Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ9768

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
04-07-2011
Zaaknummer
200.080.193-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag, hoofdverblijf en zorgregeling. Ouderschapsonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

Uitspraak : 27 april 2011

Zaaknummer : 200.080.193.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 10-5814

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. N. van Bremen te Capelle aan den IJssel,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster in hoger beroep

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. W.G.H. Janssen te Leiden.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Haaglanden,

locatie ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 11 januari 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 12 oktober 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De moeder heeft op 28 januari 2011 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vader heeft op 10 maart 2011 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 18 januari 2011 een brief van dezelfde datum met bijlagen;

- op 28 januari 2011 een brief van dezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 14 april 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De hierna te noemen minderjarige [naam oudste minderjarige] is in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is – uitvoerbaar bij voorraad – de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd in die zin dat is bepaald dat de minderjarigen [naam oudste minderjarige] (hierna: [voornaam oudste minderjarige]), geboren [in 1998] te [geboorteplaats], en [naam jongste minderjarige] (hierna: [voornaam jongste minderjarige]), geboren [in 2002] te [geboorteplaats], hierna gezamenlijk: de minderjarigen, afwisselend drie weekenden achtereen van vrijdag tot en met zondag bij de vader zullen zijn en een weekend bij de moeder. Het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [voornaam oudste minderjarige] bij hem te bepalen is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE¬LE HOGER BEROEP

1. Gelet op de wettelijke terminologie sedert 1 maart 2009 zal het hof in deze zaak, daar waar nog gesproken wordt over “omgang”, dit verstaan als “toedeling van de zorg- en opvoedingstaken”, in het hierna volgende eenvoudigheidshalve aangeduid met het begrip zorgregeling.

2. In geschil zijn de hoofdverblijfplaats van [voornaam oudste minderjarige], de zorgregeling ten aanzien van de minderjarigen en het gezag over de minderjarigen.

3. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat [voornaam oudste minderjarige] zijn gewone verblijfplaats zal hebben bij de vader, per de datum van de indiening van het verzoekschrift, subsidiair per de datum van de beschikking, meer subsidiair per een in goede justitie te bepalen datum.

4. De moeder bestrijdt het beroep van de vader en verzoekt in incidenteel appel - uitvoerbaar bij voorraad en met vernietiging van de bestreden beschikking, het hof begrijpt: voor zover het de zorgregeling betreft - te bepalen dat het verzoek van de vader wordt afgewezen, te bepalen dat de moeder alleen wordt belast met het gezag over de minderjarigen en te bepalen dat er een zorgregeling zal gelden vanaf de datum van de beschikking in dier voege dat de minderjarigen gedurende een weekend per veertien dagen bij de vader zullen verblijven en verder een verdeling van de vakantiedagen bij helfte, kosten rechtens.

5. De vader verzet zich daartegen.

6. De vader stelt zich op het standpunt dat het in het belang van [voornaam oudste minderjarige] is dat zijn hoofdverblijfplaats bij de vader wordt bepaald, nu [voornaam oudste minderjarige] dit zelf zo wenst. [Voornaam oudste minderjarige] mist de oude vertrouwde omgeving in [plaats], waar zijn vrienden wonen. In de omgeving van de vader zijn genoeg scholen waar [voornaam oudste minderjarige] terecht kan. Hoewel de vader het belang onderschrijft dat [voornaam oudste minderjarige] niet van zijn broer [voornaam jongste minderjarige] wordt gescheiden, is hij van mening dat [voornaam oudste minderjarige]s wens om bij de vader te wonen zwaarder weegt. De vader staat open voor het treffen van een passende zorgregeling tussen [voornaam oudste minderjarige] en de moeder, zodat [voornaam oudste minderjarige] regelmatig tijd kan doorbrengen met [voornaam jongste minderjarige].

7. De moeder betwist dat [voornaam oudste minderjarige] de wens heeft om zijn hoofdverblijfplaats te wijzigen. [Voornaam oudste minderjarige] heeft het volgens de moeder in zijn huidige woonplaats [plaats] uitermate naar zijn zin. Daarnaast acht de moeder het, gelijk de rechtbank, van groot belang dat beide minderjarigen bij elkaar blijven wonen. Volgens de moeder voert de vader een voortdurende strijd tegen de moeder, over de ruggen van de minderjarigen. Steeds opnieuw uit de vader verwijten naar de moeder, hetgeen voor de minderjarigen zeer belastend is. De moeder acht het daarom in het belang van de minderjarigen dat er rust komt, wat volgens haar kan worden bereikt door haar alleen met het gezag over de minderjarigen te belasten en door de zorgregeling te wijzigen, in die zin dat de minderjarigen eenmaal in de twee weken een weekend bij de vader zijn.

