Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0653

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
07-07-2011
Zaaknummer
22-004772-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-echtgenote voor de periode van iets meer dan een jaar. Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 200 uren, waarvan 80 uren voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-004772-09

Parketnummer: 09-665360-07 en 09-665192-05 (TUL)

Datum uitspraak: 18 februari 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 18 september 2009 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1959 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 4 februari 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde - voor zover betrekking hebbende op belaging van [aangeefster] - veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,-, subsidiair 85 dagen hechtenis, waarvan € 5.000,-, subsidiair 60 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van de aan de verdachte bij vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 20 maart 2006 (onder parketnummer 09-665192-05) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. De vordering van de benadeelde partij [aangeefster] is toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 23 december 2005 tot en met 20 juli 2007 te Wassenaar, in elk geval in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster] en/of [kind A] en/of [kind B], in elk geval van een ander, (telkens) met het oogmerk die [aangeefster] en/of [kind A] en/of [kind B], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte,

- (veelvuldig) emails gestuurd naar die [aangeefster] en/of [kind A] en/of [kind B] en/of

- (veelvuldig) gebeld naar die [aangeefster] en/of [kind A] en/of [kind B] en/of

- (veelvuldig) gesms't naar die [aangeefster] en/of [kind A] en/of [kind B].

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van belaging van zijn kinderen, [kind A] en [kind B]. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - dat niet is voldaan aan het klachtvereiste, omdat zich in het dossier geen klacht van de kinderen bevindt en niet kan worden volstaan met één klacht van de moeder van de kinderen.

Het hof overweegt als volgt.

In het dossier bevindt zich geen aangifte van de kinderen tegen de verdachte ter zake van belaging, noch bevinden zich andere stukken in het dossier waaruit blijkt dat de kinderen de wens hadden dat tegen hun vader een vervolging zou worden ingesteld ter zake van belaging. Derhalve ontbreekt de voor vervolging op basis van artikel 285b Wetboek van Strafrecht vereiste klacht. Gelet hierop is het hof, met de raadsvrouw en de advocaat-generaal, van oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte voor zover deze vervolging betrekking heeft op belaging van [kind A] en [kind B].

Het hof heeft geconstateerd dat zich in het dossier evenmin een klacht van de aangeefster [aangeefster] bevindt. Uit hetgeen de aangeefster op de terechtzittingen in eerste aanleg heeft verklaard, alsmede bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank 's-Gravenhage, is evenwel genoegzaam komen vast te staan dat zij ten tijde van het doen van aangifte de bedoeling had dat tegen de verdachte een vervolging zou worden ingesteld wegens belaging van haar. Het bestaan van een klacht van [aangeefster] kan derhalve worden aangenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 12 mei 2006 tot en met 20 juli 2007 te Wassenaar, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster], (telkens) met het oogmerk die [aangeefster] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte,

- veelvuldig emails gestuurd naar die [aangeefster] en/of [kind A] en/of [kind B].

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat de e-mails die de verdachte aan zijn kinderen heeft gestuurd, niet kunnen bijdragen aan het bewijs dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-echtgenote [aangeefster], nu niet is gebleken dat de kinderen die e-mails niet wensten te ontvangen. Dit staat naar mening van de raadsvrouw in de weg aan een veroordeling van de verdachte. De raadsvrouw heeft vervolgens primair vrijspraak van de verdachte bepleit en subsidiair heeft zij verzocht om de kinderen van de verdachte als getuige te horen.

Het hof overweegt omtrent het vorenstaande als volgt.

Voor zover de raadsvrouw heeft willen betogen dat aan zijn kinderen verzonden e-mails alleen dan als bewijsmiddel kunnen bijdragen tot een veroordeling van de verdachte ter zake van belaging van zijn ex-echtgenote, indien komt vast te staan dat de kinderen van de verdachte de zich in het dossier bevindende e-mails niet wensten te ontvangen, deelt het hof dat standpunt niet. Naar het oordeel van het hof dienen de inhoud van die e-mails en de eventuele gevolgen daarvan voor de

ex-echtgenote van verdachte te worden beoordeeld.

De vraag of de kinderen e-mailcontact met hun vader wensten en hoe zij de e-mails hebben ervaren speelt daarbij geen rol. Het hof acht daarom het horen van de kinderen van de verdachte niet noodzakelijk en wijst dit verzoek af.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kunnen de door de verdediging gewraakte e-mails naar het oordeel van het hof voor het bewijs worden gebezigd.

De verdachte heeft zich op zijn minst willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de inhoud van de e-mails die hij aan zijn kinderen stuurde aan zijn ex-echtgenote ter kennis zou komen en dat in ieder geval de passages over zijn ex-echtgenote in de voor het bewijs gebezigde e-mails door haar als belaging zouden worden ervaren. Het hof komt tot dat oordeel op grond van de inhoud van voornoemde passages over zijn ex-echtgenote in de e-mails verstuurd aan zijn kinderen, die ten tijde van het versturen ervan bij zijn ex-echtgenote in huis woonden, de frequentie waarmee de verdachte deze e-mails aan hen stuurde en de eerdere veroordeling van de verdachte ter zake van belaging van zijn ex-echtgenote.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Belaging.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf. Zij heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, waarvan 80 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft, door zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig te maken aan belaging, gedurende een periode van iets meer dan een jaar vele malen inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn ex-echtgenote en haar grenzen ver overschreden. Dit rekent het hof de verdachte aan. Ten tijde van het onderhavige feit liep de veroordeelde bovendien in de proeftijd van een eerdere veroordeling ter zake van belaging van zijn ex-echtgenote. Dit heeft de verdachte er evenwel niet van weerhouden om zich daaraan wederom schuldig te maken.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 500,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 500,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster].

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 20 maart 2006 (onder parketnummer 09-665192-05) is de verdachte ter zake van eveneens belaging van zijn ex-echtgenote veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat in plaats van de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, het verrichten van een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 80 uren wordt gelast.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

Het hof zal - gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken en overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf omzetten in een taakstraf in de vorm van een werkstraf. Het hof ziet evenwel geen aanleiding om bij de omrekening van die voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf naar een taakstraf af te wijken van de gebruikelijke omrekening. Derhalve zal het hof het verrichten van een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren,

te vervangen door hechtenis voor de tijd van 100 (honderd) dagen voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

Beveelt dat een op 80 (tachtig) uren bepaald gedeelte van de taakstraf, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door hechtenis voor de tijd van 40 (veertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] tot het gevorderde bedrag van EUR 500,00 (vijfhonderd euro), en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak vooralsnog zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte ter zake van het onder bewezenverklaarde voorts de verplichting op om ten behoeve van [aangeefster] aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 500,00 (vijfhonderd euro) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 (tien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis deze betalingsverplichting niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot tenuitvoerlegging, in die zin dat in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 20 maart 2006 onder parketnummer 09-665192-05, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, de tenuitvoerlegging wordt gelast van een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 (zestig) dagen voor het geval die werkstraf niet naar behoren wordt verricht.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries, mr. G. Knobbout en mr. T.J.P. van Os van den Abeelen, in bijzijn van de griffier mr. S.N. Keuning.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 februari 2011.