Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ9951

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-06-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
200.068.137-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

arbeidsongeval; werknemer vordert verklaring voor recht dat werkgever aansprakelijk is; onvoldoende gesteld omtrent causaal verband tussen ongeval en schade; vordering afgewezen

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 96
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0546
JA 2011/154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.068.137/01

Zaak/rolnummer rechtbank : 878778\CV EXPL 09-7944

arrest d.d. 28 juni 2011

inzake

[appellant]

wonende te Wassenaar,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. A.P. Hovinga te Rotterdam,

tegen

1. BENFRIED MULTIGROW B.V.,

gevestigd te Den Hoorn,

hierna te noemen: Benfried,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te 's-Gravenhage,

2. VAN KOPPEN & VAN EIJK PERSONEELSDIENSTEN B.V.,

gevestigd te Leiden,

hierna te noemen: Van Koppen & Van Eijk,

advocaat mr. M.C.C. van Oss te Delft,

geïntimeerden.

Het geding

Bij exploten van 31 mei 2010 respectievelijk 4 juni 2010 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 1 april 2010, door de Rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie Delft, tussen partijen gewezen.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging drie producties acht grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd.

Bij memorie van antwoord heeft Benfried onder overlegging van een productie de grieven bestreden.

Bij memorie van antwoord heeft Van Koppen & Van Eijk de grieven bestreden.

Ten slotte hebben partijen de processtukken overgelegd en arrest gevraagd. In het door [appellant] overgelegde dossier ontbreken de producties 1 en 2 bij zijn memorie van grieven.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de feiten zoals die onder "1. Feiten" van het tussenvonnis van 1 april 2010 zijn vastgesteld, nu die als zodanig in hoger beroep niet worden bestreden.

2. Het gaat om het volgende.

2.1 [appellant] is als uitzendkracht van Van Koppen & Van Eijk werkzaam geweest bij Benfried en heeft daarbij op 19 september 2006 een arbeidsongeval gehad, waarbij zijn linkerhand bekneld is geraakt tussen de lopende band van een inpakmachine en een metalen buis.

2.2 [appellant] is vervolgens naar de spoedeisende hulp van het Bronovo ziekenhuis vervoerd. Daar is hij behandeld. Er is daar een foto gemaakt. Door de afdeling radiologie zijn geen afwijkingen aan de hand geconstateerd.

2.3 [appellant] heeft enkele dagen na het ongeval zijn werkzaamheden hervat.

2.4 Blijkens een verwijsbrief van de huisarts van [appellant] van 28 november 2006 had [appellant] op dat moment nog steeds klachten aan zijn linkerhand, was er sprake van drukpijn aan de pip gewrichten, maar was de functie van de hand en pols goed. De arts constateert verder onder meer:

"moeite om het werk te doen. situatie op het werk nog niet veilig, is bang voor herhaling. werkgever doet te weinig?(...)

grootste deel vh probleem ligt bij werkgever. adv: contact opnemen met arbo-arts, cq arbeidsinspectie."

2.5 [appellant] heeft geen contact opgenomen met de arbo-arts. Vanwege het einde van het seizoen zijn de werkzaamheden van [appellant] bij Benfried op 4 december 2006 geëindigd.

2.6 Blijkens een radiologiebericht van Ziekenhuis Bronovo van 15 januari 2008 heeft er die dag een onderzoek plaatsgevonden naar aanleiding van pijnklachten in tot en met vijfde straal van linkerhand. In dat radiologiebericht staat onder meer:

"Onderzoek: POLS EN-OF HAND EN-OF VINGERS

VERSLAG POLS EO HAND

Linkerhand en pols

Normale vorm en botstructuur van de afgebeelde skeletdelen.

Geen versmalling van de gewrichtsspleten. Geen peri-articulaire ontkalking.

Geen erosies.

POLS EO HAND

(konklusie)

Geen afwijkingen."

2.7 In een verklaring van de huisarts d.d. 12 april 2010 staat onder meer:

"De heer heeft op 19 december 2006 (het hof leest: 19 september 2006) klemgezeten met zijn linkerhand in een verpakkings machine. Hij is hiervoor enkele malen bij mij geweest en heeft nog bij tijd en wijle last van een dove tintelende hand des nachts."

