Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0204

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
200.075.065.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omvang verhaalsbijdrage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

Uitspraak : 6 april 2011

Zaaknummer : 200.075.065/01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 10-156

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. dr. G.P. Dayala te Amsterdam,

tegen

[verweerster],

zetelende te [plaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gemeente,

gemachtigde: mr. J.P.M.M. Petit.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 1 oktober 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 2 juli 2010 van de rechtbank Rotterdam.

De gemeente heeft op 15 december 2010 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 5 november 2010 een brief d.d. 5 november 2010 met bijlagen.

De zaak is op 17 maart 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- mr. dr. G.P. Dayala, namens de man;

- mr. P.N. van Schaick, namens de gemeente.

De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De gemeente heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, het door de man aan de gemeente te betalen verhaalsbedrag, vastgesteld op:

- € 96,- per maand over de periode van 1 juli 2006 tot en met 31 december 2006;

- € 63,- per maand over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007;

- € 161,- per maand over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008;

- € 153,- per maand met ingang van 1 januari 2009,

zolang de bijstandsverlening voortduurt.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de omvang van de verhaalsbijdrage ten laste van de man.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen.

3. De gemeente bestrijdt het beroep en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, dan wel de bijdrage vast te stellen op een bedrag als het hof vermeent te behoren.

4. De man voert in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat mevrouw [naam eerste ex-echtgenote van de man] (de eerste ex-echtgenote van de man) niet in haar eigen levensonderhoud en ook niet in het levensonderhoud van de minderjarige kan voorzien en derhalve behoefte heeft aan een bijdrage. Verder stelt de man dat de rechtbank ten onrechte niet in haar overwegingen heeft meegenomen dat de door de gemeente verstrekte bijstand niet alleen dient ten behoeve van de minderjarige maar ook ten behoeve van anderen. Dit dient eveneens te worden verdisconteerd in het door de gemeente te verhalen bedrag op de man. Voorts geeft de rechtbank volgens de man blijk van een onjuiste rechtsopvatting door de juistheid van de vordering en de juistheid van de hoogte van de vordering op de man voetstoots aan te nemen. Verder meent de man dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat, nu de man zich niet heeft uitgelaten over de financiële situatie van zijn partner, deze partner in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Derhalve wordt ten onrechte de helft van de woonkosten en andere gezamenlijke kosten aan de echtgenote van de man toegerekend. De rechtbank geeft gelet op het voorgaande blijk van een onjuiste rechtsopvatting door voor wat betreft de bijstandsnorm en het draagkrachtpercentage de echtgenote buiten beschouwing te laten. Voorts is de situatie dat de man een gezamenlijke huishouding met zijn echtgenote voerde, niet meer van toepassing. De man is op 28 juli 2010 gescheiden van mevrouw [naam], en is voor zijn twee minderjarige kinderen uit dat huwelijk met ingang van 28 juli 2010 een alimentatiebijdrage verschuldigd van € 194,- per maand per kind. Ter zitting heeft de advocaat van de man verklaard dat het inkomen van de man niet wezenlijk is veranderd. De op 28 juli 2010 door de rechtbank vastgestelde bijdrage van € 194,- per maand per kind drukt evenwel zodanig op zijn draagkracht, dat de man de door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgestelde bijdrage niet kan voldoen.

5. De gemeente stelt zich op het standpunt dat de man tegen de hoogte van de alimentatie van € 194,- per maand per kind, zoals vastgesteld door de rechtbank bij beschikking van 28 juli 2010, geen draagkrachtverweer heeft gevoerd. De gemeente is van mening dat nu de man kennelijk in staat en bereid is de alimentatie ten behoeve van deze kinderen te voldoen er geen onderbouwing bestaat voor zijn grief dat het hem aan draagkracht ontbreekt om een bijdrage in de kosten van bijstand te kunnen voldoen voor zijn minderjarige zoon [naam minderjarige]. Ter zitting heeft de gemeente de stellingen van de man overigens gemotiveerd bestreden.

Het hof overweegt als volgt.

