Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ9973

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-06-2011
Datum publicatie
01-07-2011
Zaaknummer
200.068.442-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

In hoger beroep geen spoedeisend belang meer bij de gevraagde voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Sector civiel

Zaaknummer : 200.068.442/01

Zaak-/rolnummer Rechtbank : 363811/KG ZA 10-474

arrest van 21 juni 2011

inzake

[appellant], h.o.d.n. [naam onderneming],

wonende te [woonplaats],

appellant, tevens geïntimeerde in incidenteel beroep,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. R.H. Steensma te Rotterdam,

tegen

CROCS BENELUX B.V.,

gevestigd te Rijswijk,

geïntimeerde, tevens appellante in incidenteel beroep,

hierna te noemen: Crocs,

advocaat: mr. A.H.C. van der Maas te 's-Gravenhage.

Verloop van het geding

Bij exploot van 28 mei 2010 heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 4 mei 2010. Daarbij heeft hij twee grieven aangevoerd en producties overgelegd. Vervolgens heeft hij een conclusie van eis, tevens akte tot rectificatie genomen. Bij memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel, met producties, heeft Crocs de grieven bestreden en zelf vijf grieven aangevoerd (aangeduid als I, II, IV, V en V). Bij memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties, heeft [appellant] de grieven van Crocs bestreden. Nadien heeft Crocs nog een akte, met productie, en [appellant] een antwoordakte, met producties, genomen.

Vervolgens hebben partijen, onder overlegging van hun procesdossiers, arrest gevraagd.

Beoordeling van het beroep

1. De door de voorzieningenrechter in rov. 2.1 tot en met 2.4 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn niet weersproken, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

In aanvulling daarop stelt het hof vast dat thans niet meer tussen partijen in geschil is dat de overeenkomst door partijen is ondertekend.

2. In dit kort geding vordert [appellant] Crocs te veroordelen tot betaling van

€ 23.800,-, met wettelijke rente. Hij stelt daartoe dat Crocs bedoeld bedrag verschuldigd is uit hoofde van de tussen partijen gesloten en op 17 april 2008 ondertekende sponsorovereenkomst, aangegaan voor de periode vanaf de ondertekening tot en met 30 september 2010. Het gevorderde bedrag betreft de factuur met betrekking tot de eerste termijn over 2010. Crocs bestrijdt gehouden te zijn tot betaling op de grond dat zij de overeenkomst, met toepassing van artikel 5.6 daarvan, met ingang van 1 januari 2010 heeft beëindigd.

3. De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen op de grond dat, waar de overeenkomst [appellant] verplicht tot het organiseren van [het evenement] op tenminste zeven A-locaties, hij het evenement in 2009 weliswaar zeven maal op een A-locatie heeft georganiseerd, maar twee maal in dezelfde plaats, te weten Scheveningen. Volgens de voorzieningenrechter heeft [appellant] niet voldoende aannemelijk gemaakt dat Crocs daarmee heeft ingestemd, zodat serieus rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat Crocs gerechtigd was de overeenkomst te beëindigen. Daartegen richten zich de grieven van [appellant].

4. Crocs bestrijdt in haar grieven in de eerste plaats dat [appellant] een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. Zij wijst daarbij tevens op het restitutierisico. Subsidiair bestrijdt zij de overwegingen van de voorzieningenrechter waarin deze aanneemt dat Scheveningen tussen partijen als een A-locatie moet worden beschouwd.

5. Het hof zal eerst onderzoeken of [appellant] thans nog een voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. Daarbij is, zoals de voorzieningenrechter in rov. 4.1 tot uitdrukking heeft gebracht, rekening houdend met het belang van de gedaagde in kort geding, ten aanzien van een vordering tot betaling van een geldsom terughoudendheid geboden.

6. [appellant] heeft in hoger beroep, in antwoord op de eerste grief van Crocs, ten aanzien van het vereiste spoedeisend belang gesteld dat hij in zijn bedrijfsvoering afhankelijk is van de vooruitbetaling van sponsorbijdragen, omdat hij een evenement ook vooruit moet financieren. Verder stelt hij de liquiditeitsproblemen als gevolg van het niet ontvangen van de sponsorbijdrage(n) van Crocs te hebben moeten opvangen door de aanwending van eigen middelen.

7. Het hof is van oordeel dat aldus niet is komen vast te staan dat [appellant] een voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Immers, hij stelt slechts in zijn algemeenheid afhankelijk te zijn van de vooruitbetaling van sponsorbijdragen en volstaat verder met het vermelden van de wijze waarop hij zijn problemen heeft opgelost. Omstandigheden op grond waarvan betaling van de sponsorbijdrage van Crocs over 2010 thans nog uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is, voert hij niet aan. Zonder toelichting valt ook niet in te zien dat dit het geval zou zijn, waarbij mede in aanmerking dient te worden genomen dat de overeenkomst tussen partijen volgens artikel 4.1 onder B regulier zou zijn geëindigd per 1 oktober 2010. Reeds om die reden kunnen de grieven van [appellant] niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden.

8. [appellant] heeft niet aangegeven tevens beoordeeld te willen zien of de voorzieningenrechter op juiste gronden tot zijn oordeel is gekomen, bijvoorbeeld in verband met de proceskostenveroordeling. Ten overvloede overweegt het hof dat, naar is gebleken, ook ten tijde van het vonnis waarvan beroep geen voldoende spoedeisend belang bestond bij de gevraagde voorziening, zodat de voorzieningenrechter reeds daarom een juist vonnis heeft gewezen.

9. Het voorgaande leidt ertoe dat, wat er verder van de over en weer aangevoerde grieven zij, het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. Bij vernietiging van het vonnis op de in de grieven in het incidentele beroep aangevoerde gronden en het opnieuw ontzeggen van de vordering aan [appellant], zoals door Crocs in haar petitum gevorderd, heeft zij geen belang.

10. Hoewel er geen noodzaak bestond voor het instellen van incidenteel beroep – nu Crocs geen andere beslissing beoogde dan de voorzieningenrechter heeft gegeven – mag dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad niet tot een kostenveroordeling van de geïntimeerde leiden. [appellant] zal dan ook, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van zowel het principale, als het incidentele beroep worden veroordeeld.

Beslissing

Het hof:

in het principale en het incidentele beroep:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van geding in hoger beroep, aan de zijde van Crocs tot op heden in het principale beroep begroot op € 715,- aan verschotten en € 1.737,- aan salaris advocaat en in het incidentele beroep op € 868,50;

verklaart dit arrest wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.J. Verduyn, T.H. Tanja-van den Broek en M.Y. Bonneur, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juni 2011 in aanwezigheid van de griffier.