2.8. In eerste aanleg heeft [appellant] een aantal vorderingen ingesteld. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. Hiertegen is [appellant] in hoger beroep gekomen. Blijkens het petitum bij de memorie van grieven heeft [appellant] zijn eis verminderd in die zin, dat hij thans niet meer vordert vergoeding van schade, op te maken bij staat, maar slechts een verklaring voor recht dat Benfried en Van Koppen aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het arbeidsongeval van 19 september 2006, met veroordeling in de werkelijke kosten in beide instanties.

3.1 Grief 1 luidt: "Ten onrechte wordt geoordeeld dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen vaststellen dat hij als gevolg van het ongeval schade heeft geleden." In de toelichting op de grief stelt [appellant] dat dit geding slechts gaat over de aansprakelijkheid. Verder stelt [appellant] dat hij alleen al tengevolge van het eerste initiële letsel schade heeft geleden, bestaande uit arbeidsvermogenschade (minimaal drie dagen), smartengeld, reiskosten en buitengerechtelijke kosten.

3.2 Het hof overweegt naar aanleiding van deze grief het volgende. De stelling van [appellant] dat dit geding "slechts" gaat over de aansprakelijkheid, is onjuist. Het eerste deel van de vordering betreft een verklaring voor recht dat geïntimeerden voor de gevolgen van het ongeval aansprakelijk zijn. Deze vordering is alleen toewijsbaar als deze gevolgen bestaan in schade en als er causaal verband is tussen het ongeval en de gestelde schade. Als de gevolgen van het ongeval niet bestaan in schade, heeft [appellant] geen belang bij de gevorderde verklaring voor recht en is de gevorderde verklaring voor recht om die reden niet toewijsbaar. Het tweede deel van de vordering, dat een vordering tot vergoeding van de schade van [appellant], nader op te maken bij staat betreft, heeft [appellant] blijkens het petitum van de memorie van grieven kennelijk niet gehandhaafd. Ook als [appellant] deze vordering wel gehandhaafd zou hebben, geldt eveneens dat deze slechts toewijsbaar is als aannemelijk is dat er schade is en als er causaal verband is tussen het ongeval en de gestelde schade. Ten aanzien van beide vorderingen gaat het dus niet alleen om de aansprakelijkheid, maar ook om de vraag of er schade is en of er causaal verband is tussen het ongeval en de gestelde schade. In de toelichting op grief 1 onderbouwt [appellant] niet, dat hij als gevolg van het ongeval schade heeft geleden.

3.3 Ten aanzien van de door [appellant] genoemde schadeposten overweegt het hof het volgende. [appellant] heeft niet gesteld welk letsel hij na het ongeval had, of hij zich ziek heeft gemeld en of hij zich, nadat in het ziekenhuis was geconstateerd dat hij niets gebroken had, onder medische behandeling heeft laten stellen. Hij heeft dan ook onvoldoende onderbouwd dat hij ten gevolge van het ongeval arbeidsvermogenschade heeft geleden. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd waarom hij recht zou hebben op smartengeld. Hij heeft voorts onvoldoende onderbouwd dat hij ten gevolge van het ongeval reiskosten heeft moeten maken. Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke kosten overweegt het hof het volgende. In HR 11 juli 2003, NJ 2005,50, LJN AF7423 heeft de Hoge Raad overwogen dat onder omstandigheden redelijke kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid ook voor vergoeding in aanmerking komen wanneer uiteindelijk niet komt vast te staan dat schade is geleden. Wel dienen die kosten wel in een zodanig verband met het ongeval te staan, dat zij aan de daarvoor aansprakelijke persoon, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als gevolg van het ongeval kunnen worden toegerekend. Daarbij verdient aantekening dat, naarmate de tijd verstrijkt, de vraag meer kan gaan klemmen of tussen het ongeval en de gevorderde kosten nog wel causaal verband (in de zin van condicio-sine-qua-non-verband) bestaat. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] onvoldoende gesteld om aan te nemen dat er voldoende causaal verband bestaat tussen het arbeidsongeval en de gevorderde buitengerechtelijke kosten. De buitengerechtelijke kosten zijn dan ook niet toewijsbaar. Grief 1 faalt.

4.1 Grief 2 luidt: "Ten onrechte heeft de rechter oordeelt dat geïntimeerden gemotiveerd hebben betwist dat er sprake is van een arbeidsongeval."