Gezag

8. Ten aanzien van het verzoek van de moeder in incidenteel appel om haar alleen met het gezag over de minderjarigen te bepalen, overweegt het hof als volgt. Het hof stelt vast dat dit verzoek van de moeder voor het eerst in hoger beroep is gedaan. Een zelfstandig verzoek kan krachtens artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet voor het eerst in hoger beroep worden gedaan. Dit zou de processuele belangen van de vader schaden en hem een feitelijke instantie ontnemen. De moeder is dan ook niet-ontvankelijk in dit verzoek.

Hoofdverblijfplaats en zorgregeling

9. Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de vader en de moeder hun gedragingen als ouders nog niet goed op elkaar kunnen afstemmen en dat zij niet goed met elkaar kunnen communiceren. Dit vormt een belemmering om tot overeenstemming te komen over een allesomvattende ouderschapsregeling rond de minderjarigen. Het hof is van oordeel dat de minderjarigen er het meest bij gebaat zijn dat de ouders komen tot een heroriëntatie op het ouderschap en acht aannemelijk dat deze heroriëntatie door middel van een ouderschapsonderzoek bewerkstelligd kan worden. Het hof zal daarom zo een onderzoek gelasten. Het hof wijst ieder der partijen op het belang om zich ten volle in te zetten. In dit verband wijst het hof op het niet-vrijblijvende karakter van dit deskundigenonderzoek dat zich aldus onderscheidt van hetgeen in het algemeen onder de term ‘mediation naast rechtspraak’ bekend is. Het hof wijst tot slot op het bepaalde in artikel 198 lid 3 Rv met toepassing waarvan het het hof vrij staat om aan de houding die een partij tijdens een ouderschapsonderzoek onverhoopt zou innemen, de gevolgen te verbinden die het hof geraden voorkomt.

10. De opdracht behelst niet de beantwoording van diagnostische onderzoeksvragen die door middel van individuele psychodiagnostiek beantwoord moeten worden. Het is niet de bedoeling om via testen en toetsen de ouders en het kind als individu in kaart te brengen. Het hof staat niet voor dat er individuele psychodiagnostiek bij partijen zal worden gedaan. De vragen zien op onderzoek naar en het bevorderen van de mogelijkheden van partijen om met een groeiend vertrouwen in zichzelf en elkaar als ouders te leren omgaan met elkaar op afstand en op die wijze een verantwoord contact tussen de vader en de minderjarige mogelijk te maken.

11. Het hof zal als deskundige benoemen: mevrouw drs. O.B. Koppens, gevestigd aan de Weteringschans 261 B te 1017 XJ Amsterdam, te bereiken op telefoonnummer 020-3202118 en emailadres: o.koppens@koppensmediation.nl.

12. Het hof zal tevens een raadsheer-commissaris benoemen onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden. De deskundige kan zich, indien daartoe aanleiding is, met de raadsheer-commissaris verstaan omtrent het verloop en voortgang van het onderzoek.

13. De advocaat van de vader dient de deskundige binnen veertien dagen nadat deze beschikking is gegeven te voorzien van afschriften van de processtukken.

14. Het hof zal de behandeling van de zaak aanhouden tot zaterdag 30 juli 2011 pro forma, teneinde het onderzoek door de deskundige te laten plaatsvinden. Deze krijgt de opdracht onderzoek te verrichten en daarbinnen, zo mogelijk met toepassing van mediationtechnieken, met beide ouders tezamen gesprekken te voeren, met het doel enerzijds het zodanig vorm te doen geven dat de minderjarigen – gegeven de omstandigheden – zo goed als mogelijk zullen kunnen profiteren van beide ouders en anderzijds het vertrouwen over en weer tussen de ouders in zodanige mate te doen herstellen dat deze zelfstandig tot afspraken kunnen komen omtrent hetgeen hen verdeeld houdt. Het hof acht het wenselijk dat de deskundige de minderjarigen in het onderzoek betrekt. De deskundige heeft zich bereid verklaard dit onderzoek op zich te nemen.

