verbalisant op het parkeerterrein zijn waarneming van henneplucht heeft gedaan. Het horen van de verbalisant is derhalve niet noodzakelijk, noch is de verdediging door het niet-horen in zijn verdediging geschaad. Het verzoek tot het horen van de getuige wordt afgewezen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 3.300,--, zal worden verbeurd verklaard.

Naar het oordeel van het hof is het verband tussen het inbeslaggenomen geldbedrag en het bewezenverklaarde feit niet aannemelijk geworden. Het hof zal derhalve de teruggave gelasten van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 3.300,-- aan de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c, 22d, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, te vervangen door hechtenis voor de tijd van 60 (zestig) dagen voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

Gelast de teruggave van een geldbedrag van € 3.300,-- aan de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. M.J.J. van den Honert, mr. W.P.C.M. Bruinsma en dr. G.J. Fleers, in bijzijn van de griffier R. Luijken.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 maart 2011.

Dr. G.J. Fleers is buiten staat dit arrest te ondertekenen.