4.2 Het hof overweegt naar aanleiding van deze grief het volgende. Inderdaad hebben geïntimeerden niet gemotiveerd betwist dat er sprake was van een arbeidsongeval, maar de rechtbank heeft ook niet overwogen dat zij dit gemotiveerd hebben betwist. Het woordje "daarvan" in 4.2 van het bestreden vonnis slaat niet op het arbeidsongeval, maar op de stelling dat [appellant] als gevolg daarvan schade heeft geleden. De grief is dan ook gericht tegen iets dat de rechtbank niet heeft overwogen. Grief 2 faalt.

5.1 Grief 3 luidt: "Ten onrechte heeft de rechter geoordeeld dat uit de verslagen van het Bronovo ziekenhuis en de verklaring van de huisarts niet blijkt dat [appellant] beperkingen ondervindt als gevolg van het ongeval." Ter toelichting wijst [appellant] erop, dat het feit dat na een foto geen fracturen zijn geconstateerd, niets zegt omtrent het letsel en de daaruit voortvloeiende klachten die [appellant] heeft. Gezien het hardnekkige karakter van de klachten van [appellant] sluit hij niet uit dat er bij hem sprake zou kunnen zijn van zenuw- c.q. peesletsel. Juist om hier duidelijkheid in te verkrijgen, acht hij een medisch onderzoek geïndiceerd.

5.2 Het hof overweegt naar aanleiding van deze grief het volgende. [appellant] stelt niet dat uit het verslag van het Bronovo ziekenhuis blijkt dat hij beperkingen ondervindt als gevolg van het ongeval. Hij stelt ook niet dat uit de verklaring van de huisarts van 28 november 2006 blijkt dat hij beperkingen ondervindt als gevolg van het ongeval. De overweging van de rechtbank dat uit deze beide verslagen niet blijkt dat [appellant] beperkingen ondervindt als gevolg van het ongeval, is dan ook juist. Ook uit de in hoger beroep overgelegde nauwelijks gemotiveerde verklaring d.d. 12 april 2010 blijkt dit niet. [appellant] onderbouwt ook niet in hoeverre hij de jaren vóór 12 april 2010 klachten heeft gehad en contact met artsen heeft gezocht. Hij stelt dat hij een medisch onderzoek geïndiceerd acht, maar hij stelt niet dat hij een medisch onderzoek heeft laten instellen om het causaal verband tussen het ongeval en de door hem gestelde klachten te onderbouwen. Een medische onderbouwing van dit causaal verband ontbreekt. Grief 3 faalt.

6.1 Grief 4 luidt: "Ten onrechte stelt de rechtbank dat het causaal verband tussen het ongeval en de door [appellant] aangevoerde kostenposten niet is gebleken." Ter toelichting stelt hij het volgende. Het geding ging slechts over de aansprakelijkheid. Hij had de rechtbank helemaal niet gevraagd om een oordeel over het causaal verband te geven. Dienaangaande was nog geen onderzoek verricht. Volgens [appellant] heeft de rechtbank de artikelen 23 en 24 Rv. overtreden.

6.2 Het hof overweegt naar aanleiding van deze grief het volgende. Zoals het hof hierboven heeft overwogen, kon de rechtbank de beide vorderingen pas beoordelen, na eerst een oordeel te hebben geven over de vraag of schade aannemelijk was en of er causaal verband was tussen het ongeval en de gestelde schade. De rechtbank heeft dan ook de beide vorderingen van [appellant] beoordeeld en de artikelen 23 en 24 Rv. niet overtreden. Grief 4 faalt.

7.1 Grief 5 luidt: "Ten onrechte stelt de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat [appellant] gedurende twee dagen na het ongeval niet in staat was om zijn werkzaamheden te verrichten." Ter toelichting voert [appellant] het volgende aan. Een medewerker van Benfried heeft hem naar het ziekenhuis getransporteerd. Hoewel er geen fractuur werd geconstateerd, was er wel letsel en bleef [appellant] drie dagen thuis. Volgens [appellant] hebben geïntimeerden dit erkend en hebben zij helemaal niet het verweer gevoerd dat de drie dagen niet voor rekening van de blessure zouden komen. Subsidiair stelt [appellant] dat de rechter een bewijsopdracht had moeten geven. Daarbij geldt volgens hem dat er sprake is van het schenden van verkeers- en veiligheidsnormen en dat dan in beginsel een ruime toerekening ten aanzien van het causale verband geldt.