15. Het hof wenst dat de deskundige bij het uit te voeren onderzoek de volgende vragen betrekt:

a. Hoe is de relatie van de ouders met elkaar, in het bijzonder: is er een patroon in de wijze waarop zij met elkaar omgaan herkenbaar en is deze omgang voor verbetering vatbaar?

b. Hoe is de relatie van de minderjarigen met enerzijds de vader respectievelijk de moeder individueel en anderzijds beide ouders tezamen (het oudersysteem, met speciale aandacht voor hechting en loyaliteit)?

c. Welke zijn de pedagogische en affectieve mogelijkheden van respectievelijk de vader en de moeder?

d. Waaraan moet de opvoedingssituatie van de minderjarigen voldoen, gelet op hun individuele behoefte?

e. Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen: bij wie van de ouders is het hoofdverblijf van de minderjarigen het meest geëigend?

f. In hoeverre is ieder van de ouders in staat om bij de uitvoering van een zorg- en opvoedingsregeling rekening te houden met de behoeften van de minderjarigen?

g. In hoeverre zijn de ouders in staat elkaar ruimte te bieden voor zorg- en opvoedingstaken voor de minderjarigen?

h. Wat betekent dit voor de zorg- en opvoedingsregeling voor de minderjarigen met de ouder die de minderjarigen niet dagelijks verzorgt?

i. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van de minderjarigen?

16. De deskundige dient het hof te rapporteren over het verloop en de resultaten van het onderzoek. Tevens dient de deskundige – bij gebreke van overeenstemming tussen de vader en de moeder – de gestelde vragen te beantwoorden en het hof te adviseren omtrent de zorgregeling ten aanzien van de minderjarigen en de hoofdverblijfplaats van [voornaam oudste minderjarige].

17. Indien de advocaten en/of deskundige vragen hebben over de procedure kunnen zij zich wenden tot mevrouw A.W.M. Verheijen, m.verheijen@rechtspraak.nl, telefoonnummer 070-3811500.

18. Bij toepassing van de artikelen 195 en 199 Rv komen de kosten van een deskundigenbericht in dagvaardingsprocedures ten laste van partijen. In procedures die worden ingeleid met een verzoekschrift zijn die bepalingen in artikel 284 lid 1 Rv van overeenkomstige toepassing verklaard, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Indien het in het belang van een minderjarige nodig is dat een ouderschapsonderzoek plaatsvindt, biedt deze bepaling het hof de ruimte een deskundige aan te wijzen zonder partijen hiervoor een voorschot te vragen en in debet te stellen. Het hof is van oordeel dat de onderhavige zaak aan dit criterium voldoet en zal derhalve bepalen dat de kosten, tot een maximumbedrag van € 4.500,- inclusief verschotten en de BTW, ten laste van het rijk zullen komen. De deskundige dient te declareren aan de hand van een tijdsverantwoording en op basis van een uurtarief (of een gedeelte daarvan) van € 107,50 per uur exclusief BTW.

19. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE¬LE HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek in incidenteel hoger beroep om het gezamenlijk gezag over de minderjarigen te beëindigen en te bepalen dat het gezag over de minderjarigen voortaan alleen aan de moeder toekomt;

alvorens nader te beslissen:

houdt de verdere behandeling van het principale hoger beroep aan tot 30 juli 2011 pro forma, ter fine als vermeld in rechtsoverweging 14;

gelast een deskundigenonderzoek als omschreven in rechtsoverwegingen 9 tot en met 16;

benoemt tot deskundige mevrouw drs. O.B. Koppens, voornoemd;

verzoekt de deskundige zo spoedig mogelijk het onderzoek aan te vangen;

bepaalt dat de kosten van de deskundige door de griffier zullen worden betaald en ten laste van ’s Rijks kas zullen komen, een en ander met inachtneming van het hiervoor in rechtsoverweging 18 bepaalde;

benoemt tot raadsheer-commissaris, onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden:

mr. C. van Nievelt, en bij diens ontstentenis: mr. P.B. Kamminga;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal zenden;

bepaalt dat de advocaat van de vader binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking een afschrift van de processtukken ter beschikking van de deskundige zal stellen en dat de ouders alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundige tijdig voor de hierboven vermelde pro forma datum het hof zal rapporteren over het verloop en de resultaten van het ouderschapsonderzoek;

bepaalt dat uit het deskundigenbericht moet blijken dat de ouders door de deskundige in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen, met vermelding van de inhoud van de eventuele opmerkingen en verzoeken;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Kamminga en Ibili, bijgestaan door mr. Veldmans als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 april 2011.