6. Het hof is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de toets dat mevrouw [naam eerste ex-echtgenote van de man] met haar kind [naam minderjarige] niet in haar levensonderhoud kon voorzien, door de gemeente reeds in 2003 werd gedaan na een bij de Sociale Dienst Rotterdam gedane aanvraag. Daarna hebben voortgangsgesprekken en heronderzoeken plaatsgevonden, waarbij de voorwaarden die aan de uitkering zijn verbonden opnieuw zijn getoetst. Daarbij is de gemeente opnieuw gebleken dat bijstandsverlening noodzakelijk bleef. In het licht van bovengenoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien en dus geen behoefte heeft aan een bijdrage van de gemeente op grond van de Wet Werk en Bijstand.

7. Het hof is verder gebleken dat in de voortgangsgesprekken van de gemeente met mevrouw [naam eerste ex-echtgenote van de man] arbeidsinschakeling aan de orde is geweest, maar dat dit niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Op 23 november 2009 is de vrouw gediagnosticeerd voor de O(nbenutte) K(waliteiten) Bank, zijnde een reactiveringstraject en heeft de gemeente besloten haar ontheffing te verlenen van de sollicitatieplicht voor een jaar. Dat de gemeente zich niet voldoende heeft ingespannen om te komen tot een re-integratie van mevrouw [naam eerste echtgenote van de man], zodat zij niet meer afhankelijk behoeft te zijn van een uitkering, acht het hof in het licht van het voorgaande eveneens onvoldoende aannemelijk gemaakt door de man.

8. De gemeente heeft de verstrekte bijstand bepaald naar de norm voor een alleenstaande ouder, in casu voor mevrouw [naam eerste ex-echtgenote van de man] en haar minderjarige zoon [naam minderjarige]. Het betoog van de man dat de rechtbank ten onrechte niet in haar overwegingen heeft meegenomen dat de door de gemeente verstrekte bijstand niet alleen dient ten behoeve van de minderjarige maar ook ten behoeve van anderen snijdt derhalve geen hout.

9. Het hof leest in het beroepschrift geen grieven gericht tegen de periode tot 28 juli 2010, zodat tot die datum als vaststaand wordt aangenomen dat de man voldoende draagkracht had om de door de rechtbank vastgestelde verhaalsbijdrage te kunnen voldoen.

10. Ten aanzien van de periode vanaf 28 juli 2010 is het hof uit de stukken en het besprokene ter zitting gebleken dat de man verscheidene malen tijdens de verhaalsprocedure heeft nagelaten de benodigde gegevens aan de gemeente over te leggen en aan te tonen, door middel van bewijsstukken, hoe zijn persoonlijke en financiële situatie (en die van zijn echtgenote) was en is. De gemeente heeft op grond van de beschikbare gegevens beoordeeld in hoeverre de man in staat zou zijn een verhaalsbijdrage te voldoen. Het hof is verder gebleken dat de man in eerste aanleg heeft nagelaten inzicht te verschaffen in zijn financiële situatie. Ook thans in hoger beroep heeft de man geen, althans onvoldoende (recente) financiële stukken overgelegd. Ter zitting heeft de advocaat van de man verklaard en erkend dat de informatieverstrekking van de man onvoldoende is. De man heeft zijn enkele stelling dat zijn financiële positie met ingang van 28 juli 2010 dusdanig is, dat de bestreden beschikking reeds hierom niet in stand kan blijven niet gestaafd met enig bewijs, zodat het hof deze stelling passeert. Uit de (door de man incompleet overgelegde) echtscheidingsbeschikking van 28 juli 2010 blijkt dat de man alimentatieverplichtingen heeft jegens zijn twee kinderen uit het huwelijk met mevrouw [naam] van € 194,- per maand per kind, hetgeen niet impliceert dat de man geen draagkracht heeft om ten behoeve van zijn minderjarige kind [naam minderjarige] een bijdrage te voldoen. Het hof is in het licht van het bovenstaande van oordeel dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat is om de door de rechtbank vastgestelde verhaalsbijdrage te betalen.

11. De bestreden beschikking zal derhalve worden bekrachtigd.

BESLISSING

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Husson en Otter, bijgestaan door Lekahena als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 april 2011.