7.2 Het hof overweegt naar aanleiding van deze grief het volgende. In 1.4 van het bestreden vonnis staat onder meer: "De eerste twee dagen van zijn afwezigheid zijn aangemerkt als wachtdagen, gedurende welke hij geen loon heeft gekregen. Over de derde dag is wel loon betaald." Uit de in hoger beroep overgelegde schriftelijke processtukken blijkt niet dat een van de partijen dit heeft aangevoerd. Kennelijk is dit tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg naar voren gekomen. Nu het hof niet beschikt over een proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg, kan het hof niet beoordelen of geïntimeerden in eerste aanleg hebben betwist dat [appellant] na het ongeval tengevolge van het ongeval niet in staat was zijn werkzaamheden te verrichten. In hoger beroep hebben geïntimeerden dit wel gemotiveerd betwist door te stellen dat [appellant] zich niet heeft ziek gemeld en dat hij op donderdag 21 september 2006, twee dagen na het ongeval, weer aan het werk ging. [appellant] heeft ook in hoger beroep niet gesteld, wat zijn letsel was, of hij zich ziek heeft gemeld en of hij nadat in het ziekenhuis was geconstateerd dat hij niets gebroken had, zich onder medische behandeling heeft laten stellen. [appellant] heeft dan ook onvoldoende met stellingen onderbouwd dat hij ten gevolge van het ongeval een aantal dagen geen arbeid heeft kunnen verrichten. Nu [appellant] onvoldoende heeft gesteld, komt het hof niet aan bewijslevering toe. Grief 5 faalt.

8.1 Grief 6 luidt: "Ten onrechte heeft de rechter de vordering van [appellant] op basis van 611 BW niet toewijsbaar geacht." Ter toelichting op de grief stelt [appellant] dat de rechter de vordering op basis van 611 heeft afgewezen met als argument dat ook daarvoor het causaal verband vereist is en dat [appellant] herhaalt dat dit geding niet over de causaliteit, maar over aansprakelijkheid gaat.

8.2 Het hof overweegt dat ook voor de grondslag van art. 7: 611 BW geldt dat de vorderingen van [appellant] slechts toewijsbaar zijn als er voldoende causaal verband is tussen het ongeval en de gestelde schade en dat [appellant] dit causaal verband onvoldoende heeft onderbouwd. Grief 6 faalt.

9.1 Grief 7 luidt: "Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat voor bewijslevering geen plaats is omdat [appellant] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd." Ter toelichting op de grief stelt [appellant] dat de procedure alleen gaat over de schuldvraag en enkel een verklaring voor recht behelst. Gezien de bewijslast van artikel 7: 658 BW rust de bewijslast dan volledig op de werkgever en hoeft [appellant] alleen maar aan te tonen dat er een ongeval is gebeurd en dat wordt op zich erkend.

9.2 Het hof overweegt naar aanleiding van deze grief het volgende. Volgens artikel 7: 658 BW rust op werknemer de stelplicht en bewijslast dat er door een ongeval in de uitoefening van de werkzaamheden schade is geleden en dat de schade door het ongeval is veroorzaakt. [appellant] heeft zijn stellingen hierover onvoldoende onderbouwd. Daarom is er voor bewijslevering geen plaats. Grief 7 faalt.

10.1 Grief 8 luidt: "Ten onrechte heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld in de kosten van de procedure."

10.2 Naar aanleiding van deze grief overweegt het hof het volgende. Aangezien de vorderingen van [appellant] niet toewijsbaar zijn, is de beslissing van de rechtbank om [appellant] in de kosten te veroordelen, juist. Grief 8 faalt.

11. Het hof gaat aan het bewijsaanbod van [appellant] voorbij, aangezien [appellant] geen relevante feiten heeft gesteld die bewijs behoeven. Nu de grieven falen, zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep veroordelen.

Beslissing

Het hof;

bekrachtigt het vonnis van de Rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie Delft, van 1 april 2010;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Benfried begroot op € 1.157,-, waarvan € 263,- aan griffierechten en € 894,- aan salaris van de advocaat, en aan de zijde van Van Koppen & Van Eijk begroot op € 1.157,-, waarvan € 263,- aan griffierecht en € 894,- aan salaris van de advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Schuering, M.H. van Coeverden en J.W. van Rijkom en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juni 2011 in aanwezigheid van de griffier.